Terug naar Ecclesianet.nl

De Geest waait waarheen Hij wil… iets over Pavel Florenskij (1882 -1937), de Russische Pascal

Een mooi thema

Vorig jaar zomer kocht ik in één van de boekhandels die de Via della Conciliazone in Rome rijk is, een boekje van een voor mij volkomen onbekende schrijver. Het kleine, niet omvangrijke boekje, met een groene cover waarop enkele groen/gele vlakken te zien zijn, deed niet alleen sympathiek aan vanwege zijn elegantie. Vooral de titel intrigeerde me: Amicitia (vriendschap).

Een van de redenen waarom ik me voor het boekje interesseerde, was dat het thema ‘vriendschap’ in een van de laatste gesprekken die ik voerde met dr. W. Aalders uitvoerig aan de orde was gekomen. We spraken over het opvallende gegeven dat Christus voor zijn sterven zijn discipelen ‘vrienden’ begon te noemen. Dr. Aalders wees me op het betekenisvolle ervan. De discipelen gaan moeilijke dagen tegemoet. Zij worden ingewijd in het diepste van wat Jezus zal gaan doen. Het grijpt hen aan. Maar juist dan troost Hij hen met de belofte van de Geest en noemt hen vrienden. Hij wees me er ook op dat het in Reveilkringen gebruikelijk was om elkaar als vrienden te zien en aan te spreken. In de kring van ‘vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge’ vinden we een verre uitloper van zulke kringen en uiteindelijk van de typering van Jezus zelf: “Ik heb u vrienden genoemd.”

Op het belang van vriendschappen wijst ook Romano Guardini in zijn fraaie boekje De gestalte van de toekomst. Hij voorspelde daarin hoe eenzaam de christen in de toekomst wellicht zou worden, omdat de omliggende christelijke cultuur zou verdwijnen en de christen niet meer begrepen zou worden. “De liefde van Christus zal dan voor de enkeling op een directere wijze ervaren worden.” Ook zal de liefde zuiverder oplichten tussen de christenen onderling, “als de ene eenzame de andere eenzame ontmoet”, aldus Guardini.

Er was nog iets wat me tot de koop van het boekje bracht. Toen ik het doorbladerde raakte ik direct onder de indruk van de geleerdheid van de schrijver. Heel trefzeker legt deze op de bladzijden die ik opensloeg uit wat de betekenis is van de Griekse woorden filia (vriendschap), agapè (liefde) en eroos (verlangen). Hij doet dat op een manier die je niet vaak tegen komt (vaak worden agapè en eroos tegen elkaar uitgespeeld, waarbij eroos ten onrechte wordt opgevat als sensuele liefde). Om al die redenen kocht ik het boekje van de voor mij onbekende schrijver, Pavel A. Florenskij.

Een keur aan boeken

Toen ik acht maanden later opnieuw enkele dagen in Rome kwam, trof ik in een van de boekhandels een boekentafel aan met daarop uitsluitend boeken van de Russische schrijver. In de tussentijd had ik hem leren waarderen. Het boekje Amicitia waarin ik me inmiddels had verdiept, las gemakkelijk. Veel was er wat me aansprak, al waren er ook passages waarbij je de indruk opdeed dat alleen een Rus de gevoelswaarde ervan begrijpen kan. Maar het bevatte prachtige passages en muntte uit in helderheid. Om die reden schafte ik menig ander boek van de auteur aan. Na het lezen van deze boeken lijkt het me goed om de lezers van Ecclesia op deze Russische schrijver attent te maken.

Bijnamen en een typering

Wie was Pavel Florenskij? Veelzeggend zijn de twee bijnamen die hij gekregen heeft en de typering die niemand minder dan Solzenitsjin van hem gaf.

Florenskij wordt wel ‘de Russische Pascal’ genoemd of ‘de Russische Leonardo da Vinci’. Evenals zij dat waren, was hij een homo universalis: hij was een briljant wiskundige en natuurkundige, uitvinder, elektrotechnicus, dichter, taalgeleerde, filosoof en theoloog.

Solzenitsjin omschreef hem als “één van de merkwaardigste figuren die de Goelach voor altijd heeft verzwolgen.” In de strafgevangenissen van Siberië vond Florenskij in 1937 de dood door de kogel. Hij werd door de communisten vals beschuldigd van staatsondermijnende activiteiten. De eigenlijke oorzaak lag natuurlijk in het feit dat hij een overtuigd en vooraanstaand christen was. Florenskij was priester.

