Terug naar Ecclesianet.nl

Nederlandse lutheranen als godsdienstige minderheid

In 2011 verscheen Lutheranen in de Lage Landen; een overzichtswerk over de geschiedenis van de lutheranen in Nederland. In ruim achthonderd bladzijden ontstaat een beeld van de lutheranen in Nederland vanaf de Reformatie tot en met hun opgaan in de Protestantse Kerk in Nederland in 2004. In deze bespreking beperk ik me tot de hoofdstukken die gaan over de 16e eeuw en de 20e eeuw. Ik neem als perspectief op deze hoofdstukken de studie van J.W. Pont uit 1911, De Geschiedenis van het Lutheranisme. Deze studie was destijds de winnende inzending voor een prijsvraag van Teylers Godgeleerd Genootschap waarin een verklaring gevraagd werd voor de minderheidspositie van het lutheranisme in Nederland. De behoefte om het Nederlandse Lutheranisme als uitzondering te verklaren heeft de lutherse geschiedschrijving altijd begeleid en is ook in het hier besproken boek merkbaar.

De bijdrage van K.G. van Manen over de vroege geschiedenis van de lutheranen leunt sterk op het boek van Pont. Volgens Pont waren het juist de Duitse predikanten, met hun herkomst in de Antwerpse vluchtelingengemeente die het eigen karakter van het Nederlandse lutheranisme hebben bepaald. Zij vertegenwoordigden volgens Pont, een ‘geprononceerd’ lutheranisme, dat niet opgewassen bleek tegen het strijdbare calvinisme. Pont zet de geschiedenis op zijn kop. De minderheid is eigenlijk de miskende meerderheid. Het Nederlandse lutheranisme is het eigenlijke lutheranisme en ‘de grootste geestelijke strooming, die sedert de 16e eeuw door de Europeesche en Amerikaansche christelijke en kerkelijke wereld henengaat.’ (Pont, p. 36) De beoordeling van Pont is niet vol te houden. Het lutheranisme dat in de noordelijke Nederlanden verdreven werd, was voortgekomen uit de radicale leer van Matthias Flacius en had een sterk sektarisch - apocalyptisch karakter. De flacianen werden niet alleen uit de Nederlanden geweerd, maar waren zonder uitzondering uit lutherse steden in Duitsland verbannen. Theologisch speelden de radicale visie op de erfzonde en de avondmaalsleer een rol, maar in de Nederlanden raakten zij in opspraak, omdat zij weigerden Filips II af te zweren. De lutheranen die zich in de Noordelijke Nederlanden bevonden waren zo een onzekere factor in de Opstand tegen het Spaanse gezag.

Mijns inziens had dit weinig van doen met een tegenstelling tussen Lutheranen en Calvinisten. Het is belangrijk om hier de nuances niet uit het oog te verliezen. Ook binnen het Duitse lutheranisme was met de Schmalkaldische oorlog veel ruimte om een recht van opstand te verdedigen. De flacianen die zich vooral in Woerden bevonden, vertegenwoordigden met hun radicale weigering om Filips II af te zweren een positie die zelfs door iemand als Bugenhagen – een voorman van de flaciaanse vleugel – niet werd verdedigd. Om de problematische positie van de lutheranen in de Nederlanden te duiden heb je de stereotype, calvinistische intolerantie niet nodig. Van Manen blijft in het spoor van Pont, door de positie van de lutheranen in de 16e eeuw te duiden in termen van ‘ontlutherisering’ en calvinistische intolerantie. (p. 93)

Het boek van Pont is, zoals Van Manen terecht opmerkt, een Fundgrube voor kerkhistorici, maar is zo programmatisch geschreven dat het niet geschikt is als uitgangspunt voor een ‘historiografische schets’. In meer recent onderzoek naar deze periode (met name van Alistair Duke en Irene Dingel) is veel onderzoek gedaan naar religieuze pluraliteit na de Reformatie. Dat onderzoek biedt waardevolle perspectieven op de positie van de lutherse gemeentes in de Nederlanden. De evaluatie die Van Manen geeft van het werk van Pont – waarin hij de beoordeling van Kooiman’s In Memoriam voor Pont uit 1942 feitelijk overneemt – heeft onvoldoende distantie en doet geen recht aan belangwekkende ontwikkelingen in het kerkhistorisch onderzoek.

Het interessante aan de studie van Pont is dat het in alles de kenmerken heeft van de nationalistische geschiedschrijving die vooral in het Interbellum aan betekenis zou winnen. Zijn methode sluit aan op de Groot-Nederlandse gedachte waarin Nederland als een politiek-religieuze eenheid wordt verstaan. Het lutheranisme heeft volgens hem in deze nationale eenheid nooit een plek gehad. Volgens Pont is het Nederlandse lutheranisme typisch Duits: conservatief en gezagsgetrouw. Het Nederlandse calvinisme is daarentegen kritisch en revolutionair. Pont: ‘… hierover schudt de Duitscher bedenkelijk het hoofd; hij weet alleen daarvan, dat men gehoorzaam heeft te zijn aan de Overheid.’ De Duitsers begrijpen de Nederlanders niet en blijven ‘… een kring in het Nederlandse volk, maar een kring die staat buiten het volksleven.’ Pont ziet de lutheranen als minderheid, niet alleen in confessioneel opzicht, maar vooral vanwege hun ‘politieknationaal’ beginsel. In zijn publicaties gaat het steeds om het inheemse en het uitheemse. Hij meet alles aan de volksaard, de ziel van het volk. Van Manen huivert bij deze gedachten van Pont (p. 38). Ze sluiten nauw aan op de Blut und Boden gedachte die in de jaren ’30 opgang zou doen. Van Manen gaat niet na of deze lijn inderdaad in die richting doorgetrokken is en in hoeverre deze gedachte ook Ponts kijk op de 16e eeuw heeft bepaald.

