Terug naar Ecclesianet.nl

De kerk in de theologie van Dr. A. van de Beek (II, slot)

Het ambt

Is een reformatorisch christen, wanneer hij van deze “paepsche stoutigheden” kennisneemt, op z’n minst geneigd de wenkbrauwen te fronsen, er is nog méér in het gedachtegoed van Van de Beek, waartegen een rechtgeaarde protestant in het geweer komt. God heeft, zo stelt hij, aan de kerk een drietal instrumenten gegeven om de gemeente bij Christus te bewaren: het ambt, de Bijbel en de geloofsbelijdenis. Door deze stelling wordt het sola scriptura van de Reformatie prijsgegeven. Het ambt, aldus Van de Beek, was er eerder dan het Nieuwe Testament. Dat het ambt van bisschop reeds in de eerste eeuw in de kerk is ingesteld, wettigt de veronderstelling, dat de bisschoppen door de apostelen als hun opvolgers zijn aangewezen. En wat van het ambt geldt, geldt ook van het credo: de vroegste geloofsbelijdenissen gaan in anciënniteit aan het Nieuwe Testament vooraf. Zij zijn zelfs bepalend geweest voor wat er in de canon werd opgenomen.

Een en ander betekent overigens niet, dat Van de Beek bereid zou zijn om ter wille van de toenadering tot de Romana door het reformatorische “nee” tegen typisch rooms-katholieke leerstellingen een streep te halen, vooral niet wanneer hij van deze items geen spoor terugvindt in de Vroege Kerk. Een sprekend voorbeeld hiervan is de afkondiging van het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid door het eerste Vaticaanse Concilie (1870). Voor bisschoppen als Cyprianus en Firmilianus1 zou dit, aldus Van de Beek, “een gruwel” (!) geweest zijn (blz. 92).

Kerk en Koninkrijk

In zijn – zeer uitvoerige – uiteenzetting over de kerk komt Van de Beek ook te spreken over de verhouding tussen kerk en Koninkrijk. Uitvoerig staat hij stil bij de gedachte dat de kerk geen doel in zichzelf is, maar een functie van het Koninkrijk Gods. In dit verband neemt hij eerst de – in de jaren vijftig breed gedragen - apostolaatstheologie van de jaren vijftig onder de loep, waarbij hij achtereenvolgens Van Ruler, Barth en Berkhof hun zegje laat doen, om daarna de - maatschappijkritische ontwikkelingen van het einde van de jaren zestig (Ter Schegget) ter sprake te brengen.

Dikwijls wordt gesteld, aldus Van de Beek, dat het niet gaat om de kerk, maar om het Koninkrijk van God. Van de Beek erkent deze tegenstelling niet. Voor hem zijn kerk en Koninkrijk geen verschillende grootheden. In scherpe bewoordingen rekent hij af met de “koninkrijkstheologie”: in deze theologie “wil de kerk haar gezag doen gelden op een wijze die alle aardse macht te boven gaat. Zij wil Gods Koninkrijk op aarde vestigen, ook al blijft dat zwevend als een utopisch perspectief. Zo wordt de verkondiging van het Koninkrijk eerder ideologie dan theologie. Religieuze ideologieën zijn de zwaarste die er zijn, want men heeft God aan zijn kant” (blz. 131). De verhouding tussen kerk en Koninkrijk is een heel andere: “De kerk is de gemeenschap van mensen die gestorven zijn aan de wereld en behoren tot de nieuwe schepping. Zij zijn de gestalte van Gods Koninkrijk op deze aarde. Zij zijn degenen die reeds deelhebben aan het eeuwige leven in Gods Koninkrijk. Daarom zijn kerk en Koninkrijk geen verschillende grootheden. Alleen is de kerk op aarde de heerschappij van God in de gestalte van het kruis” (blz. 141).

