Terug naar Ecclesianet.nl

A.F. de Savornin Lohman, Getuigenis en vrijheid

Zoals blijkt uit de bloedige geschiedenis van de mensheid, is een vrijheid, althans een vrijheid van hogere orde, nooit zonder grote, langdurige opofferingen verkregen. De liefde voor de ware vrijheid is bij de door haar hartstochten gebonden, onvrije mensheid even moeilijk op te wekken als de lust om zich te onthouden bij hem die aan de drank is verslaafd. Men kan over de vrijheid alleraangenaamst filosoferen. Maar er zich ten bloede om laten vervolgen, dat doet van nature niemand, dat doet vooral niet de eenvoudige, onbekende burger, die niet eens het genot kan smaken van door grote geesten als evenknie te worden geëerd. Waarom zou men het ook doen? Waarom zou men zich opofferen voor een verachtelijke mensheid, die steeds haar eigen weldoeners vervolgt en nog altijd haar profeten doodt? Het odi profanum vulgus et arceo [ik haat het onheilige gemeen en houd ze op afstand; Horatius] is bij velen het toppunt van wereldse wijsheid, althans de slotsom van hun levenservaring. Men kan immers voor zichzelf denken wat men wil. Op die vrijheid kan gelukkig geen sterveling inbreuk maken!

Het laatste is zeker volkomen waar. Maar uit díe vrijheid vloeit dan ook in het geheel niet de vrijheid van spreken, van drukken, van vergaderen voort. Maar die vrijheden zijn het juist die de christen niet kan ontberen omdat het zijn roeping is te getuigen en de Naam van de Heere te verkondigen. Die roeping, voor de christen een heilige plicht, doet ook de behoefte geboren worden aan vrijheid om God zó te eren zoals Zijn wil zich aan onze individuele consciëntie openbaart, met andere woorden aan de vrije kerk, zodat elke staatskerk of nationale kerk, als boven anderen bevoorrecht, moet verdwijnen. Uit diezelfde behoefte zien wij heden ten dage, tegenover een wereld die de christen wil dwingen in de volksscholen over zijn Heer te zwijgen, ten koste van onnoemelijke offers waarvan het merendeel zelfs voor het oog van de mensen verborgen blijft, de vrije school verrijzen, die verkregen zal worden zoals al onze vrijheden zijn verkregen, namelijk na de overwinning op de tegenstand van duizenden en tienduizenden onwilligen en belanghebbenden die zichzelf beschermers wanen van de ware staatsrechtelijke gelijkheid. Wanneer wij voor die vrijheid strijden, ook dit leert de ervaring, zullen wij telkens dieper en dieper gevoelen dat het geloof zelf, dat de kracht geeft tot de strijd, het geloof aan Gods soevereiniteit, een gave van God is, en dat zo’n geloof niet kan worden opgedrongen en dat daarom te meer de vrijheid van anderen moet worden geëerbiedigd. Het waren de Puriteinen, het was een Willem I, een Willem III, een Cromwell, die reeds in de zestiende eeuw de vrijheid van andersdenkenden met kracht hebben beschermd, en terecht zegt Milsand: ‘Alle overwinningen die de overheersing van de kerken of van de burgerlijke machten hebben beperkt, al de ruimte die het individuele geweten heeft gewonnen, zijn wij verschuldigd aan hen die, in naam van de predestinatie (al dan niet goed verstaan), staande hebben gehouden dat het geloof van niemands wil afhangt, dat men gelooft wat God behaagt en omdat men niet anders kan’. De gewetensvrijheid is geen postulaat van de rede maar zij is een postulaat van de plicht om te getuigen.

(Uit: De hoogste vrijheid [Amsterdam, 1887], pp. 33-35)