Ik vraag mij af of Ponts nadruk op het Duitse karakter van het lutheranisme ook een rol heeft gespeeld in de jaren dat de invloed van het nationaalsocialisme in Duitsland en de Evangelische Kirche steeds sterker werd. Wat betreft deze band met de Duitse taal en cultuur zijn de lutheranen enigszins met de Evangelisch Broedergemeente (Hernhutters) te vergelijken. In deze gemeenschap speelde nadrukkelijk een loyaliteitsconflict tussen duitsgezinden en de opponenten van het nationaal-socialisme.

De bijdrage van C.J. de Kruijter (Hoofdstuk 8, Een bewogen tijdvak 1914-195) gaat over deze periode. In de Lutherse kerken speelde de verhouding tot het nationaalsocialisme en de Evangelische Kirche wel een rol, maar leidde zelden tot een meer publieke discussie. De Kruijter merkt op dat de meeste lutheranen zich afzijdig houden van de politiek. In meer dubieuze gevallen kiest de Kruijter steeds het veilige midden. Er is nu eenmaal weinig bekend over deze periode. Daarmee is zijn hoofdstuk een bevestiging van de gebrekkige interesse in deze periode. Interessante vragen blijven liggen: Wat was nu de positie van lutheranen in Nederland in de jaren ’30? Zagen zij de ontwikkelingen in Duitsland eerder aankomen? Gebruikten zij hun contacten om joods-lutherse predikanten te helpen? Wat was de positie van de Duitse gemeentes en predikanten die onderdeel waren van de Evangelisch Lutherse kerk in Nederland? De kritische vragen waartoe vooral de studie Protestants Nederland en Duitsland 1933-1940 van Van Roon aanleiding geven, worden hier wel aangeroerd, maar zijn blijkbaar geen reden geweest voor verder kerkhistorisch onderzoek.

Het is opvallend hoe weinig aandacht er in de lutherse geschiedschrijving is voor de periode van de jaren dertig. Mijns inziens komt dit doordat de lutheranen – zoals de meeste protestanten – deze periode vooral beleefden als een tijd van oecumenische toenadering. De minderheidspositie in Nederland en de verdeeldheid in eigen kring die in de 19e eeuw had geleid tot het ontstaan van de Hersteld Lutherse Kerk, bood aan het begin van de 20e eeuw weinig perspectief. Niet de machteloosheid, niet het lot van het Joodse volk, maar de hervonden eenheid was de paradigmatische ervaring van deze periode. Zo bezien zijn de oorlogsjaren geen breuk, maar is er juist opmerkelijke continuïteit tussen de jaren ’30 en het ‘nieuwe elan’ in de jaren ’50.

De positie van de Hersteld Lutherse kerk is in dit opzicht wel complex te noemen. Juist het meer orthodoxe deel van de lutheranen vond het kerkelijk protest tegen de Jodenvervolging ongewenst en zochten toe nadering tot de Deutsche Christen. In 1937 treden de herstelden toe tot de Maarten Luther bond op het moment dat zij hun loyaliteit betuigden aan de Führer. Die toenadering geschiedde in een plechtigheid die geheel verliep volgens de nationaalsocialistische protocollen van die dagen. Tegelijk zijn zij beducht voor de koers van de Oecumenische Raad in Nederland, waar zij zich in 1939 uit terugtrekken. Binnen de toch al terughoudende opstelling van de Nederlandse kerken ten aanzien van de Jodenvervolging, is de Hersteld Lutherse kerk steeds afwijzend geweest ten aanzien van een kerkelijk spreken hierover. Klinkenberg en de hersteld lutherse hoogleraar Van Bemmel zijn hierin het meest uitgesproken. Zij weren zich tegen elk spreken over de Jodenvervolging en ook wanneer de oecumenische raad zich wil uitspreken over de arrestatie van Niemöller zijn zij daar fel tegen. In zijn studie over de Oecumenische Raad in Nederland heeft H.J. Ter Haar Romeny uitvoerige aandacht voor de opstelling van de Hersteld Lutherse Kerk in de jaren ‘30. Hij typeert de stellingname van Van Bemmel en Klinkenberg als een ‘duidelijke pro-duitse gezindheid’ en wijst op hun ‘absolute scheiding van kerk en staat die ook onder het nazi-regime wordt volgehouden’. De Kruijter houdt het op een ‘verkeerd beeld van de houding van de Hersteld Evangelisch Lutherse Kerk tegenover de joden in de tweede helft van de jaren dertig’. (p. 578) Het is een terugkerend probleem in dit dikke boek, dat soms tot vervelens toe wordt ingegaan op details, terwijl er voor thema’s die om kerkhistorische verdieping vragen geen ruimte is.

Door lutherse theologen en predikanten werden de naoorlogse jaren ervaren als een tijd van ‘nieuw elan’. Het gevoel een minderheid te zijn verdween voor de theologen, maar werd op het grondvlak eigenlijk alleen maar groter. Na de oorlog liep het ledental van de lutherse kerk in snel tempo terug. Zowel in de studie van Pont als in de hier besproken bundel, worden Nederlandse lutheranen nadrukkelijk als minderheid gepresenteerd. Het maakt deze bundel tot een wat voorzichtig boek, met weinig distantie en kritische reflectie. Juist die bijzondere geschiedenis van de lutheranen in Nederland had alles in zich om tot een veel spannender boek te komen.

H.J. Prosman, Nieuwkoop

N.a.v.: K.G. van Manen (red.), Lutheranen in de Lage Landen. Geschiedenis van een godsdienstige minderheid (Ca. 1520-2004). (Zoetermeer, Boekencentrum, 2011)