Terug naar Ecclesianet.nl

Bonhoeffers ethiek

Dietrich Bonhoeffer blijft ons nog altijd aanspreken. In de loop der jaren zijn vele van zijn boeken in het Nederlands vertaald. De bekendste daarvan zijn ongetwijfeld Nachfolge (Navolging) uit 1937, een verklaring van de Bergrede, en de verzameling brieven, die hij in de gevangenis heeft geschreven en die later door zijn vriend Eberhard Bethge onder de titel Widerstand und Ergebung (Verzet en overgave) is uitgegeven.

Merkwaardigerwijs heeft een uitgave van Bonhoeffers Ethik tientallen jaren lang op zich laten wachten. In 2008 heeft Wilken Veen het werk ter hand genomen, vanaf 2009 in samenwerking met de Apeldoornse hoogleraar G.C. den Hertog. In 2012 was het karwei geklaard en zag het boek Dietrich Bonhoeffer. Aanzetten voor een ethiek1 het leven.

Een karwei? Ja, dat was het inderdaad. De Duitse tekst bleek moeilijk toegankelijk te zijn: veel buitensporig lange zinnen, die de leesbaarheid van het boek aanzienlijk bemoeilijken. Hoewel de vertalers zich ten doel gesteld hadden zo dicht mogelijk bij het origineel te blijven, zagen zij zich herhaaldelijk gedwongen tot knippen en inkorten, terwijl ook tot een vrijere weergave van de tekst noodzakelijk bleek. Een kolossale opgave, waarvan zij zich echter uitstekend gekweten hebben. En hierbij hebben zij het niet gelaten. Aan elk fragment gaat een inleiding vooraf met gegevens over de historische, theologische en kerkelijke context, die in een belangrijke mate tot het verstaan van de tekst bijdragen.

De titel van het boek, “Aanzetten tot een ethiek”, vraagt om een verklaring. Het boek, dat Bonhoeffer zich had voorgenomen te schrijven, is er nooit gekomen. Uit 1940 dateert een aantal opzetten in de vorm van inhoudsopgaven. En ook zijn er enkele ideeën van de schrijver voor een werktitel bekend. Maar daarbij is het gebleven. Het is niet bekend, in hoeverre Bonhoeffer aan zijn aanvankelijke plannen met betrekking tot opzet en inhoud van zijn “Ethik”heeft vastgehouden, zodat niet valt te zeggen, hoe de structuur en de preciese inhoud van het werk er uitgezien zouden hebben. Een complicerende factor is ook het feit, dat Bonhoeffers manier van schrijven iets verhullends had: de concrete situatie dwong hem tot voorzichtigheid; hij moest op zijn tellen passen.

Bonhoeffer is met het schrijven van zijn Ethik begonnen in de nazomer van 1940, na de “Blitzkrieg” tegen Denemarken, Noorwegen, Nederland, België, Luxemburg en Frankrijk, toen Hitlers successen niet meer genegeerd konden worden. De werkelijkheid van het Derde Rijk liet zich niet wegredeneren en vroeg dringend om een theologisch-ethische doordenking. Verscheidene predikanten, die als officier in het leger dienden, vroegen Bonhoeffer, of de verkondiging van de kerk niet gedoemd was in het licht van Hitlers successen te verbleken. Bonhoeffer, zelf niet minder onder de indruk van Hitlers triomfen, antwoordde: “Midden onder onze daden vragen we naar het Woord, iets anders kunnen we niet meer. (…) Slechts één ding is groter dan de daad: Hij, die de daden geeft. Iedere daad weet dat zelf, ze is toegelaten en wordt geschonken. Ze moet Hem prijzen die haar gaf. Of ze het doet of niet, hangt af van de houding tegenover het Woord van God. Het Woord van God is er en het is het enige waarover de daad geen macht heeft. (…) Niet door wonderen wil God erkenning afdwingen, maar door het Woord wil Hij het hart raken en tot een vrij geloof brengen. Het zwakke Woord van God is de enige kracht, die een mensenhart kan bereiken en tot een vrij geloof kan brengen.”