Zijn levensloop

Pavel A. Florenskij wordt in 1882 geboren in de Kaukasus. Zijn vader helpt er als ingenieur mee aan de bouw van de spoorlijn. Zijn moeder is Armeense. Zij is van adellijke komaf. Het voorgeslacht van zijn vader telde veel priesters. Het geloof dat zij uitdroegen, deelt zijn vader niet. Dat geldt ook van zijn moeder. Zijn opvoeding is dan ook volstrekt a-religieus. Hij wordt opgevoed in een verlicht, humanistisch milieu. Met geen woord wordt er in het ouderlijk huis gerept van het christelijke geloof. Ook over de afkomst van zijn moeder wordt het stilzwijgen bewaard. De jeugd van Florenskij is gelukkig. Zijn verering voor Goethe dateert uit deze jaren. Het gezin telt veel hoogbegaafde kinderen. De genialiteit van Pavel valt op.

Ondanks het feit dat het christelijke geloof geen enkele aandacht krijgt, is het alsof de jongen voorbestemd is om geestelijke te worden. Op jonge leeftijd al heeft hij een beleving die hem zijn leven lang zal stempelen. Als hij bij de zee staat en over het blauwe water heenkijkt en de luchten erboven ziet, is het alsof zijn ziel wordt aangeraakt en dringt op een bijna natuurlijke manier het besef zich aan hem op dat er een werkelijkheid bestaat boven deze werkelijkheid – de werkelijkheid van de metafysica, de werkelijkheid van God. Later zegt hij: “Ik herinner me de indrukken uit mijn kinderleeftijd en ik vergis me niet. Ik stond aan de oever van de zee van aangezicht tot aangezicht tegenover de vertrouwde, eenzame, geheimnisvolle, oneindige eeuwigheid, waaruit alles vloeit en waarheen het alles terugkeert. Zij riep mij en ik was bij haar.”

Florenskij maakt op zijn zeventiende jaar een crisis door. Als een van de weinigen heeft hij (al in zijn jonge jaren) in de gaten dat de wiskunde en de natuurkunde uitgerekend in zijn dagen op hun grenzen stuiten en dat de werkelijkheid niet logisch te doordenken valt. Wiskundigen moesten erkennen dat het systeem dat zij hanteerden uiteindelijk niet logisch kloppend was. De vastheid van natuurkundige wetten werd aan het wankelen gebracht door de kwantumtheorie: licht kan beschreven worden in termen van ‘deeltjes’ en in termen van ‘golven’. Bovendien zit er geen logica achter de weg die lichtdeeltjes kiezen. En het merkwaardige doet zich voor dat lichtdeeltjes van route veranderen zodra ze door de mens worden geobserveerd, alsof ze ‘aanvoelen’ dat dit het geval is! De wetenschap blijkt niet in staat om de werkelijkheid volledig inzichtelijk te maken. De jonge Florenskij komt erdoor in een crisis. Verrassenderwijs wendt hij zich tot het religieuze: “Op dat ogenblik trof mij de allerfijnste straal van een deels onzichtbaar licht en een deels onhoorbaar geluid, die de Naam van God naar mij toedroeg. Dat was nog niet hetzelfde als het verlicht worden en nog geen wedergeboorte, maar nog slechts de boodschap van het licht.”

Als vanzelf volgt daarop de weg naar de kerk en naar Christus. Nadat hij zijn gymnasiumperiode in Tiflis heeft afgesloten, begint hij in Moskou zijn studie in de vele vakken die hem interesseren, vooral in de wis- en natuurkunde. Hij verdiept zich ook in de psychologie en filosofie en leest vooral in Plato. Hij publiceert gedichten. De gestalte van Christus die door de kerk verkondigd wordt en naar wiens wil vrome staretsi1 leven, trekt Florenskij aan. Als vanzelf kwam hij tot de erkenning van God.

De waarheid van het geloof was voor hem evident geworden. Hij wil monnik worden, maar zijn biechtvader raadt hem aan theologie te studeren. Hij luistert en verdiept zich in de studiejaren (1904 -1908) ook in de taalwetenschap. Zijn ster stijgt. In 1908 wordt hij hoogleraar filosofie. Dit blijft hij tien jaar. Talrijke publicaties zien in deze jaren het licht. In 1910 treedt hij in het huwelijk met Anna Giacintova. Uit dit huwelijk worden vijf kinderen geboren. Omstreeks deze tijd wordt hij ook priester. De breuk in de historie van Europa en Rusland gaat niet aan hem voorbij. In 1922 voorziet hij dat de grondvesten van Europa zullen worden ondermijnd, met alle gevolgen van dien.

