Terug naar Ecclesianet.nl

Het belijden van de Kerk, toen en nu

Het is van het grootste belang voor de Kerk om in een bepaalde geschiedperiode het eigenlijke thema te vinden, ofwel het punt waarop het aankomt dat ze de waarheid belijdt. Iets dergelijks is ook door de Engelse historicus Arnold J. Toynbee naar voren gebracht. De drijvende kracht in de geschiedenis is volgens hem de tweeslag uitdaging en antwoord. Steeds weer doet zich in de geschiedenis een uitdaging voor die om een antwoord vraagt. En dat antwoord moet opgediept worden uit de Schrift, aldus C.H. Dodd, die in zijn boekje De apostolische prediking en haar ontwikkelingsgang (Nijkerk, 1957) op Toynbee wijst.

Het eigenlijke thema; een terugblik

Het thema uit de tijd van de Heidelberger Catechismus werd verwoord in de bange vraag van Maarten Luther: ‘Hoe vind ik een genadige God?’ Het antwoord op die vraag is Luther niet komen aanwaaien. Jarenlang verdiepte hij zich in de Schrift, in Augustinus en in andere vroeg-christelijke en Middeleeuwse godgeleerden. In 1503 ging hij het klooster in, 1517 was het jaar van zijn stellingen. Daartussen lag een tijd van studeren en ‘kloppen’ op de Schrift. Luther zegt ervan dat hij als een bezetene klopte op de teksten, die hij niet begreep om er de eigenlijke boodschap van het Evangelie in te kunnen ontdekken. Totdat het voor hem openging. Toen heeft hij uit kracht van de Schrift de wereld min of meer uit zijn voegen getild. Zo krachtig is het Evangelie!

De herontdekking van het Evangelie heeft in Europa een geweldige betekenis gehad. Groen van Prinsterer schrijft in zijn boek Ongeloof en Revolutie dat het geloof dat herontdekt was, een zoutend zout vormde tegen bederf dat zich op het laatst van de Middeleeuwen in het corpus christianum begon voor te doen. Dat laatste was vooral het geval in de Noord- Italiaanse steden, waar iemand als Macchiavelli (1469 -1527) naar voren bracht dat de mens geen enkele rekenschap hoefde af te leggen van zijn daden, maar om het modern te zeggen ´voor zichzelf moest kiezen ´. Het zout van de Reformatie is echter, aldus Groen, overeenkomstig de beeldspraak van de Bijbel, zouteloos geworden. Dit gebeurde vooral in de 17e en 18e eeuw, toen het geloof verzwakte en de Kerk niet bij machte was aan deze ontwikkeling het hoofd te bieden.

Het kwaad dat ingedamd was, openbaarde zich in een nieuwe gedaante, in de vorm van de geschiedenismakende mens, aan wie de toekomst toekwam, die zich ontslagen waande van het geloof, van de openbaring, van de Kerk. Deze mens verabsoluteerde zichzelf en maakte zich los van elke binding, los van de openbaring, van de traditie, van elke vorm van gezag. Voor al die ‘waarden’ ontwikkelde hij iets wat lijkt op een allergie.

Toen begon het proces van wat Simone Weil noemde ‘ontworteling’. Dit proces vond zijn kristallisatiepunt in de leus van de Franse Revolutie: ni Dieu, ni maitre. De Franse Revolutie, het moment waarin het ongeloof tot een politieke doorbraak kwam en mondig werd, was als de doos van Pandora, waardoor heel Europa uit het evenwicht raakte en de geschiedenismachten tot ontplooiing kwamen. Dat gebeurde in de 19e en 20e eeuw. De 19e eeuw was de eeuw van de incubatietijd van deze machten – het socialisme of marxisme en het nationalisme. Deze machten manifesteerden zich in hun vreselijke gedaanten in de 20e eeuw in de vorm van het nationaal-socialisme en het communisme en de catastrofes die door deze ideologieën teweeg zijn gebracht.

