Terug naar Ecclesianet.nl

De lange zevende eeuw

In Ecclesia van 30 juni 2012 heb ik een recensie geschreven over een boek van Wim Jurg, De vierde eeuw of hoe het christendom staatsgodsdienst werd. Een boek, waarin de schrijver ons laat zien, hoe het christendom in de vierde eeuw van onze jaartelling een macht van betekenis in de Romeinse staat geworden is.

Enige tijd geleden verscheen van de hand van dezelfde schrijver een tweede historische studie, getiteld De lange zevende eeuw1, waarin wordt uiteengezet, hoe het christendom in de zevende eeuw met de opkomst van de islam geconfronteerd werd. Een uiterst actueel thema, mag men wel zeggen, want door de ontwikkelingen op het wereldtoneel in onze dagen, waarin wij vrijwel dagelijks worden geconfronteerd met daden van geweld, in naam van Allah gepleegd, worden wij bijna gedwongen ons met de geschiedenis van de islam bezig te houden. Het spreekt dan ook welhaast vanzelf, dat het boek van Jurg, waarin de ontstaansgeschiedenis van deze religie wordt geschetst, al spoedig een bestseller gebleken is.

De schrijver heeft er alles aan gedaan om de kontekst, waarin de opkomst van de islam haar plaats heeft, goed uit de verf te laten komen. Het boek opent met een beschrijving van het pontificaat van Gregorius de Grote (590 – 604), “de laatste goede paus” (Calvijn), die, als weinig anderen zich van zijn verantwoordelijkheid bewust, zowel op kerkelijk als op niet-kerkelijk terrein in betrekkelijk korte tijd ontzaglijk veel werk verzet heeft.

In de beide volgende hoofdstukken van het boek zijn wij getuige van de oorlogen tussen het Romeinse en het Nieuw-Perzische rijk, de hevige machtsstrijd van de “late oudheid.”2 In 603 verklaarde Chosroës, de Perzische koning, de Romeinen de oorlog. Een langdurige krachtmeting volgde. Aanvankelijk boekten de Perzen enorme successen. Nadat zij de Romeinse provincie Noord-Mesopotamië hadden veroverd, rukten zij op in zuidelijke richting. In 611 werd Antiochië ingenomen. Twee jaar later volgde, na een langdurige belegering, Jeruzalem. In 615 (of 616) bereikte een Perzisch leger de kust tegenover Constantinopel. Toen in 618 (of 619) ook Egypte door de Perzen werd veroverd, leek het lot van het Romeinse rijk bezegeld.

Maar het tij keerde. In 624, terwijl de Avaren – een nomadisch volk uit Midden-Azië, dat zich in de zesde eeuw o.m. in het huidige Hongarije had gevestigd – Constantinopel bedreigden en het Perzische leger aan de Aziatische zijde van de Bosporus door een Romeinse vloot op een afstand gehouden werd, ondernam keizer Herakleios een veldtocht richting Perzië, die vier jaar lang zou duren. Na in Noord-Mesopotamië een leger onder leiding van Chosroës op de vlucht gejaagd te hebben versloeg hij in 625 twee andere legers en in 626, samen met zijn broer Theodorus, een derde, waarna Theodorus terugkeerde om het bedreigde Constantinopel te gaan helpen. In december 627 vond bij de ruïnes van Ninevé (het huidige Mosoel) de laatste veldslag plaats. Herakleios trok opnieuw aan het langste eind en trok vervolgens naar Ktesifon, de hoofdstad van het Perzische rijk, waar hij begin 628 aankwam. Chosroës ontweek een confrontatie, waarna Herakleios weg trok. Chosroës werd afgezet. Een van zijn zoons volgde hem op. Een Perzische delegatie, die Herakleios achterna reisde, sloot namens de nieuwe koning met de Romeinen een vredesverdrag.

