Terug naar Ecclesianet.nl

Iets over de openbare belijdenis van het geloof

Geen vormsel

De reformatoren hadden niets op met het vormsel (de ‘confirmatio’) dat in de loop van de tijd in de kerk was ontstaan. De eerste keer dat hierover in een kerkelijke vergadering werd gesproken was op het concilie van Orange (411). Het was meer en meer gaan gelden als een sacrament en werd op het concilie van Trente inderdaad onder de zeven sacramenten geteld.

Voor Luther was het een menselijke uitvinding en hij sprak van een ‘Affenspiel’. Melanchthon vond het een lege ceremonie en ook Calvijn kon er niets mee beginnen.

Maar wel zagen zij in dat er voor de kinderen en jonge mensen ‘iets’ moest zijn, een kerkelijk gebeuren, op hun weg van de Doop naar de Avondmaalsdis en het volledige lidmaatschap van de kerk. Zij waren het erover eens dat op de een of andere wijze een belijdenis des geloofs noodzakelijk was. Maar hoe zou deze dan plaats vinden?

Voor de Nederlandse situatie geldt dat men het in de historische, vaderlandse kerk hierover nooit eens is geworden. Uit de kerkorde van de Keurpalts, die in 1563 verscheen en waarin ook de (Heidelbergse) catechismus was opgenomen, werden formulieren voor de bediening van Doop en Avondmaal overgenomen. Een formulier voor de openbare geloofsbelijdenis was daarin niet aanwezig en dat is er in Nederland ook nooit gekomen. Althans niet als een formulier dat voor de hele kerk zou gelden. En die situatie duurt voort tot 2013.

Vrijheid van de kerkenraden

Het werd in de tijd van de Reformatie blijkbaar aan de vrijheid van de kerkenraden gelaten op welke wijze zij aan de openbare geloofsbelijdenis vorm zouden geven en welke vragen dan aan de belijdeniscatechisanten (‘confirmanden’) zouden worden gesteld. De geloofsbelijdenis werd niet in een kerkdienst afgelegd, maar ten overstaan van de kerkenraad of een kleine delegatie uit de kerkenraad, waarbij wel steeds de predikant betrokken was. Doorgaans was er voor iedere viering van het heilig Avondmaal (naar de kerkorde van Dordrecht: vier maal in het jaar) gelegenheid de toegang daartoe te vragen en dus vooraf geloofsbelijdenis af te leggen.

Wat de belijdenisvragen betreft - veel gebruikt schijnen de vragen te zijn geweest die door de Utrechtse hoogleraar Gijsbertus Voetius waren geformuleerd. Maar men kon ook als gemeente ‘eigen’ vragen hebben, zoals de gemeente in Rotterdam die had aan het eind van de 17e eeuw.

Kerkorde van 1816

De kerkorde die op last van koning Willem I in 1816 werd ingevoerd bracht hierin verandering. In deze kerkorde, ‘de Reglementen’, waren belijdenisvragen vastgesteld en werd de plechtigheid van de openbare belijdenis, de ‘bevestiging’, in het midden van de gemeente bij reglement voorgeschreven. Vragen waren dus nu wel geformuleerd, maar een formulier waarin zij waren ingebed, was er niet en kwam er niet. Deze vragen verschilden niet veel van het gemiddelde dat al in de kerk in gebruik was. Dat veranderde echter in 1862.

De belijdenisvragen van 1862

De 19e eeuw was vol van strijd over de rechte leer. Dit had onder meer tot gevolg dat in het ‘Reglement op het Godsdienstonderwijs’ twee artikelen werden opgenomen die nadrukkelijk over de ‘aanneming tot lidmaten’ handelden. Nieuw was nu de formulering van de derde (laatste) vraag: “Belooft gij, tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen en van de Nederlandsche Hervormde Kerk in het bijzonder, met opvolging van hare verordeningen, naar uw vermogen volijverig mede te werken?”