Amerika heeft Europa tot twee à drie keer toe uit het slop gehaald. De morele kracht van de Verenigde Staten, waarin het christelijke geloof niet zo onder druk is komen te staan als in Europa het geval was, heeft aan Europa de mogelijkheid verleend om tientallen jaren een ogenschijnlijk vrij rustig bestaan te leiden. Het werd Europa’s redding. Dat neemt niet weg, dat in het kielzog van de NAVO het ongeloof in het Westen voortwoekerde en opnieuw naar voren kwam in de vrije moraal van de jaren zestig, die voortkwam uit een nihilistisch levensbesef. En dat in een wereld waarin enorme technische vooruitgang werd geboekt en de macht van de media en inmiddels ook van de sociale media alleen maar groter werd en wordt.

Het eigenlijke thema

In deze tijd zijn wij geroepen te belijden en te getuigen. Maar wat? Wat is het eigenlijke thema? Is dit niet op een voortreffelijke wijze onder woorden gebracht door dr. W. Aalders? Is het niet de dynamiek van de geschiedenis waarmee wij geconfronteerd worden, die zich voordoet als een stormkracht, waardoor het water hoog opzwiept tegen de bedijking van de wet en de traditie? Onder het geweld ervan bezwijkt deze steeds meer. Er is een ontwikkeling gaande waarbij het kwaad als een ideologisch virus is, dat zich het ene moment koppelt aan de ene beweging en het volgende aan een andere. In de afgelopen decennia is het Midden-Oosten erdoor aangeraakt, vooral Al Qaeda, waarvan de meest vooraanstaande figuur, de inmiddels door Amerikaanse commando’s gedode Bin Laden was. Hij werd in de koude oorlog betrokken bij een conflict dat zijn eigenlijke aandacht minder en minder had: de strijd tussen het vrije Westen en het communisme. Daardoor aangeraakt ontpopte hij zich tot de meest fanatieke terrorist tegen de Westerse wereld, met de 11e september 2001 als verschrikkelijk gevolg. Zo deed zich voor wat Edmund Burke eens voortreffelijk onder woorden bracht. Van hem is de beeldspraak van het virus. Hij zei ervan: je bestrijdt het, maar pas op: zodra je het denkt in de greep te hebben, is het al een mutatie aangegaan met een ander virus en doet het zich in verdubbelde kracht aan je voor. In onze tijd heeft het zich gekoppeld aan de radicale islam met zijn terreur, die het Michael Burleigh in zijn recente boek Heilige Doelen ingeeft te spreken over onze tijd als een tijd van angst.

De dynamiek van de geschiedenis, met alle vragen die deze oproept! Het leek er even op dat de storm die ermee gepaard gaat, ging liggen. Na de val van de Berlijnse muur dachten we in de jaren negentig van de vorige eeuw in de luwte te komen. Sommigen spraken zelfs van een stilstand in de geschiedenis. Het bleek op de 11e september 2001 een illusie. Deze datum veranderde de wereld. Maar inmiddels zijn we zo gewend geraakt aan en gesteld op de luwte waarover ik sprak, dat wij vooral in Europa de neiging hebben om, ondanks de gevaren waarin de wereld verkeert, er geforceerd in te willen wegkruipen en dat in de vorm van een kortzichtig hedonisme: het zoeken van het geluk en het vermaak op de vierkante meter van het eigen, individuele leven. Het markeert een levensstijl van ‘après nous le déluge’. Het einde van de ideologie, dat zich manifest maakt in het zogenaamde postmodernisme, laat zien dat de mens geen doorzicht meer heeft in de geschiedenis en zich daarbij neer lijkt te leggen.

Het antwoord in de Schrift?

In deze tijd zijn wij geroepen te belijden en te getuigen. Zoals gezegd, zocht Luther de antwoorden op de uitdagingen van zijn tijd in de Schrift. ‘Als een bezetene klopte ik op de woorden van de apostel Paulus.’ De Schrift ging voor hem open, in al haar kracht. Ze gaf hem een boodschap in handen, die er toe deed.

Is er een mogelijkheid dat ook wij in de Schrift een antwoord vinden op de vragen van vandaag en vooral op de vraag naar de zin en de uitkomst van de geschiedenis, zodat wij een woord hebben voor de wereld en zodat op zijn minst de gelovigen zich daaraan kunnen optrekken? Stellig!