De Arabische veroveringen

Toen Mohammed stierf (632) was bijna het hele Arabische schiereiland door de Arabieren veroverd. Nog vóór zijn opvolger, Abu Bakr, overleed (634), vonden er in Romeins en Perzisch gebied plundertochten plaats. Onder zijn opvolger, Omar (634 – 644), maakten deze plaats voor invallen, het eerst in Palestina en Syrië. Na 636 was van Syrië alleen het uiterste noorden nog in Romeinse handen en in Israël een tweetal steden: Jeruzalem en Caesarea. In 637 gaven de laatste twee grote steden in het noorden van Syrië, Beroia (Aleppo) en Antiochië, zich over. Jeruzalem volgde in 638, Caesarea twee jaar later. In 638 werden Romeins Mesopotamië en een groot deel van Armenië overmeesterd en in 641 was ook Egypte nagenoeg geheel in Arabische handen.

Een verbijsterend snelle campagne, die door niemand voorzien was. Jurg concludeert: “Zo verrast als de christenen waren toen ze begin 313 plotseling volledige godsdienstvrijheid kregen (…), zo verbaasd moeten de moslims zijn geweest over het gemak waarmee zij vanaf 634 Syrië, Palestina, Egypte, Mesopotamië, Armenië en Perzië veroverden. En misschien wel nog verbaasder toen bleek, dat ze de veroveringen ook vast konden houden.”3 Wel probeerden de Romeinen tweemaal achtereen het verloren terrein te herwinnen, maar beide keren werden zij verslagen. En eenzelfde lot trof de Perzen, die in een grote veldslag bij een zijrivier van de Eufraat de nederlaag leden, waarna heel Perzisch Mesopotamië, met inbegrip van de hoofdstad (Ktesifon) werd bezet en de Perzen zich in het hoogland van het huidige Iran terugtrokken.

Tolerantie

Voor verreweg de meeste inwoners van de Romeinse en Perzische provincies bracht de verovering door de Arabieren nagenoeg geen veranderingen in het dagelijks leven met zich mee. Wel werd hun naast de belastingen, die reeds geheven werden, een nieuwe, extra belasting opgelegd. Maar gingen zij hiermee akkoord, dan bleef alles bij het oude. Ze behoefden niets van hun bezittingen af te staan en behielden hun zelfbestuur. Zelfs mochten zij hun eigen godsdienst blijven uitoefenen. De Arabieren deden geen enkele moeite om hen tot de islam te bekeren, ja, bekering werd zelfs ontmoedigd: de islam was een voorrecht voor Arabieren.

De Joden

Was dit voor de christenen een geruststelling, voor de Joden betekende het meer: zij gingen er op vooruit. Waren zij sinds het einde van de vierde eeuw, toen het christendom staatsgodsdienst was geworden, van overheidswege gedoogd, later waren zij meer en meer achtergesteld. Zo had in 633 een concilie van de Visigotische4 staatskerk bepaald, dat Joden, die een openbaar ambt vervulden, ontslagen moesten worden en dat kinderen van joodse ouders, die weigerden zich tot het christendom te bekeren, uit huis geplaatst en in een christelijk gezin opgevoed mochten worden. Christenen, die deze maatregelen tegenwerkten, liepen het risico uit de kerk gezet worden. En in 692 verordineerde het concilie van Constantinopel: “Laat geen priester of leek ongedesemd brood van de Joden eten, noch vertrouwelijk met hen omgaan, noch hen te hulp roepen bij ziekte, noch medicijnen van hen ontvangen, noch met hen baden: de priester die dat toch doet moet worden afgezet en de leek moet uitgesloten worden.” Vergaande maatregelen, die de Visigoten echter nog niet ver genoeg gingen: in 694 werden de in hun rijk woonachtige Joden van hun burgerrechten beroofd, over heel het land verspreid en in voorkomende gevallen zelfs als slaven te koop aangeboden. Kinderen van gedoopte Joden werden na hun zevende verjaardag in gezinnen van christenen ondergebracht.

Deze maatregelen waren overigens geen lang leven beschoren. Nadat de Arabieren – in 711 - het Iberische schiereiland waren binnengevallen, werden zij ongedaan gemaakt.

