Terug naar Ecclesianet.nl

Klassiek Licht (VII) “Wat is de hemel?” (Dr. K. Schilder)

Na in onze bespreking van de serie Klassiek Licht de vorige maal Noordmans’ Herschepping aan de orde gesteld te hebben vragen wij ditmaal aandacht voor het boek Wat is de hemel? (1935) van Dr. K. Schilder (1890 - 1952), de man, wiens naam onverbrekelijk is verbonden aan het ontstaan van de Vrijgemaakte Gereformeerde Kerken.

Schilder heeft een groot aantal publicaties op zijn naam staan, waarvan er vele sterk polemisch gekleurd zijn. Zijn leven lang heeft hij, strijdvaardig als hij was, de pen gehanteerd om collega-scribenten te bestrijden. “Wie niet polemiseert, is niet bekeerd”, zo moet hij eens gezegd hebben. Welnu, wat het betekent in deze zin bekeerd te zijn, heeft hij de jaren door duidelijk laten zien.

Het boek, dat wij bij deze bij u willen inleiden, geldt als zijn belangrijkste werk. Wijlen Dr. J. Kamphuis - de vader van de man, die bij deze nieuwe editie een inleiding geschreven heeft - zegt ergens: “Wie zich toegang tot dit werk heeft verschaft, heeft een introductie in heel Schilders theologie.”1

De titel van het boek wekt de verwachting, dat de schrijver beoogt een antwoord te geven op de vraag: ‘Hoe moet ik mij de hemel(se heerlijkheid) voorstellen?’, - een vraag, die bij elk bewust levend christenmens wel eens is opgekomen. Dit is echter niet zijn bedoeling. In een bestek van zo’n 350 bladzijden wordt ons door de schrijver een eigen visie op de geschiedenis geboden. Een visie, die dankzij de “hertaling” 2 van het boek - het werk van Marja Zwikstra - veel aan toegankelijkheid heeft gewonnen, doordat het - niet zelden bombastische - taalgebruik van de schrijver3 sterk vereenvoudigd is. En dat is beslist geen sinecure, daar een en ander vrij veel van de lezer vergt.4

Het is overigens opvallend, dat Schilder met zijn Wat is de hemel? “een populair boek” heeft willen schrijven. Als lezers had hij geen theologen, maar gemeenteleden op het oog: “Juist omdat dit boek niet wetenschappelijk wil zijn in de manier van behandelen, maar eenvoudig wil vragen naar het onderwijs van de Schrift, om dat in eenvoud te lezen en samen te vatten5, hebben wij afgezien van elke poging tot een methodisch-strenge ordening van de stof.” Deze opzet – door de schrijver gekozen, omdat “de Schrift ook niet volgens een streng-wetenschappelijke methode spreekt” (114) – zegt heel wat over het ontwikkelingspeil van veel Gereformeerden in zijn dagen. Er waren toentertijd kennelijk nog heel wat kerkgangers, wie men met een gerust hart een fikse portie “vaste spijs” kon voorzetten! Kom daar vandaag de dag eens mee!

Schilder zag het nadenken over de hemel als “een stuk van de gehoorzaamheid die God van ons vraagt.” “Ook hierbij”, zegt hij, “is denken léven, en het góede denken gehóórzaam leven.” Het thema “hemel” was voor hem veel meer dan een van de vele items uit de dogmatiek: “met het vraagstuk van de hemel hangen alle andere vraagstukken samen die in de gereformeerde belijdenis aan de orde komen of moeten komen. Alle draden van leven en van openbaring lopen tenslotte uit op de hemel” (110). Dit impliceert, dat “niemand zich van de hemel [kan] losmaken, zelfs niet in gedachten, zonder zich tegelijk van God los te maken.” En dat niet alleen: “Hij die zich niet met hart en ziel uitstrekt naar de hemel, heeft zich niet alleen van God vervreemd, maar feitelijk in de grond van zijn bestaan ook van de zuivere mensengemeenschap. Immers, daar bloeit wat men het echt menselijke kan noemen, in ongerepte schoonheid” (111). Ja, wanneer naar het woord van Paulus de dag, waarop Gods kinderen openbaar worden, het schepsel vrijmaakt van zonde en van onvoldragenheid (Romeinen 8 : 22), “dan is het ontbreken van hemelse gezindheid een schending van het geschapen leven. Dan zondigt men niet maar tegen God, maar ook tegen de mens en ook tegen de kosmos” (112).

In zijn boek polemiseert Schilder op twee fronten. Enerzijds keert hij zich tegen de Duitse filosoof Georg Wilhelm Hegel (1770 - 1831), anderzijds tegen de Deense denker Sören Kierkegaard (1813 - 1855) en impliciet ook tegen Karl Barth.6 In het denken van Hegel ziet hij de grens tussen God en de geschiedenis volkomen uitgewist. “God heeft de schepping “nodig”... Tussen God en de geschiedenis is de verhouding niet antithetisch, maar synthetisch. Zij horen bij elkaar; God kan evenmin zonder haar, als zij zonder Hem. In Hegels denken is God allerminst een breuk met de geschiedenis ... Het Bijbelse drama van een zondeval is hier totaal onbekend” (44). Bij Kierkegaard c.s. constateert Schilder een tegenstelling tussen God en de geschiedenis, waardoor een werkelijk ingaan van God in de geschiedenis onmogelijk wordt: “God kan nooit onze geschiedenis binnengaan. Hij kan nooit in het verlengde komen van ons historisch levensvlak. Hij noch zijn Woord, en ook zijn ‘heilsgeschiedenis’ niet” (47).