Een eerste voorwaarde daarvoor is dat we er op goede gronden van doordrongen zijn dat de Schrift betrouwbaar is, d.w.z. in de historie verankerd is en van een historisch feit getuigenis af legt. Om dat duidelijk te maken, is veel nodig. Evenals in de tijd van Luther moet er, wil de Schrift tot ons gaan spreken, eerst veel voorwerk gebeuren en moet duidelijk zijn dat de Schrift relevant is als historisch getuigenis van het heil dat in Christus op aarde verscheen. Dit voorwerk mag van predikanten verwacht worden!

Ik onderstreep: om van deze historische verankering en om van deze relevantie overtuigd te raken, zodat de Kerk weer met overtuiging kan spreken, moet veel werk verricht worden. Het volgende kan dat illustreren. Onlangs viel in het RD te lezen dat Klaus Berger, die in Duitsland jarenlang hoogleraar NT was, de noodklok luidde. Voor veel hoogleraren is de Bijbel, aldus Berger, een samenraapsel van teksten, waaraan geen historische werkelijkheid ten grondslag ligt. Enkele studenten in de theologie vertelden me onlangs dat ook in de Nederlandse theologische opleiding veel afgedongen wordt op de hoofdwaarheden van het christelijke geloof. Deze ontwikkeling past volledig in het raam van het postmodernisme, waarin iedereen zijn eigen waarheid heeft. Een van de studenten zei dat er met het oog op de Heilige Schrift een gevoelen heerst van ‘je kunt toch nooit bewijzen dat het zo gegaan is, zoals het in de Bijbel staat.’ Het is duidelijk dat de Schrift op deze manier geen enkel houvast biedt.

Het merkwaardige is nu dat belangrijke theologen vooral binnen het protestantisme er genoegen mee lijken te nemen dat de bijbelse boodschap alleen boodschap is en geen getuigenis van wat in de historie gebeurd is. Zo maakte Rudolf Bultmann een geweldig onderscheid tussen wat gebeurd was en wat verkondigd werd. Voor hem deed de historische Jezus weinig ter zake. Jezus was een profeet met een belangrijke boodschap, die om die boodschap gekruisigd werd. Maar Hij is niet uit de doden opgestaan. Wonderen deed Hij niet. En al zeker is Hij niet de Zoon van God. Dat heeft de gemeente, die na Pasen ontstond, van Hem gemaakt. De eigenlijke boodschap van Jezus, die een profetische figuur was, is dat hij ons voor de persoonlijke keuze stelt: voor of tegen God. De apostelen gingen deels in zijn lijn voort, alleen goten zij zijn boodschap in een andere vorm en getuigden ze van zijn wonderen en van de opstanding. Wij in de 20e eeuw, aldus Bultmann, kunnen daar niet meer in geloven. Maar de vorm doet er ook niet toe, het gaat om de boodschap van heil. Heil dus zonder historische achtergrond. Deze manier van denken heeft vooral in de Duitse Kerken, maar ook in Nederland de Bijbel gemuilkorfd. Het meest wezenlijke aspect van de Bijbel dat het Evangelie een getuigenis is van wat is geschied, wordt in deze denkrichting ondermijnd. Zo komt de bijbelse boodschap in de lucht te hangen. Theologen als Bultmann hebben echter hun duizenden verslagen. Het gezag van de Schrift is er door teloor gegaan, zodat men er wel spreekt van ‘Bibelnot’.

Er staat geschreven, er is geschied

Hoe gelukkig mogen we ons prijzen dat er in het moderne bijbelonderzoek ook een andere tendens is. Meerdere getalenteerde bijbelgeleerden werd het door zorgvuldige studie duidelijk dat het Evangelie teruggaat op de historische werkelijkheid van Jezus, die op zijn discipelen een weergaloze indruk maakte! Weliswaar vielen deze geleerden minder op dan de theologen van grote naam als Barth en Bultmann! Ik noem maar enkele namen, Johannes Weiss, C.H. Dodd, en in de laatste decennia vooral Martin Hengel en James Dunn.

