Terug naar Ecclesianet.nl

Dr. Fritz Neugebauer

In het vorige nummer van Ecclesia scheef ik een artikel over de wijzen uit het oosten. Ik verwees erin naar een kerstvertelling voor kinderen van dr. Fritz Neugebauer uit Wittenberg. Ik vermeldde dat hij onder het communistisch regime van de DDR gedurende vele jaren predikant was. Ook gaf ik aan dat hij enkele jaren geleden een fijnzinnig boekje geschreven heeft over het Onze Vader. Dr. Neugebauer verstaat de kunst om heel zorgvuldig te exegetiseren, waardoor hij tot verrassende ontdekkingen komt. Hij weet bovendien de tekst zo uit te leggen dat de kracht die erin zit aan het licht komt. Hij moet op dit punt onmiskenbaar een charisma bezeten hebben.

Uit wat hij me vertelde, bleek me dat na de ‘Wende’, toen de speelruimte voor een predikant toenam en hij in veel dorpen gevraagd werd voor te gaan, de toeloop naar de diensten groot was. Hij zei dit niet rechtstreeks. Daar is hij te bescheiden voor. Ik maakte het zelf op uit wat hij uit zijn herinneringen naar voren bracht. Dat hij een geliefd prediker is geweest, ligt ongetwijfeld ook aan zijn vertelkunst, die zich kenmerkt door het samengaan van intense dankbare concentratie op de stof ter wille van de hoorder, die hij wil dienen met de inzichten die hem door God geschonken zijn. Zijn charisma zorgt ervoor dat je niet snel vergeet wat hij vertelt.

Dr. Neugebauer schreef in 1999 een boekje waarin hij enkele belevenissen in de pastorie tijdens de DDRtijd weergaf: Gott, der Mensch und das System. De lezer komt er in aanraking met het leven zoals het in de DDR was. Soms moet je bij het lezen glimlachen (vanwege de onverholen humor waarmee de schrijver vertelt), soms kom je onder de indruk vanwege de moed die de christenen (en de predikant, zijn vrouw en kinderen) betoonden. Soms pink je bijna een traan weg vanwege het ontroerende karakter van de verhalen.

Leven in de DDR

Het leven als christen was in de DDR geen sinecure, laat staan het leven als predikant. Het werd gekenmerkt door angst en zorg. Zorg kenmerkte ook zijn vrouw. Zij stond dr. Neugebauer altijd met raad en daad bij. Vooral het lot van de kinderen trok zij zich aan. Deze werden qua toekomstmogelijkheden zwaar beknot omdat zij geen lid waren van de communistische partij. Waar het kon, pasten zij zich aan, maar waar het christelijke geloof werkelijk in het geding was, wilden ze dat niet. Zo die ene keer dat er schoolinspectie was. De kinderen was geleerd om op de vraag van de juffrouw, aan wie het toch wel niet te danken was dat er zoveel moois op de wereld te zien was, te antwoorden: “Dankzij het rode leger.” Thuis werd erover gepraat of de kinderen dit antwoord mochten geven als hun dat gevraagd werd. Neugebauer wilde hen niet in moeilijkheden brengen en zei: “Zeg het maar voor deze ene keer. Maar jullie weten wel beter…” Toen de inspectie kwam en aan een van de kinderen van een gemeentelid gevraagd werd aan wie alles toch wel niet te danken was, zei het meisje: “Von dem lieben Herr Gott.” De juffrouw schrok, corrigeerde, maar er gebeurde verder niets.

De kinderen van Neugebauer vertelden thuis opgewonden wat er gebeurd was. Zij hadden gefaald en het andere meisje niet. Tenminste: dat was hun gevoel. De dominee voelde zich toch wel erg beschaamd…

