Terug naar Ecclesianet.nl

Psalm 2

1. Why did nations grow insolent, and peoples contemplate vain things?*
Waarom woelen de volken en zinnen de natiën op ijdelheid?

2. The kings of the earth stood side by side, and the rulers gathered together, against the Lord and against his anointed, Interlude on strings
De koningen van de aarde scharen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen de Heer en zijn gezalfde:

3. “Let us burst their bonds asunder and cast their yoke from us.”
Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen!

4. He who resides in the heavens will laugh at them, and the Lord will mock them.
Die in de hemel zetelt, lacht; de Heer spot met hen.

5. Then he will speak to them in his wrath, and in his anger he will trouble them.
Dan spreekt hij tot hen in zijn toorn, en verschrikt hen in zijn gramschap:

6. “But I was established king by him, on Sion, his holy mountain, by proclaiming the Lord’s ordinance:
Ik heb immers mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg.

7. The Lord said to me, ‘My son you are; today I have begotten you.’
Ik wil gewagen van het besluit van de Heer: Hij sprak tot mij: Gij zijt mijn zoon; Ik zelf heb u heden verwekt.

8. Ask of me, and I will give you nations as your heri‑ tage, and as your possession the ends of the earth.
Vraag Mij en Ik zal volken geven tot uw erfdeel, en de einden van de aarde tot uw bezit.

9. You shall shepherd them with an iron rod, and like a potter’s vessel you will shatter them.’
U zult hen verpletteren met een ijzeren knots, hen stukslaan als pottenbakkerswerk.

10. And now, O kings, be sensible; be instructed, all you who judge the earth.
Nu dan, gij koningen, weest verstandig, laat u gezeggen, gij richters der aarde.

11. Be subject to the Lord with fear, and rejoice in him with trembling.
Dient de Heer met vreze en verheugt u met beving.

12. Seize upon instruction, lest the Lord be angry, and you will perish from the righteous way, when his anger quickly blazes out.
Kust de zoon, opdat hij niet toorne en u onderweg niet te gronde gaat, want zeer licht ontbrandt zijn toorn.

Happy are all who trust in him.
Welzalig allen, die bij Hem schuilen!

Toelichting op Psalm 2 in de LXX

In psalm 2 zijn de tijden waarin de verzen staan, van betekenis. De verzen 1 t/m 3 staan in de verleden tijd. De heidenen spanden samen. Ze stelden zich op tegenover de stad op de berg Sion. Vers 4 staat in de tegenwoordige tijd. De situatie is bedreigend, maar God zetelt in de hemel. God is soeverein. Hij heeft niets te vrezen. Dan komt de toekomstige tijd: Hij zal lachen, de opstandige volkeren bespotten en tot hen spreken.

In de Hebreeuwse tekst (MT) staat dat God bijna uitdagend spreekt: Ik heb mijn koning gesteld over de Sion. In de LXX staat dat de koning zélf spreekt: ‘Ik ben door God gesteld tot koning’. Er staat niet ‘over’ de Sion, maar ‘op’ de Sion.

In de LXX vertelt de koning wanneer hij koning is geworden. Dat gebeurde toen hij zelf op de Sion ver‑ telde van Gods besluit. Hij is op de Sion gekomen en heeft daar naar voren gebracht dat hij Gods Zoon is. Door dat te proclameren is hij als koning aanvaard

Door het zo voor te stellen krijgen de teksten een dramatische kracht. De koning is Gods Zoon. Daarom hoort Hij op de heilige berg. Wat zullen de volkeren tegen Hem kunnen doen? Hij mag de heerschappij over hen opeisen.

In het NT lezen we dat Jezus op de Sion publiekelijk naar voren bracht dat Hij de Zoon is. Hij verwees op het tempelplein naar Psalm 2. Toen de farizeeën Hem vroegen uit welke macht Hij wonderen deed, wees Jezus op Johannes de Doper en vroeg hen of zijn doop uit de hemel was. Zij konden dat niet bestrij‑ den. Dan was het antwoord duidelijk: er had een stem geklonken, toen Jezus gedoopt werd, die zei: ‘Gij zijt mijn Zoon!’ Tegenover het Sanhedrin beaamde Jezus dat Hij de Zoon was en tegenover Pilatus hield Hij vol dat Hij een Koning was. Op het kruis viel te lezen: ‘De Koning der Joden.’

Daar, op de Sion moest Jezus erkend worden. Daar stond Jezus op uit de dood en op de Olijfberg droeg Hij de discipelen op om de volkeren het Evan‑ gelie te verkondigen. Psalm 2 in de LXX ging dus in vervulling. Het dreigende van psalm 2 wordt dan naar de achtergrond gedrongen. De discipelen gaan heen om de volkeren te onderrichten (zoals in Psalm 2 LXX). De koningen worden opgeroepen om zich te laten onderwijzen en om met eerbied zich te verheugen in degene die het koningschap heeft verkregen (zie Jesaja 52: vooral in de LXX).

H. Klink, Hoornaar
mevr. M.A. Aalders, Bussum