Kerk in crisis

In § 1.11 van zijn boek biedt Van de Beek ons een analyse van de situatie, waarin de kerk vandaag de dag verkeert: zij is “kerk in crisis.” Het woord “crisis” dient men overigens te verstaan in de oorspronkelijke zin van het woord: niet als een probleem, waarvoor men een oplossing moet zoeken (een oplossing, die steeds deel van het probleem blijkt te zijn), maar als een oordeel, een oordeel van God. Verwijzend naar publicaties van W. Dekker”2van W.M. Dekker3, zegt hij: “Het probleem van mensen is dat zij God niet serieus nemen. Ze nemen Hem niet serieus als actor van de geschiedenis en laatste oordeel over hun bestaan. Als we God nu wel serieus nemen, dan moeten we zijn oordeel aanvaarden.” Dat is het enige wat in het huidige tijdsgewricht voor de kerk overblijft. “Ons stellen voor het aangezicht van God betekent niet: plannen gaan maken hoe we de boel kunnen herstellen. Het is veeleer Gods aanwezigheid ons laten overkomen: ons stellen onder de verkondiging en het ontvangen van het sacrament om de dood des Heren te gedenken: we zijn een gemeente die alleen maar kan leven uit de dood van Christus. Het eerste waarin de kerk weer kerk kan zijn is in de wekelijkse en liefst dagelijkse viering van Woord en sacrament opdat Christus weer heel ons leven gaat bepalen. (…) Alles wat de kerk is en uitstraalt, kan niet zonder de voeding van de eucharistie. De liturgie waarin God ons ontmoet en zondaars rechtvaardiging schenkt is de bron van de koinonia van de kerk en eerst van daaruit is de diakonia naar de wereld mogelijk. Deze ontmoeting met God in de liturgie kan alleen gebeuren in diepe verootmoediging, berouw en boete, en in diepe verwondering. Dan moeten we niet weer meteen gaan denken over de zegen die dat voor de wereld zal zijn. Als de gemeenschap goed is, dan komt de heiliging vanzelf” (blz. 183v.).

Mij dunkt, dit is duidelijke taal, - een taal echter, die ontegenzeggelijk weerstand oproept, zoals destijds Kohlbrugge’s preek over Romeinen 14:7 allerwegen weerstand heeft opgeroepen. Van de Beek breekt de staf over al wat hij in de kerk aan “bestdoeningen” (Kohlbrugge) signaleert. Maar gaat het wel aan, zo vraag ik mij af, om, zoals hij doet, de maatregelen van een Da Costa ter bestrijding van de “geest der eeuw” en het vele werk, door vertegenwoordigers van het Réveil ten behoeve van mensen aan de onderkant van de samenleving verricht, als een verwerpelijk “doen” en dus juist als tekenend voor de tijdgeest terzijde te schuiven? En is het niet wat al te kort door de bocht om een manifest als het “Getuigenis” van 1971 en al wat ook vandaag de dag wordt gedaan om het verval van de kerk te stuiten als “symptomen van moderniteit” blz. 179) te veroordelen? Heeft men de herbouw van Jeruzalems muren in de dagen van Ezra en Nehemia niet ter hand genomen in het vertrouwen, dat deed zeggen: “De God des hemels, Hij zal het ons doen gelukken” (Nehemia 2:20) en zou zo ook op de pogingen tot herbouw, in onze dagen ondernomen, Gods zegen niet kunnen rusten?

Patristiek

Wat mij in Lichaam en Geest van Christus vooral boeit, is het feit, dat hij – zoals wij van hem gewend zijn – keer op keer teruggrijpt op de kerkvaders, in het bijzonder op Cyprianus, “de belangrijkste ecclesioloog in de vroege kerk” (blz. 146). En hij doet dit heel bewust, vanuit de behoefte “juist door de aandacht voor de vroege patristiek een bijdrage te leveren aan het geheel van de katholieke theologiebeoefening” (blz. 11). Een streven, dat weldadig aandoet in een tijd als de onze, waarin men er zich nauwelijks ervan bewust is dat men in een bepaalde traditie staat, met de geschiedenis gebroken heeft en ieder, als in de tijd van de Richteren doet wat goed is in zijn ogen.

Waardering

Uit het bovenstaande zal het de lezers van ons blad duidelijk geworden zijn, dat ik, ondanks mijn kritische kanttekeningen bij een en ander, veel waardering heb voor wat Van de Beek ons in zijn nieuwste pennenvrucht geboden heeft. Een diepgravend, bijzonder leerzaam boek, waarin ons een spiegel wordt voorgehouden. In menige gemeente doet de kerkdienst veelal aan een bijeenkomst van een gezelligheidsvereniging denken. Hoe oppervlakkiger de verkondiging, des te populairder de verkondiger. Niet alzo Van de Beek. Hij schuwt de populariteit en steekt af naar de diepte. Dat hebben wij momenteel hard nodig. En daarom: tolle lege, neem en lees.

J.G. Barnhoorn, Nunspeet

Noten
1 Firmilianus, bisschop van Caesarea (in Cappadocië), was een tijdgenoot van Cyprianus.
2 Marginaal en missionair: kleine theologie voor een krimpende kerk, pag. 267-273
3 “De kerk begraven?”, in HW-Confessioneel, Jrg. 123(9).