Een doortastende predikant en een verbouwereerde wethouder

Veel zou ik kunnen opdiepen uit het genoemde boekje, onder meer over de dreiging van de communisten waarmee de christenen voortdurend moesten leven. Neugebauer had oog voor de druk die het systeem op de mensen legde en wist daar ook mee om te gaan. Dat was soms een hele prestatie. Zo vertelt hij van een catechisant, aan wie hij merkte dat zijn gedrag veranderde. De jongen barstte in huilen uit toen hij hem een bezoek bracht. De Stasi had hem benaderd. Hij moest de dominee in de gaten houden en doorbrieven wat hij op catechisatie zei. Wat kon Neugebauer doen, zonder de jongen in een lastig parket te brengen? Enkele dagen later kreeg hij opeens een ingeving. Hij belde het hoofdkantoor van de Stasi, en vertelde dat hij een gedragsverandering bij de jongen merkte en dat hij vermoedde dat de jongen door de Stasi onder druk gezet was. Hij had het hem niet willen vragen en daarom richtte hij zich direct tot het hoofdkantoor om aan te geven, dat, mocht dit zo zijn, het een grof schandaal was. Dit telefoontje maakte de jongen voor de Stasi onbruikbaar. De jongen werd van zijn ‘taak’ ontheven…

Gelukkig wist de predikant zich ondanks de druk op de been te houden. Dit kwam ook omdat hij door een grote mate van humor door situaties heen kon kijken. Zo vertelt hij van een bezoek aan een communistische wethouder die in armoedige omstandigheden verkeerde. Neugebauer was naar hem toe gegaan om hem een gunst te vragen, ter wille van de kerk. Het kerkpad was hoognodig aan nieuwe bestrating toe. Neugebauer kende de man in kwestie niet. Het was avond en warm. De wethouder zat achter een tafel met half ontbloot bovenlijf en een glas jenever voor zich. Neugebauer vertelt: Ik probeerde stapje voor stapje naar de eigenlijke reden van mijn komst te gaan. De wethouder had dat wel door en zei abrupt: “Zegt u nu maar waarvoor u gekomen bent!” De predikant vatte moed en binnen vijf minuten had hij toestemming. Toen dat geregeld was, zei de wethouder, die heel direct bleek te zijn: “Nu heb ik ook aan u een vraag, mijn waarde dominee! Hoe moet je omgaan met een vrouw waar je altijd woorden mee hebt?” Zijn vrouw, om wie het ging, zat in dezelfde kamer en zette grote ogen op. Wat moest hij nu zeggen? Neugebauer redde zich meesterlijk uit het lastige parket door na even na te denken het volgende antwoord te geven: “Nu, dat is heel eenvoudig, u moet haar altijd gelijk geven.” De wethouder verschoot van kleur en riep uit: “Mijneer de dominee, als u ooit ‘mot’ hebt met uw vrouw, dan komt u hier, en boven (hij wees omhoog) heb ik nog een kamer vrij, dan kunt u daar gebruik van maken!” Neugebauer vertelde met de humor die hem eigen was: “Nu voor die troost heb ik hem maar vriendelijk bedankt.”

Wat hij me bij Elbe vertelde

De moed die Neugebauer kenmerkte, had hij van geen vreemde. Hij vertelde me over een belevenis van zijn vader, die hij voor zover ik weet, nooit aan het papier toevertrouwde. Hij deed dat tijdens een bezoek dat mijn vrouw en ik hem brachten in Wittenberg. Op zondagmiddag maakten we een wandeling langs de Elbe, de rivier waar Luther de banvloek van de paus in het openbaar, d.w.z. in bijzijn van zijn studenten verbrandde. Het gesprek ging over zijn vader, die ook predikant was. Neugebauer vertelde toen iets over wat er gebeurde toen hij zelf een jaar of tien was. Het moet zich afgespeeld hebben in 1946.

De oorlog was nog maar kort voorbij. Het oosten van Duitsland was ‘bevrijd’ door de legers van Stalin. Dat beloofde weinig goeds. De toekomst was uiterst onzeker. De mensen voelden aan wat er ging gebeuren: de Russische legers zouden blijven en een communistisch regime zou de scepter voeren.

In deze onzekere situatie had de vader van dr. Neugebauer een lezing gehouden ter gelegenheid van een bijeenkomst van de CDU waarvan hij een prominent lid was. Hij had zich daar tegen het communisme gekeerd. Grote bijval had hij geoogst. Toen zijn naam overal gonsde, begon hij zich ongerust te maken. Hij had daar reden toe. Het was de tijd waarin de communisten iedereen die hen niet aanstond zomaar van het leven konden beroven. Dat kon ook ds. Neugebauer gebeuren. Ongetwijfeld hadden de communisten lucht gekregen van de CDU-ontmoeting en van zijn redevoering.

