Terug naar Ecclesianet.nl

Zonder kansel geen leven

Dat er in de bibliotheek van de Universiteit Utrecht een archief vol stukken van en over dr. H.F. Kohlbrugge is, is te danken aan een van zijn kleinzoons, dr. J.H.F. Kohlbrugge, die als hoogleraar aan de universiteit van Utrecht verbonden was. In zijn Aantekeningen op diverse portefeuilles aanwezig in het Kohlbrugge- Archief te Utrecht tekende hij aan dat de boekjes met dagboekaantekeningen van “zeer geringe waarde” zijn.

Heeft dat er misschien toe bijgedragen dat niemand zich daar ooit intensief mee heeft beziggehouden? Want in de loop van de 20e eeuw zijn er heel wat studies aan Kohlbrugge gewijd, hoewel meer aan zijn prediking, zijn boodschap, zijn theologische bijzonderheden, dan aan zijn levensloop en contacten.

Verwonderlijk is die vrij negatieve waardering van de Utrechtse hoogleraar wel, want toen de heer H. Boele desondanks die dagboeken eens goed ging bekijken, ontdekte hij een goudmijn. Hij zal er verrast door zijn geweest.

Zijn bevindingen, in de eerste plaats gebaseerd op die dagboeken en aanwezige correspondentie, hebben geleid tot de prachtige studie, die in het vorige nummer van ‘Ecclesia’ door prof. dr. W. Balke is geïntroduceerd.

Tot aan de verschijning van dit prachtig uitgegeven boek, dat als titel draagt Zonder kansel kon hij niet leven was er slechts de biografie van H. Klugkist Hesse, die 80 jaar geleden verscheen en veel vragen open laat. Daarna en daarnaast zijn nog wel verscheidene boeken met een aantal biografische gegevens verschenen, maar steeds beperkt in hetgeen zij bieden.

Het was niet de bedoeling van de heer Boele om een complete biografie van Kohlbrugge op tafel te leggen; hij heeft zich gericht op het beschrijven van de tochten die de prediker van Elberfeld maakte om buiten zijn eigen gemeente het Woord te (be)dienen. De ondertitel van het boek geeft dat duidelijk weer: ‘De weg van H.F. Kohlbrugge langs vele kansels in Nederland.’ Maar ondertussen biedt het boek heel veel gegevens over Kohlbrugge in de periode 1856 tot zijn overlijden in 1875.

Het eerste hoofdstuk is gewijd aan het netwerk dat Kohlbrugge in Nederland had nadat hij zich in 1846 in Elberfeld had gevestigd. Daarin komen de namen van een aantal Nederlandse vrienden van Kohlbrugge naar voren, namen als De Clercq, Van Heumen, Boissevain, Westendorp, Kol die zich moeite getroostten om het hem aangedane onrecht dat hij buiten de Nederlandse Hervormde Kerk was gehouden te niet te doen. Zelfs werd overwogen in Amsterdam een gemeente te stichten waarvan Kohlbrugge de predikant zou worden. Een appèl op de koning werd gedaan. De briefwisseling is in het boek opgenomen. Wat ook werd ondernomen, het was te vergeefs. Het zag er niet naar uit dat Kohlbrugge ooit op een rechtmatige wijze een dienst zou leiden in de Vaderlandse kerk.

Wat echter zijn vrienden niet voor elkaar kregen, daarin slaagde Kohlbrugges schoondochter, mevrouw Kohlbrugge- von Bode in Vianen. Zij wist de oude dominee G. van Duijl, die al ruim 40 jaar predikant in Vianen was, over te halen haar schoonvader uit te nodigen om in een dienst voor te gaan. Zo leidde hij op zondagavond 29 juni 1856 voor het eerst een dienst in de Kerk die hem als lid niet had willen toelaten.

Daarna komen verzoeken uit diverse gemeenten om ook daar het Woord te bedienen. De heer Boele corrigeert hier W.C. Meeuse die in zijn De kerk bij Kohlbrugge een rijtje gemeenten opsomt waar Kohlbrugge later in dat jaar gepreekt zou hebben. Ook R.B. Evenhuis, die in Ook dat was Amsterdam vertelt dat hij in 1856 ook in de Domkerk van Utrecht zou zijn voorgegaan. Dat is niet het geval. De enige plaats in Nederland waar hij dat jaar nog preekte was in de Duitse Gemeente in Den Haag. Deze beschikte niet over een eigen kerkgebouw, maar kwam samen in de grote loge van de Vrijmetselaars. Deze omstandigheid was voor Kohlbrugge geen reden om er weg te blijven. Integendeel, hij preekte daar in 1856 nog een keer, en ook een tweede keer in Vianen.

Het boek is chronologisch opgebouwd. Ieder hoofdstuk heeft in het opschrift een jaartal, zodat wij de gang van Kohlbrugge van jaar tot jaar kunnen volgen. Dat doen wij dan niet alleen naar Nederland, maar ook naar Zwitserland (1860 en 1862) en naar Bohemen en Moravië (1864). Op zijn reizen werd hij de eerste jaren dikwijls vergezeld door zijn dochter Anna (‘Ant’), tot zij in 1861 in het huwelijk trad met dr. Eduard Böhl, later hoogleraar in Wenen.