Zo heeft Martin Hengel in een van zijn laatste geschriften duidelijk gemaakt hoe de Evangeliën tot stand zijn gekomen en de grote betekenis van de apostelen bij dit proces benadrukt (Die vier Evangelien und das eine Evangelium von Jesus Christus. Studien zu ihrer Sammlung und Entstehung, Tübingen 2008). Hengel deed dit zo overtuigend dat mevrouw Barbara Aland (geboren 1937), die met haar man Kurt Aland (1915 – 1994) , tientallen jaren het beroemde Griekse Novum Testamentum uitgegeven heeft, hem op het laatst van zijn leven een bedankbrief schreef. Daarin sprak zij haar lof uit voor het feit dat hij haar, die op dit gebied een kenner van de eerste orde is, duidelijk heeft gemaakt hoe het met de totstandkoming van de Evangeliën gegaan is en hoe betrouwbaar deze zijn. Een andere verdienste van Hengel is, dat hij op historische gronden duidelijk maakte dat Jezus zelf vervuld was van het besef de Zoon van God te zijn!

Binnen de protestantse Kerken zijn de werken van deze theologen tot op vandaag nauwelijks benut. Aan de rechterzijde werd historisch bijbelonderzoek doorgaans niet relevant geacht. Men had de dogmatiek, Calvijn en Luther. Hetzelfde geldt op een ander manier voor de ‘linkerzijde’ in de Kerk, de moderne zijde. Daar ging het om de boodschap, het verhaal. Aan ‘het verhaal van Jezus’ hoeft geen historische werkelijkheid ten grondslag te liggen. Het boek van Nico ter Linde Het verhaal gaat is er een schoolvoorbeeld van. Evenals het recente ‘Paulusboek’ van Fik Meyer dat op tal van plaatsen buitengewoon onhistorisch is. Is het vreemd dat de moderne mens zo beschouwd nauwelijks een boodschap aan de Schrift heeft? Want alleen in de twee-eenheid van ‘er staat geschreven, er is geschied’ ligt de kracht van de verkondiging. Maar wat als dit besef zelfs in de Kerk nauwelijks meer gevonden wordt!?

Ik wijs op een tweede aspect dat er in dit opzicht toe doet en waar men in de Kerken in gebreke is gebleven. Door de vergroting van de kennis van de wereld van het NT is veel meer licht komen te vallen op de inhoud, het reliëf en het bijzondere van de persoon van Jezus! Hetgeen in de Evangeliën te lezen valt, is er heel plausibel door geworden. De vraag is of predikanten deze Umwelt van het Nieuwe Testament nog kennen en te nutte weten te maken. Om te illustreren wat ik bedoel, haal ik het volgende voorval op. Ik sprak laatst na een predikantenvergadering te hebben bezocht, een collega. Hij is een kenner van Calvijn. Ik vroeg hem: “Wat denk je, hoeveel van de bezoekers aan de conferentie, zullen Cicero, die bijna een tijdgenoot was van Christus, gelezen hebben? Wie van hen kent Seneca, die in dezelfde tijd leefde als Paulus? En vooral ook: wie kent Flavius Josephus en Philo? Zouden ze op de vingers van een hand te tellen zijn? En dat terwijl Calvijn en Luther deze auteurs op hun duimpje kenden. Die kennis verleende hen een historisch zintuig, zodat ze in staat waren om met kracht te getuigen van de bijbelse boodschap. Ze wisten dat de Schrift terugging op een historische werkelijkheid. In dat opzicht stonden ze ver boven ons en dat terwijl wij door de vondsten van papyrusresten en andere documenten en door Qumran en de herontdekking van de LXX veel meer kunnen weten dan zij! Maar wie verdiept zich in de klassieke werken? En dat terwijl het Evangelie voor ons veel meer reliëf en zeggenschap krijgt als we de achtergrond van het Evangelie leren kennen!”

Van Luther is bekend dat hij in zijn kloostertijd en in de beginperiode van de Reformatie zich de Griekse en Hebreeuwse taal eigen maakte. Hij las Cicero, Quintillianus en verdiepte zich in de Romeinse oudheid. Hij liet geen middel onbenut om de Schrift te kunnen verstaan. Hetzelfde geldt van Calvijn. En uitgerekend degene die in hun spoor willen gaan, die daarvoor veel en veel meer mogelijkheden hebben dan Luther en Calvijn, weten de kansen die geboden worden nauwelijks te benutten.

