Terug naar Ecclesianet.nl

“Klassiek Licht” (VII) Handreiking aan de doden

“Klassiek Licht” (VII)
Handreiking aan de doden1

Vóór mij ligt klein boekje van de kerkvader Augustinus, getiteld: Wat kunnen wij voor onze doden doen?2 Een geschrift, dat omstreeks 422 door hem is geschreven, dus toen hij reeds vijf en twintig jaar lang bisschop van Hippo was. De aanleiding tot het schrijven van dit boekje was een brief van zijn Italiaanse ambtgenoot Paulinus van Nola, naar aanleiding van een verzoek, dat deze van een Afrikaanse christin had ontvangen. Deze vrouw, een zekere Flora, had er bij Paulinus op aangedrongen ervoor te zorgen, dat het lichaam van haar zoon Cynegius, die, “in de bloei van zijn jaren”3 in Nola was overleden, in de basilica van de heilige Felix4 bijgezet zou worden. Deze Felix was een zogenaamde confessor, d.w.z. een christen, die in een tijd van zware vervolging ondanks zware bedreigingen zijn overtuiging trouw gebleven was.5

Het verzoek van de vrouw in kwestie was haar ingegeven door de overtuiging, dat gestorvenen erbij gebaat zouden zijn, “dichtbij (de graven van) de heiligen” (d.i. martelaren) begraven te worden, daar deze werden geacht voor Gods rechterstoel als pleitbezorger voor de doden te kunnen optreden.

Augustinus is van mening, dat men, wanneer men er zorg voor draagt, dat een dode wordt begraven bij de gedachteniskapel van een heilige, blijk geeft van “menselijke genegenheid” voor de gestorvene. “Want”, zo zegt hij, “als het van vroomheid getuigt voor hun begrafenis te zorgen, geldt dat ook voor de aandacht die wordt besteed aan de plaats van hun graf. Men zoekt in zulke maatregelen troost voor de levenden; de liefde voor hun doden blijkt eruit”. Hij vraagt zich evenwel af, “hoe de doden erdoor geholpen worden, behalve dat de mensen zich herinneren waar hun geliefden zijn begraven en aan de bewuste heiligen vragen hen onder hun hoede te nemen en bij de Heer door hun voorspraak te steunen. Daartoe zouden ze ook in staat zijn zonder hen op zulke plaatsen te begraven” (blz. 33v.).

Aldus de kerkvader naar aanleiding van de kwestie, hem door zijn Italiaanse collega voorgelegd. Hij laat het hierbij echter niet, maar neemt de gelegenheid te baat om enkele ”dringende vragen” aan de orde te stellen, die z.i. beantwoord dienen te worden, en wel allereerst de vraag, of overleden gemeenteleden gebaat zijn bij de zorg door de nabestaanden aan hen besteed. Hij beantwoordt deze vraag bevestigend, maar bouwt – met een beroep op II Corinthe 5 : 10 – tevens een zekere reserve in: de zorg, die men aan het lichaam van een gestorvene besteedt, kan alleen dàn effectief zijn, wanneer de dode dat “tijdens zijn aardse bestaan heeft verdiend.” “Er zijn natuurlijk ook mensen die er volstrekt niet door geholpen worden: ‘de verrichtingen van sommigen zijn zo kwalijk dat ze niet verdienen met zulke hulp te worden bijgestaan’” (blz. 26).