Na de oorlog heeft Eberhard Bethge de her en der verspreide aantekeningen, die Bonhoeffer had nagelaten, verzameld en er een voorlopige ordening in aangebracht. In 1949 heeft hij het geheel onder de titel Ethik uitgegeven. In het Woord vooraf echter schrijft hij: “Dit boek is niet de ethiek, die Dietrich Bonhoeffer wilde publiceren”. Hiermee is echter niet alles gezegd. Het is nooit de bedoeling van Bonhoeffer geweest een kant-en-klaar ontwerp te leveren, waarin allerlei vragen beantwoord zouden worden. Hij heeft zijn tijdgenoten een weg willen wijzen.

Ethiek als wegbereiding

Bonhoeffers Ethik onderscheidt zich van de gangbare ethische handboeken door twee nieuwe elementen:

1) Het boek is eschatologisch getoonzet. Dit komt reeds tot uiting in de werktitel, die Bonhoeffer voor zijn boek in gedachten had: “Wegbereiding en intocht”. Ethiek is wegbereiding. Zij kan alleen dàn bevrijdend en richting-wijzend spreken, wanneer zij in het teken van de intocht in het Rijk van God staat. Dit houdt in, dat zij het onderscheid tussen de “laatste” en de “vóórlaatste” dingen goed in het oog moet houden. De vóór-laatste dingen, de dingen van dit leven, hebben geen betekenis in en door zichzelf. Ons doen en laten wordt gestempeld door het “laatste”: de nieuwe wereld van het Koninkrijk van God. Daar leven wij naartoe. Het leven in het “vóórlaatste” wil wegbereiding voor het “laatste” zijn.

2) Het tweede novum van Bonhoeffers Ethik betreft zijn categorisch “nee” tegen de lutherse leer van de zgn. “scheppingsordeningen”: structuren als familie, huwelijk, cultuur, arbeid en staat, die door God als normatief voor alle tijden aan de schepping zijn meegegeven. Bonhoeffer spreekt niet van ordeningen, maar van Mandate (opdrachten): geen statische, vaststaande structuren, maar levensterreinen, waarop wij geroepen zijn God te dienen.

Er zijn vier “Mandate”: kerk, huwelijk en gezin, cultuur (arbeid) en overheid. De kerk gaat voorop. Volk en staat – in de lutherse theologie de meest populaire ordeningen – ontbreken in het rijtje. De voornaamste beweegreden om aan de kerk de eerste plaats toe te kennen, is gelegen in de aard van het gebod. De geboden zijn alleen vanuit Jezus Christus te verstaan. God heeft de geboden als het ware van boven af in deze wereld ingedreven om structuur te geven aan zijn – in Christus geopenbaarde – liefde voor mens en wereld.

Bonhoeffers mandatenleer sluit geheel aan bij de beide eerste stellingen van de “Theologische Verklaring” van Barmen (1934), waarin Jezus Christus Gods “Zuspruch” (belofte) en “Anspruch”(claim) op ons gehele leven wordt genoemd.

Twee-rijken-leer

Behalve met de leer van de scheppingsordeningen rekent Bonhoeffer ook af met de zgn. twee-rijken-leer, een dogma, dat, net als de leer van de ordeningen, tot het hart van de lutherse theologie behoorde.2 De tweerijken- leer wordt gekenmerkt door een waterdichte scheiding tussen twee domeinen: het bovennatuurlijke, sacrale domein van de kerk en het natuurlijke, profane domein van de wereld. Een scheiding, waaraan de zgn. Duitse christenen, onder leiding van “Reichsbischof” Ludwig Müller, een vrijbrief ontleenden om niet met Hitler c.s. te breken: politiek behoorde tot het domein van de staat. De kerk had daar niets mee te maken. Bonhoeffer wijst deze opvatting onvoorwaardelijk van de hand. In Christus heeft de tegenstelling tussen de beide rijken afgedaan. Hij is niet alleen Heer van de kerk, maar ook Heer van de wereld. De God, die de geschiedenis leidt, legt ons mede-verantwoordelijkheid op en vraagt rekenschap van ons over wat wij gedaan en nagelaten hebben.