In de Rooms-Katholieke Kerk is in een soortgelijke situatie na de Tweede Wereldoorlog grote verbetering gekomen, niet in het minst door de grote bijbelgeleerde Père M.J. Lagrange, die aan het eind van de 19e eeuw in Jeruzalem een bijbelschool stichtte. Hij begreep dat hij de bijbelkritiek, die in de 19e eeuw in Duitsland was opgekomen, kon benutten. Waar het nodig was, kon hij deze kritiek door veel kennis van zaken op haar eigen terrein verslaan. Jean Guitton, die correspondeerde met hoge geestelijken, deed in de dertiger jaren een goed woord voor hem en schreef aan een bevriende kardinaal: als wij ons niet open stellen voor het bijbels-historisch onderzoek, zullen we in de huidige tijd niet in staat zijn om een overtuigend christelijk getuigenis te laten horen. De kardinaal was bevriend met Johannes XXIIIe, die het advies van Guitton ter harte nam. Hij opende de weg tot intensieve bestudering van de Bijbel, met gebruikmaking van modern bijbelonderzoek. De boeken van de latere paus Benedictus XVI zijn niet denkbaar zonder deze omslag. En we weten dat hij juist door onbevangen en grondige studie zijn drie boeken over Jezus van Nazareth kon schrijven! Uit Benedictus’ geschriften blijkt hoeveel waardevols het moderne bijbelonderzoek te bieden heeft. Als men de Bijbel maar oprecht, eerlijk en met eerbied benadert.

De kern van het bijbels getuigenis: gerealiseerde eindtijd

Door het moderne bijbelonderzoek komt de historische betrouwbaarheid van de NT- prediking meer en meer aan het licht. Dat brengt me tot de volgende opmerking: uitgerekend het moderne historische bijbelonderzoek heeft duidelijk gemaakt wat de kern is van het bijbels getuigenis. Het bijzondere is nu dat deze kern alles te maken heeft met de vragen die de geschiedenis vandaag de dag bij ons oproept.

Wat is de kern? Heel zorgvuldig is dat onder woorden gebracht door C.H. Dodd. Hij ijkte daarvoor het begrip realised eschatology: gerealiseerde eindtijd. Eenvoudig gezegd drukt hij daarmee uit dat in Christus het hemelse Koninkrijk op aarde gekomen is - als een realiteit. Het is en blijft het koninkrijk der hemelen en toch is het al op aarde! Waar Israël naar uitzag en de profeten van spraken, is op aarde zelfs in die mate realiteit geworden dat het de verwachting oversteeg! Wat dat inhoudt, kan ik eenvoudigweg duidelijk maken aan de hand van gezang 463 uit het Liedboek van de Kerken. Het gezang laat iets van het geheim zien waarom de schare op Jezus aantrok. De krachten van het Koninkrijk der hemelen waren om Hem heen werkzaam. Ze waren gewaarborgd door en gingen uit van zijn Persoon. Het tekent ook de realiteit van dat koninkrijk. Onwillekeurig moet ik denken aan de manier waarop dr. W. Aalders daarover sprak toen hij zei dat er in Galilea sprake was van een apocalyptisch reveil: de eindtijd brak door!

O Heer, die onze Vader zijt,
vergeef ons onze schuld.
Wijs ons de weg der zaligheid,
en laat ons hart, door U geleid,
met liefde zijn vervuld.

Geef dat uw roepstem wordt gehoord,
als eenmaal bij de zee.
Geef dat ook wij uw nodend woord
vertrouwen, volgen ongestoord,
op weg gaan met U mee.

O vrede van Tiberias,
o heuvels in het rond,
waar Jezus in het zachte gras
de mensen liefhad en genas,
en in hun midden stond.

Leg Heer uw stille dauw van rust
op onze duisternis.
Neem van ons hart de vrees, de lust,
en maak ons innerlijk bewust
hoe schoon uw vrede is.

Dat ons geen drift en pijn verblindt,
geen hartstocht ons verwart.
Maak Gij ons rein en welgezind,
en spreek tot ons in vuur en wind,
o stille stem in ‘t hart.

