Terug naar Ecclesianet.nl

Openbaringen 1, het jaar 2012 en de huidige bijbelwetenschap

Johannes, Patmos, Efeze

Onlangs kwam mij een reisfolder onder ogen waarin veel te lezen viel over het eiland Patmos. Het ligt in de Egeische Zee, niet ver van het huidige Turkije. Op een van de foto’s was het belangrijkste deel van het eiland vanuit een bepaalde gezichtshoek te zien: hoog boven veel wit gekalkte huizen, die samen een dorpje vormen, toornt een grote burcht van grijze bakstenen. De burcht is een klooster, dat in de Middeleeuwen gebouwd werd. De witte huizen zorgen ervoor dat het eiland uit de verte te zien is. Het zonlicht dat erdoor weerkaatst wordt tegen de vaak hemelsblauwe lucht en boven de diepblauwe zee, geeft het eiland zijn charme.

Die charme bezat het zeker niet in de tijd dat de apostel Johannes er verbleef. Keizer Domitianus (81 - 96 na Chr.) had hem erheen verbannen. Domitianus was een van de eerste keizers die zich uitdrukkelijk afficheerde als een god. Daardoor kwam hij in conflict met de christelijke gemeente. Een van de belangrijkste vertegenwoordigers van die gemeente was de apostel Johannes, die inmiddels 90 jaar oud was. Het moet heel wat geweest zijn voor hem om op dit eiland – een soort Robbeneiland bij Zuid-Afrika – te verblijven. Het was een onherbergzaam oord, met nauwelijks inwoners, onvruchtbaar, kaal, naar. Veel moet er door de oude man heengegaan zijn, wanneer hij over de zee in noordoostelijke richting staarde, waar Efeze lag.

Efeze was een brandpunt geworden van het christelijke geloof. Johannes had er jaren de kerk van Christus gediend. Van de apostelen was alleen hij over gebleven. Het was al dertig jaar geleden dat Paulus en Petrus (samen met hem de pilaren van de kerk) gestorven waren. Nu moest die kerk het ook zonder hem stellen. Hoe lang zou hij, mocht hij ooit terugkeren, nog te leven hebben? Zou de kerk van Christus het volhouden, als ze straks zonder hem door de tijd moest – een tijd die vooralsnog gekenmerkt zou zijn door vervolgingen! Het is duidelijk dat het schip van de kerk door zware stormen heen moest gaan en in nieuw vaarwater terecht zou komen.

Anno 2012

Anno 2012 kunnen wij de apostel in zijn zorgen wel begrijpen. Wat verheugend is, is dat het christendom wereldwijd van alle religies het snelst groeit, zeker in het verre oosten en in Afrika. Maar het stuit op veel tegenstand en moet op meerdere plaatsen in de wereld door zwaar weer gaan. De afgelopen week liet Open Doors een persbericht uitgaan waarin te lezen stond in welke landen christenen het zwaarst vervolgd worden. Na Noord-Korea waren dat Afghanistan, Somalie, Iran. Ook Saudi-Arabie, Irak en Egypte werden genoemd. Grote zorgen zijn er over de landen waar de zogenaamde Arabische Lente zijn intrede heeft gedaan. Regelmatig valt te horen hoe in bijvoorbeeld in Egypte de koptische christenen geweld wordt aangedaan. En wat te denken van Nigeria? En in Europa – ook in ons eigen land – gaat de secularisatie onverminderd door. We komen er allemaal mee in aanraking, soms in onze eigen huiskamers. Zorgen genoeg.

In dat opzicht kunnen we naast de apostel Johannes op het eiland Patmos gaan staan. De grote vraag daarbij is desalniettemin of wij ook meemaken wat hem op dit eiland overkwam – of wij evenals hij visionair ingestelde christenen zijn?

Als een Mensenzoon

Johannes vertelt wat hem op het eiland overkwam. Op ‘de dag des Heren’ stond hij op het strand en hoorde achter zich het geluid als van een enorme waterval. Zich omkerend zag hij iemand als een Mensenzoon, met een glorie en een majesteit, die zo overweldigend waren dat hij als dood voor de voeten van deze Zoon des mensen neerviel. Jaren geleden had hij na de Opstanding al iets gezien van de glorie van Christus. Mattheus schrijft over de ontmoetingen van Christus met de discipelen en tekent op dat zijn laatste woorden waren dat Hem alle macht gegeven was in de hemel en op de aarde. Niet voor niets lezen we dat de discipelen, toen Hij dichterbij kwam, voor Hem neervielen en Hem aanbaden (Matth. 28).

