Terug naar Ecclesianet.nl

De laatste woorden van Willem van Oranje

Op 10 juli 1584 werd Willem van Oranje in Delft vermoord. Aan de toedracht ervan, en speciaal aan zijn laatste woorden, is onlangs breed aandacht besteed, dit naar aanleiding van een rapport van medische specialisten van het Forensisch Medisch Expertisecentrum. Een reconstructie van de moord zou uitgewezen hebben dat de prins onmogelijk tijdens de laatste seconden voor zijn overlijden de legendarische woorden “Mon Dieu, ayez pitié de moi et de mon pauvre peuple” (Mijn God, heb medelijden met mij en met mijn arme volk) uitgesproken kan hebben. De prins moet op slag gestorven zijn.

Inmiddels heeft het onderzoek het nodige losgemaakt. Medische specialisten twijfelen openlijk aan de ‘hardheid’ van de conclusies van het rapport. En dat is begrijpelijk, omdat de vraag gerechtvaardigd is of een feilloze (!) reconstructie na ruim 400 jaar nog mogelijk is. Kan men dan nog tot op de millimeter nauwkeurig een moordaanslag reconstrueren en precies nagaan waar de kogel de prins geraakt heeft en hoeveel seconden hij daarna nog geleefd heeft? Het komt me heel onwaarschijnlijk voor en het lijkt me dat het van een wetenschappelijke houding getuigd zou hebben als enige twijfel in het rapport verwoord was. Het zal daarom met dit rapport wel gaan als met het onderzoek naar de lijkwade van Turijn. Meer dan eens gaf een wetenschappelijke studie uitsluitsel over de oorsprong ervan. Men was ‘er uit’. Iedereen weet dat na verloop van tijd die conclusies weer in twijfel werden getrokken en men tot op de dag van vandaag voor een raadsel staat.

Vanzelfsprekend is er ook door historici aandacht gegeven aan de vraag of Willem van Oranje deze woorden gesproken heeft. Een van de grondigste studies hierover is van de 19e eeuwse historicus Robert Fruin (1823 -1899). Hij laat zien dat heel kort na de moord de laatste woorden van de prins al bekend waren. Het geval wilde dat juist op die dag de Staten- Generaal bij elkaar kwamen – ook in Delft! In een resolutie van die vergadering werd enkele uren na de moord melding gemaakt van de dood van de prins en van zijn laatste woorden. Op internet is de resolutie terug te vinden in fascimile1. In de resolutie valt te lezen dat de prins zei: ,,Mon Dieu, ayez pitié de mon âme. Mon Dieu, ayez pitié de ce pauvre peuple.’’ Het tweede ‘Mon Dieu’ is als correctie boven de regel toegevoegd.

Is het mogelijk dat de Staten deze woorden zelf hebben verzonnen? De Leidse historicus Anton van der Lem schrijft dat dit moet worden uitgesloten: “Er was zoveel kritiek op Oranje in die jaren, dat zijn tegenstanders de zaken beslist niet mooier zouden willen voorstellen dan zij in werkelijkheid waren.’’

Bij de moord waren verschillende getuigen aanwezig. In theorie zouden zij Willems laatste woorden verzonnen kunnen hebben, met onderling de afspraak dat dit nooit zou mogen uitkomen. Van der Lem: “Gelet op het feit dat er in Holland nooit iets geheim te houden viel, zou het hoogst verwonderlijk zijn dat in dat geval geen tegenstemmen of ontkenningen overgeleverd zijn.’’

Wat Fruin in zijn studie laat zien is dat diverse getuigen in de dagen na de moord verklaringen naar buiten brachten, die sterk op elkaar lijken. Wel zijn er kleine variaties in wat de prins nu precies gezegd zou hebben. Het is onzeker of hij in het Frans, het Nederlands of het Duits sprak en of hij één of twee keer “mijn God’’ heeft gezegd. Ook is het niet duidelijk of hij zei “Mijn God, heb medelijden met het arme volk, met mijn arme volk, met dit arme volk of met uw arme volk?”

Maar er is meer dat voor de historiciteit van de gesproken woorden pleit. Iemand als K.W. Swart schrijft in zijn in 1994 verschenen biografie over de tweede helft van het leven van de prins (vanaf 1572): “Het is wel verondersteld dat Oranje’s vertrouwelingen hem deze woorden hebben toegedicht om zijn levenseinde in een godsdienstig daglicht te plaatsen. Het is echter geenszins onaannemelijk dat de prins in deze zin heeft gesproken. Want ook in andere tijden dat het er voor hem en de zaak waarvoor hij zich had ingezet, zeer slecht voorstond – bijvoorbeeld in 1569 en in het voorjaar van 1576 – liet hij zich op een overeenkomstige stichtelijke wijze uit.”

“Niet alleen in 1569 en in 1576”, zegt Swart terecht. Dat was ook het geval in 1565 toen Philips II zijn beruchte brieven uit Segovië (Spanje) schreef, waarin hij tegen de wens van de Raad van State in, te kennen gaf dat de geloofsvervolging van de protestanten moest worden aangescherpt. Oranje begreep wat de gevolgen daarvan zouden zijn: Nous allons voir une belle tragédie, hield hij de Raad van State voor: “Wij gaan een ware tragedie tegemoet.” In een vertrouwelijke brief schrijft hij wat er door hem heenging toen de inhoud van de brieven bekend werd: “welges ich wahrlich im hertzen hab gefühlt, dan bei mir niet finden kan das christlich noch tunlich ist…”2

En wat te denken van de terugblik in zijn Apologie van 1581 waarin hij schrijft over het gesprek met de koning van Frankrijk in 1559 in het bos van Vincennes? Hij kreeg daar te horen dat Filips II de inquisitie wilde invoeren! Oranje vertelt dat hij met medelijden bevangen werd over zovelen die het zouden moeten ontgelden: “Ik wil gaarne toegeven dat ik toen een grote mate van medelijden voelde met zoveel mensen van eer die aan de dood overgeleverd waren; tevens voelde ik mee met dit land, waarmee ik zozeer verbonden ben en waar men dacht een zekere vorm van inquisitie in te voeren die wreder zou zijn dan de Spaanse.” Het gesprek met de koning van Frankrijk was de directe aanleiding tot het verzet van Oranje tegen de religiepolitiek van Filips II. In het relaas erover legde hij er de vinger bij dat dit verzet dat leidde tot de Tachtigjarige Oorlog ingegeven was door ‘medelijden’. Dit ‘medelijden’ vormde de teneur van Oranje’s hele optreden: ook in het onuitgegeven geschrift Printzische Entschuldiging van 1568 rechtvaardigde hij zijn gewapend verzet tegen Alva en Filips II ondermeer met een beroep op ‘christelijk medelijden’.

De laatste woorden van de prins zijn dus volledig in overeenstemming met de grondstemming van zijn leven. Als we daarbij in aanmerking nemen hoe snel de berichtgeving over deze woorden in omloop was, dan maken deze gegevens de historiciteit ervan wel heel aannemelijk.

H. Klink, Hoornaar

Noten
1 http://www.geschiedenisvanzuidholland.nl/geschiedenis/ verhalen/archiefstuk/201/laatste-woorden-willem-van-oranje- 1584
2 “hetgeen ik werkelijk in mijn hart gevoeld heb, want ik kan niet anders bedenken dan dat dit niet uitvoerbaar en ook niet christelijk is.” Groen van Prinster, Archives, deel 1, blz. 289