Meerdere schilderijen van Rembrandt geven er blijk van dat ook hij daar iets van heeft gezien. De houding van Jezus als hij zich ontfermt over de melaatse en hem aanraakt, hoe Hij staat in Kapernaüm op de zogenaamde ‘honderdguldenprent’, zijn gezichtsuitdrukking bij de uitnodiging ‘Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven’, dat alles laat iets zien van de aanwezigheid van het Koninkrijk der hemelen. In Christus is dat zo nabij gekomen, dat het als met de handen te tasten viel. Hij is heilig, puur, en tegelijk zachtmoedig, vol ontferming: de eeuwige Zoon van God, die mens geworden is. Door dit geheimenis te openbaren trekt Hij ons tot zijn heil. Om die reden volgden de scharen Hem en riepen ze uit, `Deze spreekt als machthebbende en niet als de Schriftgeleerden. ´ Wie tot Jezus kwam, ondervond dan ook een metanoia, een bewustzijnsverandering. Dat gold ook voor zondaren die tot berouw kwamen. Immers, in Hem ging een nieuwe werkelijkheid open, de werkelijkheid van God, in de vergeving van de zonden. Deze werkelijkheid was tastbaar, zichtbaar aanwezig bij Christus.

Het is waar, dit riep ook verzet op. Sterk verzet zelfs. Maar de vijandschap van de Farizeeën en de Schriftgeleerden kon niet bewerken dat deze trekken bij Hem verdwenen. Integendeel: hun vijandschap, die Hem aan het kruis bracht, leidde er alleen maar toe dat het heil dat Jezus in zich droeg en de vergeving van de zonden die daarmee gepaard ging door zijn reactie erop des te duidelijker aan het licht traden. Jezus wist dat Hij de Gezondene van de Vader was en hield voor ogen dat Hij als de Zoon des mensen bestemd was om van de Vader alle macht te ontvangen Dat zou duidelijk worden als Hij de dood zou ingaan, neder zou dalen in het dodenrijk, de kluisters ervan zou breken en verheerlijkt zou worden. Zo zou Hij alle macht ontvangen in de hemel en op de aarde. Zo zou Hij het heil bewerken voor alle volkeren. Met dit voor ogen gaf Hij zijn leven als een offer. Zo vestigde Hij het Koninkrijk van God en opende Hij er de toegang toe.

De roeping van de Kerk

Dit heil is er voor de wereld. Om dit duidelijk te maken, zond Hij na zijn opstanding zijn discipelen uit en schonk Hij zijn Geest, waardoor de Kerk een feit werd. De Kerk nu is geroepen getuigenis af te leggen van dit historische feit. Zij is er als de vooruitgeschoven post van het Koninkrijk van God, zodat door haar de realised eschatology, die door Jezus op aarde werd geplant, als een gistend element in de wereldgeschiedenis zou worden bewaard en uitgedragen! En Jezus is haar nabij als degene die alle macht heeft en die dat toont en eens definitief zal tonen. Zoals dat gebeurde bij de Emmaüsgangers, toen Hij naast hen liep en hen de Schriften uitlegde, waardoor hun harten gingen branden.

Dat is nu de eigenlijke roeping van de Kerk: het uitdragen van de liefde van God in deze wereld op grond van deze in de historie gebeurde feiten. Zo roept de Kerk de mensen tot het heil dat door Jezus´ kruis en opstanding is bewerkt. Zij worden door deze verkondiging en door de Doop en het Avondmaal zuiver en geschikt gemaakt en behouden voor het Koninkrijk der hemelen, dat in de Kerk en in haar verkondiging en sacramentsbediening nog steeds present is. Door die verkondiging kan ook de moderne mens die in de wereld vermoeid geworden is en verdwaald is Hem gaan zien als ‘de apocalyptische Christus’, die de kluisters van deze wereld openbreekt en zich garant stelt voor het heil, zelfs voor verdwaalde schapen! Dat is onze boodschap!