Iets soortgelijks lezen we hier. De allure van Christus klinkt door in de beschrijving die Johannes van Hem geeft: ogen als een vuurvlam en zijn haar als witte wol en uit zijn mond een scherp zwaard, in zijn hand sterren en voeten van gloeiend koper. Zijn hele voorkomen is als de zon die op zijn felst schijnt! Wat een allure! De glorie van destijds in Galilea viel in het niet bij hoe Johannes Hem hier ziet!

Het was nodig!

En dat was nodig! Niet alleen voor Johannes, misschien nog meer voor de gemeenten aan wie hij zijn visioen mee zou delen. Met het oog op hen liet Christus zich zien – met het oog op de christenen van toen. Zij hadden dit visionaire zien nodig om te volharden in het geloof! Natuurlijk kenden ze het geloof wel. Alleen in het zware weer dat zij ondervonden, hadden ze niet genoeg aan het abc ervan. Hun situatie vroeg om meer. Dit meer hield in dat zij Christus in zijn opperste glorie zouden zien, als degene die troonde hoog boven de macht van de keizer en van de geschiedenismachten. Alleen zo zouden ze visionair ingestelde christenen worden.

Dit laatste houdt in dat zij de omstandigheden waarin zij verkeerden in een ander licht zouden gaan zien. Voor en na het visioen waren de feiten voor Johannes en de gemeenten in zekere zin nog hetzelfde: de apostel was nog op Patmos en de gemeente werd nog bedreigd. Maar deze feiten werden vanuit een ander perspectief gezien: in het licht van de Zoon des mensen, die de geschiedenis leidt en die de feiten zou veranderen.

De apocalyps (dat letterlijk betekent ‘openbaring’, ‘onthulling’) aan Johannes vergunt ons een blik achter de coulissen, zelfs tot in de hemel. En daaruit blijkt dat vanuit de hemel alles ingezet wordt om de gemeente van Christus in de tijd te bewaren tot op het moment dat het hemelse Jeruzalem zichtbaar wordt en met de kerk ook heel de geschapen werkelijkheid gebracht zal worden in het Koninkrijk van God.

Deze troost, die opengaat bij het zien van de Zoon des mensen, was zo overweldigend dat Johannes’ hart het nauwelijks kon verdragen. Pas nadat Christus hem de hand opgelegd had en gezegd had “Vrees niet”, kwam hij enigszins tot zichzelf en kon hij het adembenemende van wat hem overkwam enigszins plaatsen. Typerend daarbij is dat Christus zichzelf aanduidt als “de Eerste en de Laatste, die dood geweest is en die leeft.” Achter deze naam gaat een geweldige belofte schuil: Jezus is onaantastbaar voor de dood en wat Hij begonnen is, zal Hij ook – in zijn majesteit – tot voltooiing brengen. Bovendien eigent Christus zich al enigermate de namen toe die God voor zichzelf gebruikt in de inleidende verzen van de Openbaringen, waar Hij zegt dat Hij de Alfa is en de Omega, het Begin en het Einde. Christus zegt hier dat Hij de Eerste is en de Laatste. Hij deelt in de macht van God zelf en gebruikt dezelfde typering als God, om in het laatste hoofdstuk zichzelf het Begin en het Einde te noemen, de Eerste en de Laatste. Dan, als alles volbracht is, zal blijken hoe Hij volledig een is met de Vader.

Visionaire christenen

Als wij onze situatie enigermate kunnen vergelijken met die van de gemeente ten tijde van Johannes is het de vraag of wij Christus ook zo kennen. Of blijven wij staan bij het abc van het christelijke geloof? Als dat zo is, lopen we gevaar. Het is het risico waarop de schrijver aan de Hebreeen wijst: u hebt nog een kindersmaak – en bent nog niet toe aan het eten van volwassenen, terwijl u qua (geloofs)leeftijd daar allang aan toe hoort te zijn. Dat zegt de schrijver uit bezorgdheid – hij ziet dat veel christenen in moeilijke tijden het geloof loslaten. Ze zijn tegen die moeilijkheden niet bestand, ze kennen Christus niet als de Eerste en de Laatste, de Alfa en de Omega, degene die wat Hij begint ook tot een einde brengt. Ze kennen Hem niet als degene die alle macht heeft gekregen – de Pantocrator.