Opvallend vaak heeft Kohlbrugge in Delft gepreekt. Daar preekte hij niet alleen, maar hij bediende daar ook meermalen de Heilige Doop. Zo doopte hij daar 28 juni 1863 in de Waalse Kerk, na de preek, niet minder dan 28 kinderen, op 31 maart 1867 17 kinderen en op 7 juni 1868 13 kinderen. Eén van hen was toen het 1000e kind waaraan hij ooit de Doop bediende. Aan de ouders ervan reikte hij een zilveren gedenkpenning uit. Deze kinderen (in totaal werden er 118 in Delft gedoopt) werden ingeschreven in het doopboek van de gemeente te Elberfeld. Overigens had hij over de ontwikkelingen in de Delftse ‘filiaalgemeente’ de nodige zorgen, omdat men de separatistische kant uitging. “In Delft ligt alles overhoop”, schreef hij 4 mei 1870 aan zijn kinderen in Wenen.

Niet iedere poging van Kohlbrugges vrienden om de weg naar een bepaalde kansel te openen slaagde. Mevrouw De Clercq deed in 1864 een poging Kohlbrugge op een Rotterdamse kansel te krijgen. Zij richtte zich daartoe in een brief tot ds. Daniel Chantepie de la Saussaye, die sinds twee jaren in de stad aan de Maas stond en in 1872 hoogleraar in Groningen zou worden. Maar deze dominee had nogal wat bedenkingen en met wat vormelijkheden hield hij beleefd de boot af.

Van zijn kant kon Kohlbrugge ook niet aan alle verzoeken voldoen. De wens (in 1869) van de “eerwaardige familie ’t Hooft” uit Hoofddorp die door de plaatselijke predikant, ds. E.J. van Wisselingh, was overgenomen en aan de dominee in Elberfeld overgebracht, kon Kohlbrugge niet honoreren. Zijn verplichtingen in eigen gemeente boden hem geen ruimte. Daarbij begon het reizen hem kennelijk zwaar te vallen, want, schreef hij, hoewel nog “kerngezond”, kon hij “niet eens meer het één uur in een coupé uithouden.”

Hij is daarna dan ook nog maar één keer in een dienst in Nederland voorgegaan. Dat was in 1871, toen hij op uitnodiging van dr. Abr. Kuyper in de Zuiderkerk van Amsterdam de avonddienst leidde. Een eerdere uitnodiging om een dienst in Amsterdam te leiden had hij afgewezen. Maar dat verzoek kwam dan ook niet van de Hervormde Gemeente, maar van de Gereformeerde Gemeente onder het kruis (Westeringkerk).

Het antwoord dat A. van den Oever, die als predikant aan deze gemeente verbonden was, ontving, luidde als volgt: “Mijnheer, Op Uwen aanvrage in de Weteringkerk te komen preken antwoord ik U met allen ernst van mijn beroep dat ik mij alleen en uitsluitend geroepen gevoel om het Woord Gods te prediken in de van ouds bestaande landskerk en dat ik in nevenkerken geen heil zie en ook nimmer gezien heb. HFK.”

Geheel nieuw voor mij, en waarschijnlijk voor veel lezers, was het beroep dat Kohlbrugge naar een ‘buitengewone wijkgemeente’ avant la lettre in Middelburg ontving (1857) en acht jaar later naar Arnemuiden.

In het boek zijn vele brieven opgenomen. Sommige werden aan Kohlbrugge of anderen geschreven, de meeste door hem aan zijn vrienden en in het bijzonder aan zijn vrouw en kinderen. Wat spreekt daaruit een liefde en meeleven! Hij komt hierin dicht bij de lezers te staan.

Het boek bevat enkele bijlagen. Eén daarvan geeft een overzicht van de gemeenten in Nederland (19, in totaal 53 keer), Zwitserland (2) en Oostenrijk (1) waar Kohlbrugge de kansel beklom.

Geen boek verschijnt zonder tekortkomingen. Zou bij voorbeeld op blz. 18 de naam Sluytes niet als Sluyter gelezen moeten worden? Is ‘Mahren’ op blz. 275 soms ‘Mähren”, dat is Moravië? Bernard Gewin, noot 452 op blz. 277 moet Bernardus zijn. Noot 51 op blz. 29 lijkt me in tegenspraak met wat de auteur schrijft op blz. 261 aangaande het beroep dat de gemeente te Zoutelande uitbracht. Daar zal geen agreatie en approbatie van de koning aan te pas gekomen zijn. In Zoutelande werd de te beroepen predikant gekozen door de kerkenraad en de ambachtsheer/-vrouwe samen. Toen A. Ypeij in 1829 zijn studie over het Patronaatsregt publiceerde, bezat de koning van 104 Hervormde gemeenten het collatierecht, maar niet één daarvan lag in Zeeland. Zou de ‘agreatie’ die mevrouw Gobius du Sart- Schorer in haar brief noemt niet bedoeld zijn als het verzoek om ‘handopening’ zoals dat tot ver in de 20e eeuw aan het ministerie werd verzocht wanneer een predikant beroepen zou worden?

Jammer genoeg bevat het boek geen register van namen en plaatsen. Mijn advies is dit in een eventueel volgende druk wel op te nemen.

Wie meer over Kohlbrugge wil weten – en hoe leerzaam en boeiend is dat – kan in het vervolg niet om dit prachtige en heel mooi uitgevoerde (gebonden) boek heen. Het zal hem/haar waarschijnlijk nog meer geven dan hij/zij ervan verwacht.

Uitgever is Den Hertog (Houten), het telt 390 pagina’s en heeft 48 afbeeldingen. De prijs is € 39,50. Het ISBN 978 90 331 26147.

L.J. Geluk, Rotterdam