Terug naar Ecclesianet.nl

Om de ziel van het kind

Het Wartburg College, een reformatorische scholengemeenschap in Rotterdam, organiseerde onlangs voor zijn leerlingen een discussiebijeenkomst over ‘de vrijheid van geloof in een seculiere samenleving’. Die vrijheid vond tijdens dit debat een geharnast verdediger in de persoon van Eddy Bilder, CDA’er, oud-lid van de Tweede Kamer, tegenwoordig burgemeester van Zwartewaterland. Maar diezelfde vrijheid (de klassieke vrijheden van geloof, vereniging en onderwijs) werd scherp aangevallen door een liberaal, de VVD’er Patrick van Schie, directeur van het wetenschappelijk bureau voor deze partij.

Dat is niet zo heel erg vreemd. Binnen de VVD is er een vleugel die het liefst een seculiere eenheid aan de Nederlandse samenleving zou opleggen, en die om die reden o.a. een tegenstander van christelijk onderwijs is. Opvallend en verontrustend is de argumentatie die Van Schie gebruikte. Hij betoogde dat wat hem en de zijnen betreft het recht van ouders om een eigen school te stichten niet zo belangrijk is. Dat is vreemd want dat recht is vastgelegd in onze Grondwet (art. 23), alhoewel de tekst van de Grondwet natuurlijk niet boven alle kritiek en verbetering verheven is en iemand het natuurlijk oneens kan zijn met een bepaalde passage uit die Grondwet. Wat voor Van Schie veel zwaarder weegt, is de vrijheid van het kind om in een niet-ideologische omgeving op te groeien. Daarmee bedoelt hij dat ouders (inclusief school en kerk) een kind bij de opvoeding geen bepaalde levensbeschouwing mogen opdringen. Zij moeten hun kind in alles vrij laten en het op een bepaalde leeftijd zelf laten kiezen. Christelijke scholen zijn daarom uit den boze want daar krijgen kinderen een expliciet christelijke opvoeding en krijgen zij dus een duidelijke levensbeschouwing ‘opgedrongen’.

Een dergelijke opvatting lijkt mij een teken aan de wand. Voorspellingen zijn altijd moeilijk, vooral vooraf. De politieke discussie zal de komende jaren ongetwijfeld vooral in het teken van de economische crisis staan. Maar daarnaast is er een thema waarvan ik denk dat het in de komende tijd een belangrijke rol gaat spelen in de maatschappelijke en politieke discussies in Nederland. En dat is het kind.

Een eerste teken was de prille discussie, vorig jaar voorjaar en zomer, over de rituele slacht en de besnijdenis. Eerst verscheen er een wat wild opiniestuk in de Volkskrant, geschreven door een voormalig fractiemedewerker van de VVD. De teneur van dat artikel was dat we nu eindelijk het barbaarse ritueel van de onverdoofde slacht hadden afgeschaft (dachten we toen nog) en dat we dan nu maar gelijk moesten doorpakken en de barbarij van de jongensbesnijdenis moesten verbieden.

Opmerkelijk genoeg kreeg dat stuk een vervolg in een opinieartikel van het artsengenootschap KNMG in Trouw, waarin eveneens de afschaffing van de jongensbesnijdenis werd bepleit. Het opmerkelijkst was de argumentatie. Het verbod moet er niet alleen komen omdat besnijdenis een fysieke verminking is, maar ook omdat die in strijd is met de rechten van het kind (zoals vastgelegd in het kinderrechtenverdrag van de Verenigde Naties). Wie heeft het recht, welke vader of moeder, welke kerk heeft het recht om een kind vanaf de geboorte een identiteit op te leggen die dat kind levenslang met zich meedraagt en waarvoor het zelf niet heeft gekozen? (Uit een artikel in de Jerusalem Post van begin dit jaar wordt duidelijk dat leden van de Knesseth zich zorgen maken over de dreigende verboden op de rituele slacht en de besnijdenis in Europa).

De kwestie wat volwassenen met kinderen kunnen doen en ze kunnen aandoen, heeft natuurlijk een gruwelijke urgentie gekregen door de weerzinwekkende ontucht in sommige delen van de Rooms-Katholieke Kerk. Hoe kwetsbaar zijn kinderen! Waar zijn zij eigenlijk nog veilig?

In een vraaggesprek met Antoine Bodar, eind vorig jaar uitgezonden, vertelde tv-presentator Paul Witteman waarom hij afscheid van zijn roomse jeugd heeft genomen. Op een gegeven moment maakte Witteman zich boos over dingen die in de naam van God in de dagelijkse praktijk gebeuren. Bodar dacht toen dat hij het over het seksueel misbruik had. Maar nee, zei Witteman, ‘ik bedoel dat kinderen vanaf hun zesde jaar worden volgestampt met ideeën, met de catechismus. We weten allemaal hoe dat later doorwerkt. Juist op die jonge leeftijd word je volgestampt met ideeën over God. Met plaatjes van een mooie man met lange haren of een heel lieve Maria die als moeder is afgebeeld. In mijn ogen krijg je dan een heel verwrongen beeld van hoe het leven, hoe de onderlinge menselijke verhoudingen in elkaar zitten. Daar heb ik later last van gehad. Ik vind dat je moet oppassen met kinderen, ze moeten zich in vrijheid kunnen ontwikkelen.’

Vergis ik mij als ik vermoed dat deze manier van denken, denken vanuit het recht van het kind op de keuze voor een eigen identiteit de komende jaren steeds meer zal worden ingebracht tegen de vrijheid van de religieuze opvoeding? Komt er een conflict om de ziel van het kind?

In een liberale opvoeding kies je zelf en kies je voor jezelf. Je hoeft nergens dankbaar voor te zijn en je nergens voor te schamen. In een christelijke opvoeding gaat het om de ziel van het kind dat tot het kwade geneigd is en dus moet leren dat er wel heel veel is om dankbaar voor te zijn en ook heel veel om je voor te schamen. De opvoeding is er om de ziel in te wijden in de liefde tot God, karakter en geweten te vormen, gematigdheid, wijsheid, zelfbeheersing bij te brengen.

In de christelijke traditie is hier prachtig over geschreven, door fijnzinnige geesten als F. W. Foerster en W. Aalders bijvoorbeeld. Maar hoe overtuigend is dat verhaal in een situatie waarin liberalen zich sterk maken voor de rechten van het kind tegenover een kerk die in sommige gevalllen kinderzielen heeft verwoest?

B.J. Spruyt, Gouda