Ook vandaag de dag is er reden voor dezelfde zorg. De gemeente is in de laatste eeuwen in ruw vaarwater terecht gekomen en het schip van de kerk ligt er haveloos bij. Wat valt ervan te verwachten? Veel christenen vluchten achter de dijken van traditionalisme, van een herhalen van wat men gewend is, anderen zoeken het bij de moderne, vaak jonge dominee, die nog gelooft in de zaak van de kerk en die zich weet te bedienen van social media, twittert, op hyves zit, aan een triathlon meedoet en zo de moderne mensen denkt te bereiken – met dezelfde boodschap als de traditioneel ingestelde christenen, alleen in een populair jasje. Verder zijn er – het worden er steeds minder – die meedeinen op de golven van de tijdgeest en die vinden wat iedereen vindt – modern ingestelde predikanten en gemeenteleden die nog vasthouden aan de idealen van de jaren zestig en zeventig toen het Evangelie socialistisch vertaald werd. En overal vindt men mensen die het oprecht menen, die trouw willen zijn, maar die zich in deze wereld meer en meer voelen als schapen zonder herder, zonder kompas en zonder doel terwijl ze niet helemaal kunnen plaatsen waarom dit zo is.

En dit is onnodig! Als wij maar in staat zouden zijn tot iets, waar Johannes zijn openbaring voor ontvangen en geschreven heeft: tot het zien van de glorie van Christus!

Wat de moderne tijd ons óók brengt

Welnu, meer dan ooit is er vandaag de dag aanleiding om daar in de gemeente aandacht voor te vragen. Want het aanbreken van de moderne tijd in de 19e eeuw is voor de kerk van Christus niet alleen nadelig geweest: er is in de loop van de afgelopen eeuwen in de westerse wereld een historisch zintuig ontwikkeld dat in de eeuwen daarvoor zo niet bekend was. Daar komt bij dat dankzij de kolonisatie van het Midden- Oosten en de terugkeer van het Joodse volk naar Palestina geleerden in die streken hun (archeologisch) werk konden doen. Daardoor is de studie van het Oude en Nieuwe Testament enorm verrijkt. Juist na de Tweede Wereldoorlog is er door beide genoemde factoren veel meer aandacht gekomen voor het cruciale tijdvak dat ‘de intertestamentaire tijd’ wordt genoemd. In die tijd kwamen de vragen van de wereldgeschiedenis prominent naar voren. Vooral het Joodse volk zag zich ertegenover geplaatst! Vandaar dat in die tijd de zogenaamde apocalyptische literatuur geschreven werd, een voortzetting van de profeten en van de wijsheidsliteratuur, maar met een eigen cachet, omdat men rekening hield met het uiteindelijke ingrijpen van God in de geschiedenis, dat het einde ervan zou inluiden! Mede door de vondsten in Qumran (1948) en in andere grotten viel er nog meer licht op die intertestamentaire periode. Ook de Septuaginta werd herontdekt, de Griekse vertaling van het Oude Testament die in de intertestamentaire tijd tot stand kwam!

En mede door bestudering van die tijd wordt onze kennis van het Evangelie en de reikwijdte van het Evangelie buitengewoon verrijkt, waardoor de christelijke gemeente in staat gesteld wordt, zich iets van het visionaire van Johannes eigen te maken!

Welke studies verschenen…

Voorwaarde is wel dat de gemeente er tenminste mee in aanraking gebracht wordt! Want dat kan alleen als predikanten en studenten met wat uit de bijbelwetenschappen wordt aangereikt, vertrouwd raken en dit naar de gemeente toe ‘vertalen’. En zij hebben die mogelijkheid! Niet in het minst omdat in onze taal iemand als dr. W. Aalders zich jarenlang op dit gebied bewogen heeft en dat vooral in de laatste jaren van zijn leven. Toen was het alsof ook deze negentig jarige voorzag dat de kerk in moeilijk vaarwater zou komen en schreef hij zijn boeken over de apocalyptische Christus.