Schilder wil zowel Gods transcendentie als zijn immanentie recht doen. Wie ‘geschiedenis’ zegt, zegt ‘schepping’. God gaat zijn schepping te boven. Hij ìs en blíjft God. De hemel - hoewel door Hem geschapen en dus een historisch verschijnsel - is zijn woonplaats. Hij is daar immanent. Maar Hij is óók betrokken bij de geschiedenis. Hij blijft de aarde, zijn schepping (!) trouw. In de geschiedenis openbaart Hij zijn immanentie.7

In zijn artikel ‘Schilder, de man op de kansel’, merkt F. H. von Meyenfeldt op: “Het is kenmerkend voor Schilders prediking, dat hij, als hij over de hemel schrijft, ... niet boven de sterren gaat zweven, maar ‘de aarde trouw’ blijft en de hemel doet participeren in de aardse geschiedenis. Hemel en aarde hebben alles te maken met wat hier op aarde gebeurt voor zijn visie. ‘Neem de wereld, geef mij Jezus’ zou hij zeker niet uitkiezen als zijn lijfspreuk, evenmin als ‘Alles laat ik varen, waar Hij mij behoort’. Daarvoor was de aarde hem te heilig als Gods rijksdomein.”8 Een uitspraak, waarmee Schilders zienswijze heel goed is weergegeven.

Schilder nam in de gereformeerde wereld van zijn dagen een heel speciale plaats in. Hij wilde voluit gereformeerd zijn, maar, volstrekt niet eens geestes met hen, die Kuyper kritiekloos plachten te volgen, liet hij een geheel eigen geluid horen.9 Dit komt vooral tot uiting in zijn visie op de geschiedenis, die een correctie inhield op het in zijn kringen vertrouwde gedachtegoed, dat werd gekenmerkt door een sterk accent op de eeuwigheid, waaronder de dynamiek van de geschiedenis sterk te lijden had. Terecht stelt Kamphuis, dat Schilder met zijn zienswijze zijn tijd ver vooruit was. Pas in de jaren zeventig, geruime tijd na zijn overlijden, zouden theologen als Jürgen Moltmann en Wolfhart Pannenberg voor nieuwe concepten zorgen, waarin de geschiedenis weer recht gedaan werd.

Dr. J. Barnhoorn, Nunspeet

Noten
1 J. Kamphuis, “Schilders Wat is de hemel?”, in: J. de Bruijn en G. Harinck (red.), Geen Duimbreed! Facetten van leven en werk van Prof.Dr. K. Schilder (1890-1952)”, blz. 50.
2 K. Schilder, Wat is de hemel? (2009), ingeleid door Dr. B. Kamphuis. Aantal bladzijden: 378. Prijs: € 15,90.
3 Vgl. S. Griffioen, die in “veel van het latere werk” van Schilder een “een barokke veelheid van vreemde woorden” signaleert ( “De cultuurfilosofie in De openbaring van Johannes en het sociale leven”, in: J. de Bruijn en Gr. Harinck (red.), a.w., blz. 39).
4 Nu en dan echter is Mevrouw Zwikstra (doordat zij de tekst niet begreep) haar doel duidelijk voorbijgeschoten. In die gevallen is het aan te bevelen de eerste uitgave van het boek te raadplegen.
5 Een van de grote verdiensten van Schilder is het feit, dat hij in zijn boek herhaaldelijk naar Bijbelplaatsen verwijst. In zijn exegese van een en ander sluit hij zich opvallend vaak aan bij de opvatting van Dr. S. Greydanus, de enige van zijn plaatselijke collega’s, die hem later bij de Vrijmaking zou volgen.
6 Opmerkelijk in dit verband is de vraag, die G. Puchinger zich in de inleiding van zijn boekje Een theologie in discussie (Kampen, 1970) opwerpt: “of niet juist Schilders continue bestrijding van Kierkegaard en Karl Barth een aanwijzing zou kunnen zijn van banden met een theologie die hij scherp afwees, maar met welker probleemstellingen, mentaliteit en levenstemperament hij desondanks onlosmakelijk verbonden blijft” (a.w., blz. 10v.).
7 Het is opmerkelijk, dat Schilder, wanneer hij de onscheidbaarheid van Gods transcendentie en zijn immanentie benadrukt, niet verwijst naar Jesaja 57 : 15, waar dit gegeven zo duidelijk - m.i. duidelijker dan wáár ook in de Schrift - wordt verwoord.
8 Geen Duimbreed, blz. 172.
9 Puchinger zegt: “Schilder hoort thuis in de gereformeerde traditie, maar hij heeft deze tevens mee omgebogen naar een proces waarvan de uitkomst vandaag nog niet te zien is. Daarin ligt zijn historische betekenis en vormende kracht ook voor vandaag. Daarom ook dient hij voor altijd geplaatst te worden onder hen die de gereformeerde traditie liefhebben èn mag men hem nooit los zien van allen die die traditie op enigerlei wijze kritisch hebben willen volgen, uitbouwen, corrigeren en, zoals H. Bavinck steeds meer beoogde, in relatie hebben willen brengen met andere takken van bewust christendom” (A.w., blz. 11).