Voor het eerst werd nu de kerk, waarin men de belijdenis aflegde en voor welke en voor welker bloei men beloofde zich in te zullen zetten, met haar naam genoemd. Het is mogelijk dat er zich onder de lezers van ‘Ecclesia’ nog enkelen bevinden aan wie in het uur van hun belijdenis deze vraag ook is gesteld, want deze, en de beide andere vragen bleven gelden tot 1951. En daarna zullen zij ook nog in een aantal gemeenten hebben voortbestaan.

De kerkorde van 1951

Als gevolg van de kerkorde van 1951, die een einde maakte aan de zeer omstreden Reglementenbundel, werden ook nieuwe belijdenisvragen geformuleerd. Een voorzet daartoe was tijdens de Tweede Wereldoorlog opgesteld door theologen en predikanten tijdens hun internering in het kamp van St. Michelgestel. Ook had dr. O. Noordmans belijdenisvragen1 opgesteld en van een toelichting voorzien, maar het is niet waarschijnlijk dat deze in bredere kring bekend waren. Bij de voorbesprekingen in de synode had prof. dr. A.A. van Ruler zijn bezwaar geuit tegen het opnieuw noemen van de Nederlandse Hervormde Kerk, zoals in de laatste vraag van 1862. Hij benadrukte dat wij gedoopt worden en belijdenis doen in de algemene christelijke kerk. In de Handelingen van de generale synode is te lezen als zijn mening: “Welbewust is [nl. in het oorspronkelijk ontwerp, LJG] de Hervormde Kerk niet genoemd, omdat ze in het opzicht van de Kerk reeds is bedoeld; dat kan alleen in een bepaalde kerkgemeenschap worden uitgeoefend. De Nederlandse Hervormde Kerk weigert alleen maar Nederlandse Hervormde Kerk te zijn. Ze wil katholiek zijn. Dit raakt het wezen van de Kerk en van de openbare belijdenis des geloofs. Evenmin als men in de Nederlandse Hervormde Kerk gedoopt wordt, doet men belijdenis in de Nederlandse Hervormde Kerk.”

Toch kwam de naam van de Hervormde Kerk in de derde belijdenisvraag terug. Anders gezegd: evenals in de vraag van 1862 bleef de naam van de kerk staan. Maar de drie, deels nieuwe vragen werden nu niet opgenomen in de kerkorde. Zij zouden hun plaats krijgen in het Dienstboek. Dit Dienstboek heeft het echter nooit verder gebracht dan ‘in ontwerp’ te zijn. Het stond de gemeenten vrij er gebruik van te maken, maar was niet verplicht. In dit niet-verplichte Dienstboek stond een kort formulier voor de dienst voor de openbare belijdenis des geloofs. Een dergelijk formulier was in de Nederlandse (Hervormde) situatie voor het eerst sinds de Reformatie, maar verplicht was het gebruik daarvan dus niet. Evenmin waren de belijdenisvragen verplicht voorgeschreven. Iedere kerkenraad kon dus aan de confirmanden vragen wat hij belangrijk en verantwoord achtte. En dat is zo gebleven tot in 2004 de Hervormde Kerk opging in de Protestantse Kerk in Nederland, hoewel verdedigd zou kunnen worden dat overgangsbepaling 188 toch nog bond aan de vragen van 1862.

En nu?

Ieder beroep op die overgangsbepaling is echter sinds 2004 onmogelijk geworden, want er is nu een nieuwe situatie, een nieuw gestichte kerk.