De slag bij Poitiers

Enige jaren nadat de Arabieren het rijk van de Visigoten veroverd hadden, trokken zij Septimania binnen, de enige Visigotische provincie ten noorden van de Pyreneeën. Na enkele hevige gevechten kregen zij ook dit gebied in handen, waardoor zij de naaste buren van de Franken werden. Nadat zij vervolgens de provincie Aquitania (aan de Golf van Biscaije) veroverd hadden, trokken zij naar het noorden. Bij Poitiers (of Tours) stuitten zij echter op een leger van de Frankische koning Karel Martel. In de velslag, die volgde (733 of 734) werden de Arabieren verslagen. Karel bracht hierna een groot gedeelte van het zuiden onder zijn gezag, waardoor het Europese deel van het Arabische rijk tot het Iberisch schiereiland beperkt bleef.

Oost en Noord-oost

De Arabische expansiedrift liet zich echter ook in andere richtingen gelden. Onder kalief Al-Walid (705 – 715) waagden de moslimlegers zich tot in het huidige Afghanistan, vanwaar zij verder trokken tot Samarkand in wat nu als Oezbekistan bekend staat. Zelfs kwamen zij tot aan de rivier de Indus in het tegenwoordige Pakistan. Het slotoffensief tegen het Romeinse rijk, in 717 door Al-Walids broer Suleiman ingezet met een nieuwe belegering van Constantinopel, werd echter een falikante mislukking. Na grote verliezen geleden te hebben zagen de Arabieren zich genoodzaakt zich terug te trekken.

Intolerantie

De tolerante houding van de Arabieren jegens hun niet-islamitische onderdanen heeft, naar het zich laat aanzien, vrij lang aangehouden. Pas omstreeks het einde van de tiende eeuw, toen de bevolking van het rijk voor het grootste deel uit moslims bestond, begonnen zij op bekering aan te dringen. En toen in de dertiende eeuw, na de invasie door de Mongolen en de verwoesting van Bagdad en andere steden, de islamitische wereld zelf in het nauw kwam, werd de aandrang gaandeweg sterker en is men zelfs geweld gaan gebruiken.

Dit godsdienstig fanatisme, dat voor de islam steeds kenmerkend is gebleven, doet de vraag opkomen, of het gedoogbeleid in de eerste eeuwen na Mohammeds dood niet als louter opportunistisch gezien moet worden. De geschiedenis laat immers duidelijk zien, dat ook Mohammed zelf tegenover “ongelovigen” vaak heel gewelddadig is opgetreden. Wij denken hierbij met name aan wat de gerenommeerde islamitische historicus al-Tabari (838 – 923) schrijft over de gruwelijke wijze, waarop de profeet in 627 de leden van de joodse stam Banu Qurayza voor hun verzet tegen hem gestraft heeft: hoe hij 700 à 900 mannen heeft laten vermoorden en hun vrouwen en kinderen tot slavenarbeid heeft veroordeeld.

Ten slotte

De lange zevende eeuw is een populair-wetenschappelijk boek. Het is bedoeld voor “gewone mensen”. Maar dit gaat niet ten koste van de voornaamste eis, waarvoor de historicus zich gesteld weet: de eis van een verantwoord bronnenonderzoek. En dat is zeker voor een boek als dit een lastige opgave. Weliswaar bestaat er een uitgebreide geschiedschrijving (door islamitische auteurs) van de zevende eeuw, maar deze is gebaseerd op (verloren gegane) kronieken uit de achtste eeuw, die op zijn vroegst in de negende en de tiende eeuw zijn geschreven, toen de diverse islamitische stromingen hevig met elkaar van mening verschilden over wat er in de eerste decennia van de zevende eeuw is gebeurd. Uit de gegevens, waarover hij beschikte, heeft Jurg een boeiend verhaal samengesteld, waarvoor wij hem heel dankbaar zijn en dat wij dan ook graag bij onze lezers introduceren.

Voor een eventuele herdruk van het boek zou het o.i. aanbeveling verdienen een overzichtskaart van het Nabije Oosten aan het einde van late oudheid op te nemen.

J.G. Barnhoorn, Nunspeet

Noten
1 ISBN 978 94 6036 180 7. Aantal pagina’s 224. Prijs: € 29,90.
2 Onder de late oudheid verstaan wij de tijd tussen de klassieke oudheid en de Vroege Middeleeuwen.
3 Pag. 110.
4 De Visigoten waren een Germaans volk, dat in het begin van de vijfde eeuw het huidige Spanje binnenviel en daar een koninkrijk stichtte, dat tot de komst van de Moren in 711 heeft bestaan.