In al deze jaren stempelde hem het bewustzijn van bestaan van God, die hij overal ontmoette. Alles herinnert hem aan God. “In de fluoriserende stoffen, vooral in het appelgroen oplichten van de Crookes-gastubes, geloof ik het weer terug te zien: de zee van mijn kindheid: in het ruiken van de algen, ja zelf in het jodiumtinctuur van het reageerbuisglas ruik ik de metafysische zee, en zijn branding hoor ik in de komende en gaande fuga’s en preludiums van Bach en in het droog klingelende bruisen van de gloed die uit elkaar getrokken wordt.”

Deze nabijheid van God gaf hem een intense rust en vrede. Deze rust kenmerkt zijn schrijfstijl. Deze is sober en inzichtelijk. Dat geldt voor al zijn werken: zijn filosofische verhandelingen, zijn literaire en exegetische studies, zijn kunsthistorische exposés etc. Florenskij leidt de lezer altijd van stap tot stap ergens naar toe. Hij gunt hem de tijd om hem in zijn redeneringen te volgen. Zo neemt hij de lezer mee naar vergezichten die zich langzaam ontvouwen.

Eén van zijn boeken draagt de veelzeggende titel Verwondering en dialectiek. Hij laat daarin zien dat ‘het gezonde denken’ gedragen wordt door verwondering. Gezond denken (dialectiek) tast voorzichtig en eerbiedig vragend de werkelijkheid af en vraagt met existentiële intensiteit naar het wezen van de dingen. Wie zo vraagt, hoort een antwoord, waar hij vervolgens weer in verwondering over nadenkt. Zo wordt het echte ‘zijn’, d.w.z. Gods werkelijkheid, een steeds nabijere werkelijkheid. Florenskij beschrijft hier ongetwijfeld zijn eigen ontwikkelingsgang. Hij weet zich daarin verwant met Plato. Vooral door de overdenking van de Schrift – waarvan hij een groot kenner is – en door toedoen van de orthodoxe kerk, die hij als een moeder ziet, ontvangt de mens de waarheid, die uiteindelijk Christus is. De oudchristelijke geloofsbelijdenissen, de gezagvolle prediking, de sacramenten en ook (Florenskij is een Rus!) de iconen spreken van deze waarheid en stellen haar present!

Pilaar en grondvest der waarheid

Florenskij werd in Rusland bekend door zijn boek Pilaar en grondvest der waarheid. Het verscheen in 1914.

In dit boek komt een hoofdstuk voor over ‘De Trooster’, de Heilige Geest. Ik geef de strekking ervan door. Florenskij wijst erop dat de oudchristelijke geloofsbelijdenissen helder spreken over de Vader en de Zoon. Over de Heilige Geest zijn ze veel vager. Dit geldt ook voor de kerkvaders. Het valt hem op dat ook de kerkvaders die het meest spreken over de zegen en het werk van de Geest, moeite hebben om duidelijk tot uitdrukking te brengen wat het meest wezenlijke is van de persoon van de Heilige Geest. Dat is geen toeval, ook ons valt het moeilijk om dit te omschrijven, aldus Florenskij. Wellicht is de kerk nog niet zuiver genoeg om dit te kunnen doen. Wellicht is de werkelijkheid van de Geest er te groot(s) voor. Florenskij geeft vervolgens (ietwat speculatief) aan dat de eerste fase van de mensheidsgeschiedenis in het teken stond van het ontdekken wie de Schepper is (de Vader). De tweede fase wordt ingeluid door de komst van de Zoon, de Logos. De heerlijkheid van Christus wordt erin ontvouwd. De Geest is dan wel uitgestort op Pinksteren. Gezien het feit dat er nog zoveel niet gezegd is over de Geest houdt Forenskij er rekening mee dat er nog een tijd komt waarin de volle rijkdom ontdekt moet worden wie de Geest is. Pas dan breekt de volle kennis door van de Drie-enige God: Vader, Zoon en Heilige Geest. De kerk leeft, zoals Paulus zegt, daarom vooralsnog dankzij een handgeld. Florenskij wijst erop dat er altijd groeperingen geweest zijn die deze voorlopigheid niet willen accepteren. Zij willen nu al de volheid beleven die nog niet is aangebroken. Om dat te bereiken wekken zij enthousiasme en extase op. Dit gebeurt zo geforceerd dat het hen op den duur opbreekt. Florenskij kiest een andere weg: liever blijft hij in een gelovige houding staan en wacht hij eerbiedig af totdat God meer genade geeft dan voorheen, dan dat hij vooruitgrijpt op wat nu nog niet gegeven is. Beschouwingen als deze zijn typerend voor Florenskij.