Dat ds. Neugebauer zich niet voor niets zorgen maakte, blijkt bijvoorbeeld wel uit het levenseinde van de bekende hoogleraar Ernst Lohmeyer, die na de oorlog rector magnificus werd van de universiteit in Greifswald. Op een dag werd zijn lichaam gevonden. Hij was doodgeschoten door een onbekende in een van de straten bij de universiteit. De dader was onbekend. Iedereen wist dat de moord door de communisten was gepleegd. Lohmeyer had zich openlijk van hen afgekeerd.

De vader van Neugebauer realiseerde zich dat hij gevaar liep. Het hield hem bezig. Juist toen kwam het bevel dat hij zich bij de burgemeester van de plaats waar hij woonde, moest vervoegen. Deze burgemeester stond bekend als een rasechte en fanatieke communist. Vanzelfsprekend was de predikant onder de indruk: het beloofde weinig goeds. Er zat niets anders op dan eraan te gehoorzamen. Te voet begaf hij zich daags erna naar de het kantoor van de burgemeester.

Toen gebeurde er iets merkwaardigs waar hij later meer dan eens aan terug moest denken. Onwillekeurig kwam hem steeds de geschiedenis van Esther en Haman voor de geest. Bij flarden dacht hij aan wat het bijbelboekje vertelde. Veel tijd om daar aandacht aan te geven had hij niet. Aangekomen bij het bewuste kantoor, trof hij de burgemeester niet thuis. Toen hij het kantoor inliep, zat daar achter het bureau iemand anders: een corpulente figuur in een militair pak, een Rus. Op zijn bureau stond een fles wodka, waaraan hij zich kennelijk te goed deed. Halfdronken vroeg de Rus aan de predikant wat hij kwam doen, die hem vertelde dat hij bij de burgemeester was ontboden. De Rus vroeg wat de reden was. Neugebauer vertelde dat hij vermoedde dat het ging om de bewuste partijbijeenkomst die hij had bezocht. De Rus vroeg door: “Wat voor werk doet u?” “Ik ben predikant.” “Predikant?” De militair sprongen de tranen in de ogen en antwoordde: “dat was mijn vader ook.” Herinneringen kwamen kennelijk bij hem boven. En nog eens vroeg hij: “En u bent ontboden door de burgmeester en lid van de christelijke partij?” “Jawel.” “Nu”, zei de man na even nadenken, “U gaat nu weg, en vanavond om acht uur bent u terug, u hoort het: acht uur!” “Jazeker”, luidde het antwoord.

Vol gedachten ging Neugebauer terug naar huis. Wat had dit te betekenen? Hij wist het niet. In ieder geval was hij ’s avonds op de aangegeven tijd bij het kantoor van de burgemeester. De Rus was er ook. Hij stond hem in een keurig kostuum en inmiddels nuchter op te wachten. “Komt u maar mee”, zei hij, waarop Neugebauer meegenomen werd naar een prachtige villa in de buurt. Het huis was volop verlicht. Het was een buiten dat in gebruik genomen was door de Russische bevelvoerders. In de grote zaal van het huis was een groot banket aangericht. Er stonden veel keurig gedekte tafels. Het was duidelijk dat er een diner zou worden gehouden. De Rus wees de predikant een plek aan een van de tafels in het midden en zei: “U gaat daar zitten, naast mij.” Ds. Neugebauer nam plaats en nam verbouwereerd deel aan het uitgebreide diner. Het ‘waarom’ begreep hij volstrekt niet, totdat iemand vroeg waar de burgemeester was. De Rus, die duidelijk de meest vooraanstaande van het hele gezelschap was, antwoordde: “Die? Die heb ik naar huis gestuurd. Hij zou hier zitten, maar daar zit nu mijn gast!” Ds. Neugebauer was perplex. De Rus had vanwege zijn achtergrond zoveel sympathie voor de predikant opgevat, dat hij de burgemeester die het hem moeilijk maakte, de laan had uitgestuurd! En hij zat op de plek van deze man – een ereplaats! Vol verwondering liep hij enkele uren later naar huis, waar hij aan zijn vrouw en kinderen (!) zijn verhaal deed. De parallel met Esther en Haman waar hij die morgen onwillekeurig keer op keer aan dacht, lag voor de hand!

De inmiddels zeventig-jarige zoon naast wie ik aan de Elbe liep, was het verhaal niet vergeten. Zijn moedig gedrag in de DDR-tijd zal hij ook geput hebben uit wat zijn vader hém toen vertelde.

H. Klink, Hoornaar