Terug naar Ecclesianet.nl

Rachel weent om haar kinderen (Jeremia 31: 15/Mattheüs 2:18)

Het eerste Christusfeest

I

Samma rende zo hard hij maar kon. Wat hij nu toch had gehoord en gezien moest Jedida, zijn vrouw, zo vlug mogelijk weten. Zij waren in het veld, de herders. Het was nacht, de schapen waren stil en de herders waren het ook. De een zat wat te dommelen, de ander lag te slapen en enkelen waren op dat moment wakker en letten op en gingen rond. ‘Dat moment’ zouden zij nooit vergeten. Plotseling werd het licht. Lichter dan midden op de dag. Wie slaperig was werd opeens klaar wakker. Zij waren allen bang, heel bang. Wat was dit? Ineens was er in dat licht een gestalte, geen dier, geen mens, maar een bode van God. En die sprak hen toe. Hij zei dat zij niet bang behoefden te zijn, want hij was gekomen om hen blij te maken. Zij en heel Israël mochten blij zijn, omdat nu een eeuwenoude belofte was vervuld. De Messias was gekomen, de Verlosser. Gekomen als kind. Geboren in het stadje Bethlehem, waar ooit koning David was geboren. Zij konden gaan kijken: in de stal waar ’s winters hun schapen stonden lag dit Messias-kind, in de bak waaruit de dieren aten wanneer zij binnen waren. Kon dit waar zijn? Nauwelijks was de bode van de hemel uitgesproken of er waren ontelbaar veel andere engelen om hen heen. Zij zweefden rond en zongen een lied. Die woorden van eer aan God en vrede op aarde zouden Samma en de andere herders nooit vergeten, hoe oud zij ook werden. Toen was het weer stil geworden, het wonderlijke licht verdween langzaam aan. Het was weer donker, het was weer nacht. Samma, de jonge herder en de anderen waren eerst sprakeloos. Wat was dit, wat kon dit zijn? Toen was één van hen begonnen te praten, hakkelend, stamelend. “Dit was iets van God. Dit was iets van de hemel. Dit was …” Weer werd hij stil. “Zullen we doen wat werd gezegd? Zullen we gaan, naar Bethlehem, naar onze stal?” Toen zijn zij gegaan. En daar in de stal vonden zij het Kind, de moeder en haar man. Zij vertelden wat zij hadden gehoord en gezien. Zij zagen hoe de jonge ouders straalden van blijdschap. En zij werden zelf ook steeds meer blij, en keken steeds weer naar het Kind. Zij begrepen er niets van, maar dit moest de Messias, de Verlosser zijn. Het was hun gezegd, zij hadden het zelf gehoord en het hemels licht gezien. Zij moesten terug naar de kudde. Allemaal wilden zij aan hun familie hun beleven gaan vertellen. Zij waren er vol van. Daarvan konden zij niet zwijgen. Dit moest iedereen weten. Zij spraken af, dat zij om de beurt zouden gaan, want zij konden niet tegelijk bij hun dieren weg.

II

Samma was de eerste die naar huis mocht gaan om het aan zijn vrouw en zijn familie te vertellen. Hij moest wel een mijl of zes lopen. Zo hard hij maar kon rende hij, hij was nog jong. Wat zou Jedida, zijn vrouw zeggen? Zij zou hem toch wel geloven? De anderen wisten het toch ook? En zij hadden net als hij het Kind gezien. Het Kind, net als alle andere kinderen. Nee, toch niet helemaal, het had iets bijzonders, iets, ja, hoe moest hij dat zeggen? Iets van reinheid, misschien moest hij zeggen: iets van dat licht van die nacht, iets … Toen hun kleine Joas een jaar geleden werd geboren had hij dat niet. Af en toe moest Samma stil staan. Hij kreeg steken in zijn zij. Maar dan ging hij weer, de heuvels op en af, tot hij bij zijn huisje kwam. De deur stond open en de eerste die hij zag was de kleine Joas, die waggelend op zijn beentjes naar hem toekwam. “Abba”, riep hij, “abba.” Hij keek zo blij dat hij zijn vader zag. Hij pakte de kleine jongen op en drukte hem tegen zich aan. Daar was Jedida ook en hij begon te vertellen. Zonder hem te onderbreken luisterde zij naar Samma. Toen hij uitverteld was kwamen de vragen. Hij was zo blij, en zijn blijdschap werkte aanstekelijk. Jedida werd ook blij. “Wat is dit bijzonder”, riep zij. “En dat jij dat nu hebt gehoord en gezien! Nu is het Kind nog klein, maar wat zal dat zijn als het groot is geworden en verlossing voor ons volk zal brengen. Als jij het niet zelf had beleefd zou ik het niet kunnen geloven.” “Vertel het aan onze vader en moeder”, zei Samma, “ik moet weer terug.” Hij omhelsde Jedida en kuste de kleine Joas, en daar ging hij weer.