In de jaren na de communistische revolutie (1917) wordt zijn werk als priester hem onmogelijk gemaakt. Wel hield hij in Moskou lezingen en voordrachten in de wiskunde en natuurkunde. Hij deed het altijd in priester-habijt met een kruisje op de borst. In 1928 wordt hij voor het eerst gearresteerd. In 1933 wordt hij tot tien jaar dwangarbeid veroordeeld. Een jaar later doet zich de mogelijkheid voor om in ballingschap te gaan (naar Hongarije). Hij weigerde met een beroep op Filippenzen 4: 11. Wat zijn vrouw daarvan dacht is niet bekend. Ondertussen bleef hij schrijven. Hij deed dat ook in die maanden dat hij in de strafgevangenis zat, maar veel ruimte werd hem niet gegund. In 1934 werden zijn boeken en manuscripten hem afgenomen. Dit trof hem tot in zijn ziel.

In Siberië (Solovki- eilanden) leed hij veel ontberingen. In de laatste brief die hij naar huis schreef, lezen we over “de vertwijfelde kou in de dode fabriek.” Niet lang na het schrijven ervan werd hij gefusilleerd.

Een geniale figuur werd gedood door de bruut die Stalin heette. Het moeten voor Florenskij bittere jaren geweest zijn. Toch bleef hij zijn roeping trouw en is hij tal van medegevangenen tot geestelijke steun geweest.

Onwillekeurig vraag je je af hoe dit heeft kunnen gebeuren. Deze man van goud, die velen tot zegen kon zijn, werd de mond gesnoerd, terwijl Stalin, die geestelijk gezien zwaar is als lood, nog jaren zijn terreur kon uitoefenen. Wie moet niet denken aan de tekst dat wij hier op aarde zien in een spiegel met een duistere rede (1 Korinthiërs 13: 12)? Paulus zegt ermee dat wij de dingen op deze wereld in spiegelbeeld zien. Straks echter, in het Koninkrijk der hemelen wordt duidelijk dat Christus alle macht heeft. Dan draaien de rollen om. Het goud komt boven drijven en het lood zakt naar de diepte.

En toch, ook nu al draaien de rollen om. Is het niet verwonderlijk dat zeventig jaar na dato het boek Pilaar en grondvest van de waarheid in Rusland opnieuw is uitgegeven en het voor een tweede keer furore maakt? Sinds de jaren negentig worden Florenskij’s boeken in groten getale in het Italiaans vertaald. Een tiendelige uitgave van zijn werken is in Duitsland in gang gezet.2 Ook in het Engels verschenen vertalingen en biografieën. “De Geest”, over wie Florenskij schreef, “waait waarheen Hij wil.” “U hoort zijn geluid maar weet niet vanwaar Hij komt en waar Hij heengaat.” “Niet door kracht noch door geweld zal het geschieden, maar door mijn Geest”, zegt God. Wie zou niet blij zijn dat zijn boeken beginnen aan te slaan? Wie zou het niet verheugen dat Florenskij de plaats begint te krijgen die hem toekomt? Misschien wel des te meer door zijn martelaarschap.

Christus zei tegen zijn discipelen, toen zij zware dagen tegemoet gingen, dat Hij hen zijn vrienden noemde en niets voor hen verborgen hield. Zo droegen zij veel vrucht. Iets van deze genade is Florenskij in de moeilijke jaren die hij meemaakte zeker te beurt gevallen. En de vrucht van zijn werk begint pas sinds korte tijd goed duidelijk te worden.

H. Klink, Hoornaar

Noten
1 Geestelijk leider in een Russisch-orthodox klooster
2 De werken van Florenskij worden uitgegeven bij uitgeverij editionKONTEKST.