In diezelfde tijd was iemand als Martin Hengel onvermoeibaar bezig om het terrein van de bijbelwetenschap te verbinden met het orthodoxe christelijke geloof, vooral waar het de intertestamentaire tijd betreft. Onvermoeibaar – door het schrijven van zijn eigen talrijke boeken, door het stimuleren van begaafde studenten, het beleggen van symposia en studieavonden en door in samenspraak met de heer Siebeck een reeks te beginnen bij uitgeverij Mohr Siebeck van wetenschappelijke studies op het gebied van het Nieuwe Testament waarin de studieresultaten aan de man gebracht konden worden. Met deze reeks (Wissenschaftliche Untersuchungen zum Neuen Testament) werd begonnen in de jaren 80 van de vorige eeuw. Nu ruim dertig jaar later zijn er zo’n 300 studies verschenen, waarvan een flink deel meer dan de moeite waard is.*

… en waarom ze van belang zijn

Al zulke werken van trouwe gelovigen die ook bijbelgeleerden zijn, brengen teweeg wat Martin Hengel eens noemde ‘eine Annaherung’ een ‘dichterbij komen’ bij de centrale boodschap van het NT. Zij onderstrepen en geven historisch inzicht in wat het NT zegt: Het Koninkrijk der hemelen is in Christus nabij gekomen, als Evangelie, als heilstijding, als wending in de geschiedenis. En de gelovige wordt in deze wending meegenomen en ziet in het licht van Christus het Koninkrijk oplichten en ervaart zo met Johannes iets van de diepste troost van het Evangelie: “Ik ben de Eerste en de Laatste en zie Ik ben dood geweest en leef tot in eeuwigheid en Ik heb de sleutels van de dood en van het dodenrijk.” Niets kan Hem stuiten in zijn werk: Hij is present in de geschiedenis en wat Hij begon, voleindigt Hij. In dat licht mogen wij het jaar 2012 ingaan en mogen we met Paulus zeggen: “wij dan hebben altijd goede moed.” En evenals Johannes mogen wij, als wij de troost van het Evangelie doorgeven aan de gemeente weten: “wij zijn (nota bene: wat een onderscheiding!) “medearbeiders van God” (2 Korinthiers 3: 9), d.w.z. bouwers aan Zijn Koninkrijk!

Dr. H. Klink, Hoornaar

Noot
* Recent zijn in deze serie meerdere boeken verschenen over ondermeer de Septuaginta. Ik noem er drie. De bekende bijbelgeleerde en taalkundige Immanuel Tov schreef over de Hebreeuwse bijbel, de Griekse bijbel (Septuaginta) en de rollen van Qumran in zijn boek Hebrew Bible, Greek Bible and Qumran. Een ander boek bevat lezingen uit 2008 ter gelegenheid van themadagen die in Wuppertal aan de Septuaginta gewijd werden (Die Septuaginta – Texte, Theologien, Einflüsse). In het boek Die Septuaginta und das neue Testament, vindt de lezer voordrachten die gehouden zijn tijdens een symposium in 2009 in Tubingen over ondermeer de betekenis van de Septuaginta voor het vroege christendom. Hierin staan twee artikelen over het begrip Pantocrator, de Almachtige, dat we tegenkomen in Openbaringen 1 en dat in de apocriefe boeken van de Septuaginta, die geschreven werden in de intertestamentaire periode, werd gebruikt. De artikelen verduidelijken veel, evenals een voordracht over het woordje ktizein, dat ‘scheppen’ betekent en waarvan ook gezegd moet worden dat het in de intertestamentaire wereld door de Grieks-sprekende Joden gebruikt ging worden. In de bundel uit 2008 gaat Adrian Schenker in op de vraag wat de directe aanleiding en de eigenlijke bedoeling is geweest van de vertaling van het OT in het Grieks. Zijn conclusies zijn zo belangrijk dat ze onlangs in het woord vooraf van een ander belangrijk werk geciteerd werden. Ik bedoel de onlangs uitgekomen verklarende teksten bij de eerste Duitse uitgave van de Septuaginta die een goed jaar geleden verscheen! (Septuaginta Deutsch, Erläuterungen und Kommentare, 2 Bande, Stuttgart 2011)