Gods werkelijkheid

Het sleutelwoord van Bonhoeffers Ethik is het woord “werkelijkheid”. Hiermee wordt echter niet bedoeld de werkelijkheid, die wij om ons heen zien, maar de werkelijkheid van God in Christus, de Gotteswirklichkeit of Christuswirklichkeit. Anders gezegd: de werkelijkheid, gezien in het licht van Gods verzoening met de wereld. “De vraag naar het goede wordt tot de vraag naar het deelhebben aan de in Christus geopenbaarde werkelijkheid van God

Het is ons mensen niet gegeven, aldus Bonhoeffer in navolging van Karl Barth, goed en kwaad werkelijk te kennen en uit elkaar te houden. Voor de christelijke ethiek zijn vragen als “Hoe word ik goed?” en “Hoe doe ik iets goeds?” niet relevant. Als het ethische probleem samenvalt met de vraag naar het eigeg goedzijn en naar het doen van het goede, dan is de beslissing voor het “ik” en de wereld als de laatste werkelijkheid al gevallen. Maar als de werkelijkheid van het “ik” en de wereld deel uitmaken van een heel andere laatste werkelijkheid, t.w.: de werkelijkheid van God, de Schepper, de Verzoener en de Verlosser, dan komt het probleem van de ethiek in een heel ander licht te staan. Het allerbelangrijkste is dan niet meer, dat ik goed word of dat de toestand van de wereld er dankzij mij beter op wordt, maar dat de werkelijkheid van God overal zichtbaar wordt als de láátste werkelijkheid. Het vertrekpunt voor alle bezig-zijn met ethiek wordt dan het gegeven, dat God het goede blijkt te zijn. Zolang de dingen niet in God gezien en gekend worden, nemen wij ze vertekend waar. Zonder het geloof in God als laatste werkelijkheid zijn alle zogenaamde gegevenheden, alle wetten en normen abstracties.

Blijvend actueel

Een boek als Bonhoeffers Ethik laat zich niet gemakkelijk samenvatten. Het is dan ook geen “handboek”, dat hij ons heeft nagelaten. “Het is de bedoeling dat de lezer zijn Ethik tot een werk-boek maakt en de aanzetten van Bonhoeffer oppakt om zelf in verantwoordelijkheid een weg te gaan” (blz. 16).

De vroegere Utrechtse hoogleraar Dr. A.A. van Ruler achtte het “zonder meer een ramp voor de theologie en de kerk, een onbegrijpelijke daad van God, dat Bonhoeffer niet is blijven leven.”3 Een gevoelen, dat velen met hem zullen delen. Hoeveel zou Bonhoeffer juist na de oorlogsjaren nog voor de kerk hebben kunnen betekenen. En toch: in wat hij ons heeft nagelaten is ons een rijkdom aan gedachten geschonken, waarvan men ongetwijfeld nog tal van jaren de vruchten zal kunnen plukken.

J.G. Barnhoorn, Nunspeet

Noten
1 “Dietrich Bonhoeffer. Aanzetten voor een ethiek. Samengesteld, vertaald en ingeleid door Gerard den Hertog en Wilken Veen. Uitg. Boekencentrum. ISBN 978 90 239 2621 4. Aantal pagina’s: 334. Prijs: € 32,50.
2 Bonhoeffer is van oordeel, dat deze beide items niet op Luther zelf teruggevoerd kunnen worden. Hij spreekt dan ook van pseudo-lutheranisme.
3 A.A. van Ruler, Theologisch Werk, deel V, pag. 175.