Terug naar Ecclesianet.nl

De herder (Verhaal van Felix Timmermans )

En Jezus verliet het dorp, na dat hij er over den eenvoud gepreekt had. Hij ging weg, met twee van zijn apostelen, in de richting van de ondergaande zon. Het was alsof hij in de zon verdween.

Heel het dorp stond overhoop van vreugde en verwondering. Een uur vóór Hij kwam, was er de glanzende rust van elken dag over het dorp. Tot ineens de mattenverkooper, die terug uit de stad kwam, het nieuws bracht: - ‘Jezus van Nazareth is onderwegen, en komt naar ons dorp toe.’ Dit gerucht waaide van deur tot deur: - ‘Jezus van Nazareth is op komst!’

En men riep die op het veld aan ’t zaaien en aan ’t ploegen waren, want het was in de lente als men de grond openlegt om het zaad te ontvangen. En men riep de mulder van zijnen molen, de smid uit zijn smidse, en iedereen die aan het werk was. En ook de blinde gebroeders, die tegen de kerk woonden, wouen er bij zijn, en de lamme, die dik was geworden van het zitten, en zelfs de melaatsche, die over de beek in zijn strooien hut zooveel als verbannen leefde, riep men.

Want Jezus van Nazareth had een grooten, heiligen roep in gansch het land, en van wijd en zijd kwam men naar zijn woord luisteren om troost en genezing te vinden. En nu zou Jezus door het nederige dorp komen. Al de menschen stonden buiten, aan hun deur, uit te zien naar den wegel, die van uit het bosch naar het dorp toekronkelde.

En ginder kwam Hij in ’t grijs gekleed met twee van zijn apostelen. De nijgende zon stond fel vóór Hem, en maakte tot goud zijn dunnen baard en zijn lange haren. Zij gingen naar den waterput te midden van het dorpsplein, waar zij hunnen dorst leschten.

De menschen kwamen achteraan en schoven bedeesd naderbij, en bezagen hem vragend en bewonderend. Hij zette zich neer op den rand van den put en hief zijn hand op om te preeken… Doch de kleinsten probeerden voor de grootsten te staan, er was een dringen en een wringen; de kinderen waren het vernuftigste en kropen door de beenen der grooten heen, en stonden dan schuw van voor, met den vinger in den mond.

Doch de apostel met zijn zwarten baard duwde hen, zacht grommend, met zijn groote werkhand terug. Maar Jezus, als Hij dat zag zei: - ‘Laat de kinderen van voor staan. Laat ze tot bij mij komen, want hun behoort dat rijk der Hemelen…’

En dan richtte Hij zich tot de nederige menschen, en ook tot diegenen, die nu nog nader kwamen, een koopman, een leurder, een schaapsherder…

En Hij preekte eenen schoonen preek over den eenvoud tot die menschen, die den reuk der aarde aan hunne handen droegen, over den eenvoud, den eenvoud des harten. Dat dit de grootste rijkdom was, die zij op aarde konden bezitten en medeen den sleutel des Hemels was. En dat hun moeizaam en werkzaam leven om de korst brood te verdienen, het beste middel was om den eenvoud des harten te kunnen behouden… Want hoe meer men bezit hoe moeilijker het is om eenvoudig te blijven.

Die gouden schoonheid dier woorden vervulden de zielen der dorpsbewoners, en toen Hij opstond, knielden zij allen en Hij zegende hen… Hij legde zijne handen op het hoofd van de blinde gebroeders, en zij juichten omdat zij weer zagen… Hij legde zijn handen op de schouders van den lamme, en hij sprong verheugd uit zijn wagentje, waarmede men hem had naar hier gebracht. En Hij deed den melaatsche, die op afstand gebleven was, tot zich komen en als hij hem gezegend had, was hij van alle zweren ontdaan en weer gaaf en gezond van geest en lichaam.

En daar was ook een oude man, een oude herder, die niet van het dorp was. Die oude man weende en zag bewonderend naar Jezus op. Jezus legde zijn handen lang op zijn grijs hoofd, bezag hem teeder en groette hem bij het weggaan vriendelijk… en dan ging Jezus met de twee apostelen weg in de richting van de zon.

Het dorp stond overhoop, de menschen waren geestelijk rijker geworden om die machtigen woorden, en beseften nu eerst fijn hoe gelukkig zij waren in hun lot.

Zij waren mee blijde met de twee gebroeders, die weer zagen, - met de lamme, die weer ging en met de melaatsche, die weer zuiver geworden was… En toch was de meeste belangstelling rond den ouden herder, die niet van het dorp was, en bij wie Jezus zoolang de handen op het hoofd had gelegd. – Wat heeft u gedaan? Van wat heeft hij u genezen?

En toen vertelde de oude herder, dat het nu meer dan dertig jaar geleden was, dat hij op een winternacht met andere herders bij het wachtvuur zat, als er plots een witte engel voor hen verscheen, die zegde van op te staan, want dat de zaligmaker geboren was, en zij hem zouden vinden in een stalleken tusschen bosschen en velden verloren. Eerst waren zij met de schrik geslagen geweest, maar tevens aangegrepen van en groote verheuging… Rap, snap hadden zij wat bijeengeschard, wat karig eten, kaas, eieren… En na een langen weg, hadden zij dan het kind in een kribbeken zien liggen, waar de os en de ezel hun eten uit nemen, en zij hadden de jonge moeder gezien, wier oogen openingen op den Hemel waren, en den ouden, bekommerden man, die bij haar was en een vuurtje probeerde aan te maken om de melk te warmen.

Er waren daar nog herders van een andere streek gekomen, en nog enkele arme menschen… en toch was er daar nog iets, dat de mond niet kon noemen, maar de ziel gewaar wierd… iets van den Hemel. En dat kind was Jezus van Nazareth!...

Waarom kwam die engel herders roepen en geen rijke menschen, die seffens het arme huisgezin hadden kunnen helpen met het beste?... was de vraag. – Ik heb het mij ook altijd afgevraagd, waarom, zei de herder. Wij die de minste waren in het land… Maar hij kwam niet op de wereld om veel te krijgen… Later is er natuurlijk bezoek gekomen van allerlei menschen, zelfs zijn er drie koningen uit het oosten daar geweest, die hen reukwerken en goud brachten… maar die hebben zijn bestaan in een teeken des Hemels zelf moeten zoeken… Doch tot arme herders kwamen de engelen, voor arme herders, brak de Hemel open, om hun de blijde boodschap te brengen… Waarom?... Nu versta ik het, nu, nu ik Jezus daarjuist heb hooren preeken. De eenvoud des herten. En de oude man kon zich niet tegenhouden van het snikken.