En als iemands lichaam níet ter aarde is besteld, bij voorbeeld wanneer hij op het slagveld is omgekomen? Voor Augustinus is dit een vraag, die “een grondiger bespreking” verdient (blz. 27), hoewel hij aan deze materie reeds eerder aandacht heeft geschonken, en wel in zijn grote werk De stad Gods, waarin hij ingaat op de “bijtende woorden” van heidenen, die smalend hebben opgemerkt, dat na de inname van Rome door Alarik (410) sommigen van de vele christenen, die waren omgebracht, nooit begraven zijn. Augustinus herhaalt wat hij toen geschreven heeft: “Daarvan schrikt echt geloof niet erg. Het houdt vast aan de aankondiging dat zelfs als mensen door beesten worden opgegeten, dit de opstanding van hun lichaam niet in de weg zal staan. Geen haar op hun hoofd zal verloren gaan.” Heeft de dichter Lucanus (39 – 65 v. Chr.) met recht eens gezegd: “Door de hemel wordt bedekt wie geen grafurn heeft”, voor spottende woorden over onbegraven lijken van christenen is er des te minder reden: “Het herstel van hun vlees en al hun ledematen is beloofd. Niet alleen uit aarde, maar ook uit de diep verborgen schatkamer van de andere elementen, waarin hun ontbonden lichamen zijn opgelost, zal hun lichaam in één enkel ogenblik integraal hersteld worden.” Overleden gelovigen zijn te allen tijde in Gods handen. Zelfs totale vernietiging van hun lichaam brengt geen onherstelbaar nadeel met zich mee (blz. 28vv.). Lezen wij bij de Romeinse dichter Vergilius, dat mensen, die niet begraven zijn, de Styx6 niet mogen oversteken7, een christen wil van zulke “dichterlijke fantasieën” niets weten.

Dit houdt echter niet in, dat men het lichaam van een overledene mag “weggooien”, zonder er zorg aan te besteden, en zeker niet wanneer het “rechtvaardige en gelovige mensen” betreft. Met het lichaam, dat ons mensen “meer vertrouwd is en meer met ons verbonden dan wat voor kleren ook die we dragen, mogen wij niet op een respectloze wijze omgaan. Het “dient immers niet tot sieraad of steun van buitenaf, maar heeft direct te maken met de menselijke natuur”. De Bijbel laat ons zien, dat God “zijn voorzienige zorg uitstrekt over het lichaam van overledenen, met de bedoeling het geloof in de opstanding verder op te bouwen” (blz. 31v.).

De plaats overigens, waar iemand begraven wordt, is voor Augustinus van secundair belang. Dat verwondert ons niet, wanneer wij ons te binnen brengen wat hij in zijn Belijdenissen over zijn moeder vertelt. Was het jarenlang haar wens geweest om in Thagaste, bij haar overleden echtgenoot, begraven te worden, uiteindelijk heeft zij haar laatste rustplaats gevonden in het Italiaanse Ostia, waar zij toen bij haar zoon in huis was. Zij had van haar wens afgezien: “Voor God is niets ver weg, en ik hoef niet bang te zijn dat Hij op het eind van de wereld de plek niet vindt, waar Hij mij ten leven moet wekken.”8

In de tweede helft van zijn boekje (de hoofdstukken 12 t/m 23) brengt Augustinus een onderwerp ter sprake, dat met het voorgaande verband houdt: het thema droomgezicht. Soms, zo zegt hij, horen wij van mensen, aan wie in de droom – of anderszins – een overledene zou zijn verschenen, die aanwijzingen heeft gegeven omtrent de plaats, waar zijn lichaam onbegraven is blijven liggen, – aanwijzingen, die gepaard gaan met het verzoek om alsnog voor een begrafenis zorg te dragen. Augustinus acht dergelijke verschijningen illusoir. In dromen, zo stelt hij, ziet men geen overledenen, maar slechts gedaanten, die op hen líjken. Het is niet de gestorvene zèlf, die men ontmoet.

Om zijn zienswijze te staven vermeldt de kerkvader nu enkele voorvallen, die hij zelf heeft meegemaakt of waarover anderen hem hebben geïnformeerd. Daarnaast wijst hij echter nog op een ander gezichtspunt. Het is ondenkbaar, zegt hij, dat de doden op de hoogte zouden zijn van wat wij, levenden, hier op aarde meemaken. Zijn wij niet gewoon te zeggen: “Wie zijn heengegaan, vóórdat de kwade dagen kwamen, die op hun heengaan zijn gevolgd, zijn beter af?”9 Welnu, dat gaat niet op, wanneer de doden van onze zorgen en problemen zouden afweten. Stel je voor, dat wij hen in onze dromen hiervan deelgenoot konden maken, “ik zelf”, zegt Augustinus, “[zou] door mijn vrome moeder geen nacht in de steek gelaten [worden]” (blz. 54).

