Terug naar Ecclesianet.nl

Heimwee naar het klooster

Het klinkt haast rooms, maar soms zou je in deze hectische tijd naar een klooster verlangen. Die wens kwam naar boven na de politieke hectiek van de laatste tijd en de veelheid van debatten. Kunnen we nog rustig luisteren en bedachtzaam onze mening vormen?

Ik las onlangs in het dagboek van Kohlbrugge, De gouden scepter toegereikt. Het was op 15 september, in de week van de verkiezingen. Hij schreef dat hem de hele wereld menigmaal voorkwam als “een gekkenhuis, waarin de een na de ander droomt, dat hij iets heel bijzonders is boven alle anderen, terwijl hij toch maar in boeien en ketenen geklonken, in de gevangenis zit en zelfs niet meer in het bezit is van de vrijheid, die het redeloze vee geniet. En dus schijnen de mensen mij vaak niet goed wijs met al hun drukte en bijna als door waanzin bevangen in al hun jacht achter het zichtbare en vergankelijke aan, waarbij zij die grote God uit de hemel maar laten vertellen, wat Hij wil, zonder zich daarvan iets aan te trekken.

Wonderlijke actualiteit. Een klooster was vanouds een ideale plek om rust en bezinning op te doen. Augustinus trok er zich in terug in zijn gemeenschap, al ging dat niet ten koste van inzet voor de kerk en de wereld. Integendeel, het verblijf was een krachtbron om des te beter in die ‘buitenwereld’ te functioneren.

Onlangs verbleef ik enkele dagen op de campus van de Evangelische Theologische Faculteit te Leuven, ja, in een voormalig (Jezuïeten)klooster. Het programma was te druk om mij met studie en meditatie bezig te houden, maar ik tikte er een boek op de kop van de befaamde Romano Guardini, een diepzinnig rooms-katholiek cultuurtheoloog, die prachtige werken schreef over Augustinus, Pascal, Dostojewski en Hölderlin.

In zijn boek Brieven over levensvorming (1951) richt hij zich tot de ontluikende Jeugdbeweging. Hij doet daarin een pleidooi voor de waarden van de ziel, de innerlijkheid, de rust, tegenover het eindeloze jacht naar het vooruit. Kunnen rusten betekent: open staan naar de kant van de eeuwigheid, het blijvende, wezenlijke.

Bij rusten hoort het zwijgen, aldus Guardini. “Zwijgen bestaat niet meer, wel kletsen zonder einde.” Er bestaat geen eenzaamheid meer. “Allen lopen naar elkaar, in bijeenkomsten, gezelschappen, congressen, verenigingen, organisaties.” Omdat niemand alleen kan zijn, is er ook geen gemeenschap. “Wel kudde, wel organisatie, maar geen gemeenschap.” Zijn onthutsende conclusie: “Daarom ook is God zo ver van ons. Want God is een verborgen God, die in de stilte woont.”

De huidige generatie leeft in digitale netwerken, getwitter (de Duitse filosoof Heidegger sprak al over de ontaarding van het spreken (Rede) in gebabbel, geklets (das Gerede) van het ‘men’(man), en is actief op Facebook. Een virtuele wereld waarin men nauwelijks toekomt aan het lezen van boeken. Waar is het intensief omgaan met de bronnen van de christelijke traditie? Is het geen wonder dat we geestelijk opdrogen?

De Rooms-Katholieke Kerk heeft een traditie van kloosters gehad, die we als kerken van de Reformatie niet zo maar tot onze schade kunnen verwaarlozen. Goed, we weten dat de Reformatie het aardse leven heeft bevrijd van de kerkelijke clusters, het maatschappelijk leven heeft ontdekt (contra de geestelijkheid) en het klooster heeft afgeschaft. Maar in deze kloostertraditie is iets van een heilige rust en onbezorgdheid, meditatieve gerichtheid, bevrijdende zelfreflectie.

Drukte is de vloek van deze tijd. Iemand reageerde eens op de vraag of hij druk was, bewust met: nee, helemaal niet druk. De verwarring bij de ander was compleet. Laten we ons eens minder druk en drukdoenerig aanstellen, waar Kohlbrugge al op wees. We zijn zo gewichtig met onze namen en posities, omdat we onszelf willen promoten. De sociale media zijn juist hierop gericht.

Leve dus het klooster. Het wordt tijd dat we retraite houden. Niet om ons terug te trekken uit de wereld, maar om ons geestelijk op te laden en daarna beter in de wereld te kunnen functioneren. En dingen zeggen die er werkelijk toe doen. Dan zal ook de wereld beter naar ons kunnen luisteren.

K. van der Zwaag, Barneveld

Bovenstaand artikel verscheen eerder in het oktobernummer van Protestrants Nederland