Haar kerkorde vermeldt geen belijdenisvragen. Evenals in de kerkorde van 1951 stelt Art. XI lid 8 dat de openbare geloofsbelijdenis plaats vindt “in het midden van de gemeente, met gebruikmaking van een orde uit het dienstboek van de kerk”. Is er een dienstboek? Nee, er is een ‘proeve’ van een dienstboek (2004), bestaande uit twee delen van elk ruim 1.000 pagina’s. Daarin vindt men twee – nieuwe – orden voor een belijdenisdienst. Of die in orthodoxe gemeenten worden gebruikt, is de vraag. Zij verschillen danig van wat in het Dienstboek-in-ontwerp van1956 was opgenomen. Het formulier met de vragen van1956 heeft echter in de ‘proeve’ van 2004 óók een plaats gekregen en waarschijnlijk wordt dit in rechtzinnige gemeenten doorgaans gebruikt. Daarin is de derde vraag wel aangepast, zodat deze nu luidt: “Wilt u, in de gemeenschap van de Protestantse Kerk in Nederland en onder haar opzicht, getrouw zijn onder de bediening van het Woord en de sacramenten, volharden in het gebed en het lezen van de Heilige Schrift, en wilt u met de u geschonken gaven meewerken aan de opbouw van de gemeente van Christus?”

Kan dat nog?

Ik ben echter van mening dat het niet verantwoord is deze vraag anno 2013 aan de confirmanden te stellen. De praktijk van de laatste jaren bewijst dat vooral jonge mensen zich helemaal niet meer gebonden achten aan de kerk van hun doop en belijdenis. Vooral na een verhuizing gaan zij dikwijls ‘shoppen’ totdat ze een kerkelijke gemeente vinden waar zij zich thuis voelen. Hun ouders en de kerkenraad van hun belijdenis- gemeente mogen al blij zijn wanneer zij dit nog doen en ondanks hun belijdenis niet wegglijden in onkerkelijkheid.

In het verleden was het noemen van de vaderlandse kerk waaruit alle kerken van gereformeerde belijdenis direct of indirect zijn voortgekomen, nog enigszins verdedigbaar, hoewel, zoals wij zagen, rond 1950 theologen als O. Noordmans en A.A. van Ruler de naam van de kerk helemaal niet genoemd wilden hebben. Zij achtten dit strijdig met de katholiciteit van de kerk. Hun argumenten lijken me nog steeds van betekenis.

Het is een vreugdevolle zaak wanneer mensen, meestal zijn dat jonge mensen, in deze jaren met overtuiging de belijdenis willen afleggen. Dat is iets om God dankbaar voor te zijn. Maar is het goed hen dan te binden aan een bepaalde kerkelijke gemeenschap? Worden zij misschien in het geweten bezwaard wanneer zij na verloop van tijd op een andere plaats voedsel vinden voor hun geestelijk leven en zich daar willen aansluiten? Laat het bij de voorbereiding tot de belijdenis én in de vragen die hun gesteld worden duidelijk zijn dat zij (gaan) behoren tot de algemene, christelijke kerk.

L.J. Geluk, Rotterdam

Noot
1 De tekst daarvan luidt als volgt: “Weet gij een lidmaat der gemeente van Christus te zijn en belijdt gij mitsdien, dat wij onze Vader in de hemelen hebben en dat zijn Koninkrijk nabij is gekomen? Erkent gij daarom Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, als uw Heer en gelooft gij verkoren en geroepen te zijn Hem te belijden voor de mensen, tegen de zonde en de duivel te strijden en uw leven Hem te offeren? Vertrouwt gij, dat de Heilige Geest u daartoe zijn gaven wil schenken, u in dit leven onder het kruis zal troosten en u opnemen in de gemeenschap der heiligen? Verlangt gij alzo deel te nemen aan het heilig Avondmaal, om met de gemeente de harten omhoog te heffen tot de Heer, zijn dood te verkondigen, zijn opstanding te vieren en om zijn Geest te roepen? En zijt gij willig, u aan de tucht des Geestes in de gemeente te onderwerpen?” Dr. A.F.N. Lekkerkerker vermeldt ze op blz. 38v in zijn Kanttekeningen bij het Hervormde Dienstboek, deel IV, ’s Gravenhage 1956. In dit artikel is veel aan zijn verhandeling over de openbare belijdenis ontleend. LJG