Tot zover Augustinus’ boekje over onze verplichtingen jegens hen, die ons zijn voorgegaan. Het beeld, dat wij in dit boekje van de kerkvader krijgen, verschilt hier en daar onmiskenbaar van dat, wat wij als Protestanten van hem hebben. En toch: niet alleen voor Rooms-Katholieken, ook voor ons, gelovigen van reformatorischen huize, is Augustinus de kerkvader bij uitnemendheid. In beide kampen beroept men zich op hem. En dat laat zich verstaan. Het denken van Augustinus heeft om zo te zeggen zowel rooms-katholieke als gereformeerd-katholieke trekken.

In het boekje “Wat kunnen wij voor onze doden doen?” stuiten wij op gedachten, die, in de Vroege Kerk gemeengoed, zich, voor een deel althans, niet laten inpassen in de wijze, waarop de Reformatie ons de Schrift heeft leren verstaan. Zo staat het voor Augustinus vast, dat martelaren, dankzij een speciale ingreep van Godswege, ons in voorkomende gevallen van dienst kunnen zijn. De vraag evenwel, hoe zij dit doen, “gaat”, aldus de kerkvader, “de kracht van mijn verstand te boven” (blz. 62). Hij oppert verschillende mogelijkheden, maar durft geen keuze te doen. Dat laat hij over aan mensen, die meer “ter zake kundig” zijn. Een opmerking, die van grote bescheidenheid getuigt.

Aan het einde van zijn betoog terugkomend op de aanleiding tot het schrijven van zijn boekje, zegt Augustinus: “Alles wat besteed wordt aan het begraven van een lichaam, is geen ondersteuning van het heil, 10maar een menselijke plicht…” (blz. 68). En in dezelfde lijn ligt de zin, waarmee hij het geschrift besluit: “Begraven worden bij de gedachteniskapellen van martelaren lijkt me slechts in die zin de overledene te baten dat de genegenheid waarmee men hem in het gebed aan de bescherming van de martelaren aanbeveelt erdoor wordt vergroot” (idem).

Mij dunkt, dat Paulinus van Nola met de uitvoerige reactie op zijn brief heel tevreden geweest moet zijn.

J.G. Barnhoorn, Nunspeet

Noten
1 Aurelius Augustinus, Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Jan den Boeft en Hans van Reisen. Derde gewijzigde druk (2010). Uitg. Damon (Budel). ISBN 978 94 6036 071 8.). Prijs: € 14,90.
2 De Nederlandse titel verschilt vrij sterk van het Latijnse origineel: De cura pro mortuis gerenda, hetgeen letterlijk vertaald betekent: “Over de zorg, die voor (ten dienste van) de doden besteed moet worden.”
3 Aldus zijn grafschrift, waarvan de tekst grotendeels bewaard gebleven is.
4 Deze Felix, een priester, die naar alle waarschijnlijkheid in de derde eeuw leefde, is alleen bekend uit de gedichten, die Paulinus aan hem heeft gewijd.
5 Het is opvallend, dat Felix in hoofdstuk 7 als een martyr (martelaar) wordt aangeduid, – een woord, dat uitsluitend wordt gebruikt voor een gelovige, die vanwege zijn geloof ter dood gebracht is.
6 De rivier, die men moet overvaren om de onderwereld, de verblijfplaats van de doden, te bereiken.
7 Vergilius, Aeneis, Boek VI, 327v.: “Want niemand mag die boze stroom met zijn gevreesde oevers bevaren vóór zijn beenderen ter ruste zijn gelegd” (vertaling M. d’Hane-Scheltema).
8 A.w., Boek IX, hoofdstuk 28 (Vertaling G. Wijdeveld).
9 De herkomst van dit woord blijft in het duister.
10 Cursivering JGB.