De rots die de geschiedenismachten trotseert

Deze hemelse realiteit van Christus is dus gegrond in de historie. Ze is voor het eerst beleden door Petrus aan de rand van Cesarea Philippi, toen hij zei: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.’ Waarschijnlijk heeft Petrus deze belijdenis uitgesproken bij een heidense tempel aan de rand van Ceasarea Philippi, die gewijd was aan de ‘god’ Pan. De tempel, waarvan de restanten nog zichtbaar zijn, was gebouwd op een rots waaronder met geweld een onderaardse rivier zijn water naar boven stuwde. Jezus wees zijn discipelen toen Petrus zijn belijdenis uitsprak op deze rots. Het geweld van het water sloeg zich erop stuk, terwijl de rots bleef. Zo zou het water van de geschiedenis de belijdenis die Petrus uitsprak niet wegvagen, hoe geweldig het ook bruist en tekeer gaat!

Op dit fundament kunnen wij bouwen, juist ook in de angst van de geschiedenis, die we maar al te goed kennen. Dat dit zo is, bewijst ondermeer de geschiedenis van Sophie Scholl, die in München, tijdens de oorlog werd omgebracht. Deze jonge studente voelde zich, mede door haar broer Hans, die eenzelfde lot onderging, aangetrokken tot de boeken van Augustinus, Pascal en vooral tot de Bijbel. Ze zagen het als hun plicht te protesteren tegen Hitler en iets tegen zijn propaganda te ondernemen. Ze werden opgepakt en verhoord.

Tijdens dat verhoor deed Sophie Scholl een beroep op haar geweten, wees zij op het bepalende onderscheid tussen goed en kwaad in de wereldgeschiedenis, waarbij het goede er wezenlijk meer toe doet dan macht en geweld. Het goede komt voort uit en is verankerd in een hogere werkelijkheid. Haar ondervrager die meer en meer respect en medelijden met haar kreeg, probeerde haar zover te brengen dat ze afstand nam van haar daden. Ze ging niet overstag, zelfs niet toen haar leven ermee gemoeid was. Ze werd veroordeeld. In haar cel gekomen, vlak voor de executie die kort na haar veroordeling zou plaatsvinden, keek ze op naar het kruisbeeldje dat aan de wand hing. Daaraan ontleende ze kracht de dood tegemoet te gaan, evenals als aan het gebed van een predikant, die haar nog kort het Evangelie uitlegde en zegende. Zo, gedragen door Christus ging ze heen. Haar moeder, van wie ze kort voor haar dood even afscheid mocht nemen, voegde haar nog toe: ‘Sophie, Christus’.

Ik breng haar geschiedenis naar voren omdat ook wij tijden meemaken, die bepaald niet gunstig zijn voor de Kerk. Het moderne seculiere denken keert zich meer en meer tegen het christelijke geloof. In andere werelddelen, maar ook in Europa worden we keer op keer opgeschrikt door de terreur van het moslimfundamentalisme, dat zich ook richt tegen christenen, vooral in landen als Egypte, Libië en Syrië. Wereldwijd is er het netwerk van Al Qaeda! Het is opvallend dat Al Qaeda ‘basis’ betekent. Het duidt op de basis van geweld dat uitgedragen en gepraktiseerd wordt. Daartegenover staat de ´rots´, waarover T.S. Elliot zo mooi dichtte in zijn dichtwerk Choruses of the Rock. Deze rots, de historische Jezus, de Zoon van de levende God, vormde de vaste grond onder de voeten van Petrus, van Paulus en van velen meer, aan wie zij kracht ontleenden om zelfs als martelaren staande te blijven. En het was zoals het gezegde verwoordde: ´het bloed der martelaren was het zaad der Kerk.´

Het is dus zaak om het antwoord op onze vaak beangstigende tijd te vinden in het Evangelie dat in de historie verankerd is in Jezus, Gods Zoon, die het Koninkrijk van God op aarde bracht, waarin wij nu al delen, die als de Opgestane aanbeden wordt en die het visioen opent van het Koninkrijk der hemelen dat aanstaande is.

Alleen zo kan de Kerk tot haar eigenlijke taak komen, ook in de stormen van vandaag.

´t Scheepke onder Jezus´ hoede,
met de kruisvlag hoog in top,
neemt als arke der verlossing,
allen die in nood zijn op.
En staat de zee dan hol en hoog
en zweept de storm ons voort,
wij hebben ‘s Vaders Zoon aan boord
en ‘t veilig strand voor oog.

Ook en juist in de stormen van de huidige wereld is de Kerk dan, zoals ze bedoeld is: een ark der verlossing!

H. Klink, Hoornaar