III

Enkele maanden later zagen Samma en de andere herders kleine groepjes soldaten te paard door het veld trekken. Het viel hun op en zij spraken erover. Zij zagen wel eens vaker soldaten van koning Herodes, maar niet zo in het veld en niet zo in kleine groepjes. Maar het duurde niet lang of zij hoorden wat er aan de hand was. De koning had opdracht gegeven in een wijd gebied om Bethlehem de kleine kinderen te doden. Althans de jongetjes. Waarom? Waarom? De koning is bang, werd gezegd. Bang waarvoor? Bang voor wie? Bang voor een kind dat in Bethlehem geboren is en dat een gevaar voor hem zou zijn. Die oude koning bang voor een klein kind? Ja, je weet hoe hij is, je weet toch dat hij zijn vrouw heeft vermoord en enkele van zijn zoons? Toen Samma de berichten hoorde, werd hij ook bang. Hoe zou het dan zijn met zijn lieveling, de kleine Joas? Dat wilde hij weten. Zo vlug hij kon rende hij naar huis. Hij was nu niet zo ver daarvandaan als in die wonderlijke nacht. Nu stond de deur niet open. Hij ging naar binnen en zag zijn vrouw, en haar moeder die ook gekomen was. Zij waren in groot verdriet. Samma barste ook in tranen uit: daar lag hun lieve, kleine jongen. Dood. Nooit meer zou hij zijn vader begroeten met zijn “abba”, “abba.” Snikkend vertelde Jedida hoe soldaten waren binnen gekomen, het kind hadden gepakt en het meedogenloos het hoofd hadden afgeslagen. Waarom? Waarom? O, die boze, wrede koning… Hun kind dood, andere kinderen dood, en dat Kind dat toen in de kribbe lag? Ook dood?

IV

Nog boordevol verdriet en vragen gingen enkele maanden later Samma en Jedida, met hun familie naar Jeruzalem. Het werd Paasfeest Het feest zou voor hen niet echt feest zijn, toch wilden zij niet wegblijven. Ook in de tempel wilden zij hun verdriet voor God neerleggen. Daar op het tempelplein vroegen zij aan een priester of misschien de priester die een oudoom van Jedida in de stad was. Morgen zou hij komen. Toen zijn zij naar hem toe gegaan om te vertellen wat er was gebeurd. Hij had het al gehoord, maar wist niet van hun kleine Joas. De tranen liepen hem over de wangen. Samma vertelde ook van die bijzondere nacht, nu al weer een poos geleden. De oude priester luisterde en zijn gezicht klaarde op. Hij stelde vragen en Samma werd ook weer een beetje blij in dit gesprek. Toen werd hij weer heel droevig. “Maar”, zei hij, “dat Messias-kind is ook weg. Het is weg. Zou het ook dood zijn? Ook vermoord door de boze koning? Is het dan niet waar wat ik en de anderen die nacht hebben gehoord en gezien? Is dat dan niet van God geweest? En dat Kind dat wij zelf hebben gezien, de Messias, de Christus?”

De oude priester liet hem praten en vragen. Eerst zweeg hij, lange tijd. Toen begon hij te spreken. “Nee”, zei hij, “nee, wáár dat Kind is weet ik niet, maar het kan niet vermoord zijn, want Maria, zijn moeder, heeft van Gods dienaar Gabriël over dit Kind gehoord en ook ik ben door Gabriël aangesproken, hier in de tempel. God is geen mens. God is God. Hij is waarachtig. Wij begrijpen Hem niet.”

Jacob van Hoogenlande