Terug naar Ecclesianet.nl

Bij de inhuldiging van een nieuwe koning

Enkele historische notities

Voor de zevende maal in het bijna tweehonderdjarig bestaan van het Koninkrijk der Nederlanden zal de Nieuwe Kerk in Amsterdam het toneel zijn van een plechtige inhuldigingsceremonie. Op 30 april aanstaande hoopt de Prins van Oranje de regering te aanvaarden, waarna hij in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal als koning Willem- Alexander zal worden beëdigd en ingehuldigd.

Wat houdt het inhuldigen in? Bedoeld wordt, dat de volksvertegenwoordigers publiekelijk hun trouw aan de nieuwe koning betuigen door hoofd voor hoofd te zweren (te beloven), dat zij zijn onschendbaarheid en de rechten van zijn koningschap zullen handhaven. Hoewel de inhuldiging plaatsvindt in de monumentale Nieuwe Kerk op de Dam, is ze een puur staatsrechtelijke aangelegenheid. Ze heeft, in tegenstelling tot de kroningsceremonie in Engeland, geen godsdienstig karakter. In een “neutrale” staat als Nederland, waar kerk en staat gescheiden zijn, ligt dit trouwens voor de hand.

Toch hebben bij vorige inhuldigingsceremoniën godsdienstige elementen nooit geheel ontbroken. Zeker niet in 1814 en 1840, toen de eigenlijke inhuldiging op verzoek van de vorst werd gevolgd door een godsdienstige plechtigheid, waarbij een hervormd predikant een preek hield. Na de inhuldiging van de soevereine vorst Willem Frederik op 30 maart 1814 bepaalde professor Petrus Haeck, predikant te Amsterdam, de aandacht van de vergadering bij 1Samuël 7: 15: “Samuël nu richtte Israël al de dagen zijns levens.” De plechtigheid werd met gebed, dankzegging en zegen besloten. Bij de inhuldiging van koning Willem II op 28 november 1840 hield de oudste hervormde predikant van de hoofdstad, ds. J.L. Wolterbeek, na het afleggen van de eden een korte preek over Spreuken 8: 15: “Door Mij regeren de koningen en de vorsten stellen gerechtigheid.” De predikant besloot met een gebed voor het vorstenhuis, waarna op zijn verzoek werd gezongen psalm 72: 11:

Zijn naam moet eeuwig’ eer ontvangen! Men loov’
Hem vroeg en spa!
De wereld hoor’ en volg’ mijn zangen met Amen,
Amen, na!

Niet iedereen was ingenomen met het protestantse karakter van deze plechtigheid. Dat een hervormd predikant een godsdienstige rede hield en dat er een psalm werd aangeheven, vonden velen een miskenning van de tijdgeest (toen al!). Een vorst van een constitutionele monarchie behoorde zijn godsdienstige belijdenis terzijde te stellen, als hij in zijn functie bepaalde handelingen verrichtte.1

Toen koning Willem III op 12 mei 1849 werd ingehuldigd, liet men met het oog op de scheiding van kerk en staat een godsdienstige plechtigheid bewust achterwege. De Franse schrijver Alexandre Dumas (1802- 1870), die de inhuldigingsceremonie bijwoonde, miste daarin iets. In zijn verslag, gepubliceerd in de Revue de Paris, schreef hij dat “de aangrijpende poëzie der godsdienstoefening” ontbrak. Nu was het alsof Willem III de kroon uit handen van mensen ontving. Dumas had er getuige van willen zijn dat de koning, terwijl het volk hem huldigde, zich voor God neerboog. “Uit die houding opgerezen, was hij in mijn ogen groter geweest.”2

In zijn inhuldigingsrede, voorafgaande aan de beëdiging, had koning Willem III Gods Naam echter wel genoemd. “Thans is het ogenblik daar, dat ik voor het oog van de Almachtige, die het lot van koningen en volken in handen heeft, mij onder inroeping van Zijn heilige Naam, aan mijn edel, trouw en ordelievend volk zal verbinden.”

Bijna een halve eeuw later, op 6 september 1898, verbond koningin Wilhelmina zich “onder aanroeping van Gods heilige Naam” aan het Nederlandse volk. Aan het slot van de inhuldigingsceremonie zong een koor op de melodie van “Nun danket alle Gott” een vers, dat geschreven was door de toenmalige ministerpresident N.G. Pierson:

O, onvergeetbre stond,
O, dag van zielsverblijding,
Hoe werd ’t aloud verbond
Gesterkt door hooger wijding.
Nu daal’ op ’t vorstlijk hoofd,
Heel Neerlands vreugd en eer,
Een rijke zegen neer!
Zoo wordt Gods naam geloofd.
3

Bij de inhuldiging van koningin Juliana op 6 september 1948 wees de nieuwe vorstin er in haar rede op, dat zij de moed om de roep tot het koningschap te volgen vond in het vertrouwen op God en in de grote liefde waarmede ons volk haar tegemoet trad. Toen de inhuldiging ten einde was, bracht een koor het lied: De Heer is mijn herder ten gehore.

Koningin Beatrix zei op 30 april 1980 in haar inhuldigingsrede dat zij haar opdracht wilde vervullen “vanuit het vaste geloof dat God mijn leven leidt.” En zij vervolgde: “Wanneer ik dadelijk de eed op de Grondwet aan het Nederlandse volk zal afleggen, is het niet uit eigen kracht dat ik de taak die mij is toegedacht, begin. In mijn geloof hoop ik die kracht te vinden. Zo liggen mijn allerdiepste wortels in ons volkslied: Mijn schild ende betrouwen zijt Gij o God, mijn Heer.

Na de inhuldiging zong een koor: Domine salvam fac reginam nostram (Heer, zegen onze koningin) en toen de koninklijke stoet het kerkgebouw verliet, werd gezang 293 uit het Liedboek voor de kerken aangeheven: Wat de toekomst brengen moge, mij geleidt des Heren hand. Moge dit geloof in Gods leiding ook doorklinken in de inhuldigingsplechtigheid van 30 april 2013.

M. den Admirant, ‘s-Gravenhage

Noten
1 Diverse gegevens zijn ontleend aan: A.J.P.H. van Cruyningen, De inhuldiging van de Nederlandse vorst, doctoraalscriptie Nijmegen, 1989.
2 Alexander Dumas, De inhuldiging van Z.M. Koning Willem III (uit het Frans vertaald), Amsterdam, 1849.
3 G. Puchinger, Nederlandse minister-presidenten van de twintigste eeuw, Amsterdam, 1984, blz. 30.