Terug naar Ecclesianet.nl

Het begrip ekklesia nader uitgewerkt (IV)

(De zegen van Abraham over de volkeren)

De vorige keer zagen we dat de volkeren volgens de belofte geënt zijn op de stam van Israël. Wat dit inhoudt, laat Paulus in Romeinen 11 zien. De volken krijgen deel aan de wortel van de ekklesia – de belofte van Abraham. Dat Paulus hiermee een visionaire blik had, heeft de geschiedenis na hem wel uitgewezen. Israëls geschiedenis is door deze enting immers de achtergrond gaan vormen van de gekerstende heidenvolkeren. De volken die tot geloof kwamen, hebben uit de boeken van het Oude Testament waarin Israëls geschiedenis tot hen kwam, geleefd. Ze zijn er diepgaand door gevormd. Dat geldt vooral voor de Europese volkeren. Door deze beïnvloeding is in de zestiende eeuw de volkskerk tot stand gekomen.

De ethnè en Israël

Christus droeg zijn discipelen op: “Gaat dan heen en verkondigt het Evangelie aan alle volkeren, hen dopende in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest” (Matth. 28: 18). De apostel Paulus is degene geweest die het meest van allen gehoor heeft gegeven aan deze opdracht, die later ook tot hem kwam.

Het is van belang hierbij op te merken dat het woord voor ‘volkeren’ in de LXX en het Nieuwe Testament ethnè is. Dit woord betekent: ‘een groep die bij elkaar hoort qua geschiedenis, taal, cultuur etc.’

In de Romeinse tijd kende men het begrip ethnè heel goed ondanks het feit dat de Romeinen de machthebbers waren over de toenmalige ‘wereld’. De ethnè vormden de provincies van het Romeinse Rijk. Zij waren verantwoording verschuldigd en schatplichtig aan de Romeinen. Tegelijk behielden de ethnè een grote mate van zelfstandigheid: zij werden in veel gevallen geregeerd door eigen gezagsinstanties. Met ethnè worden dus afzonderlijke volken bedoeld die hun eigen geschiedenis, cultuur en volksaard hadden. Om die reden is het niet verwonderlijk dat Lucas in Handelingen 2 een opsomming kan geven van verscheidene volkeren (Handelingen 2 : 9 en 10). Meerdere volkeren die daar genoemd worden, kwamen met het Evangelie in aanraking en werden gekerstend. Dit laatste vond plaats na het tolerantie-edict van keizer Constantijn in 313 na Chr.

Hetzelfde gebeurde in later eeuwen onder de stammen die na de grote volksverhuizing (rond 400/500 na Chr.) neerstreken in Europa: de Franken, de Saksen en de Germanen. De Frankische koning Clovis ging als eerste over tot het christelijke geloof (rond 600 na Chr.). Door deze daad werd een heel volksbestaan geënt in de olijfboom Israël! Het ‘sap’ van het Oude Testament – om bij de beeldspraak van Paulus te blijven – begon het volksleven te beïnvloeden, d.w.z.: het volksbestaan begon zich te ontwikkelen als loot aan de stam van het Oude Testament. Ook in cultureel en staatkundig opzicht was dat het geval. De volkeren werden gekerstend. De Middeleeuwse cultuur is zonder de beademing van het Oude Testament ondenkbaar.

Deze beïnvloeding was er op alle terreinen van het leven: in de indeling van het jaar en de week (de christelijke feestdagen en de zondagsviering). Ze was ook zichtbaar ondermeer in de kerken, kathedralen en kloosters. Ze was er ook in politiek opzicht. Men hoeft maar te denken aan de kroning van de koning van Frankrijk, ‘le roi très-chrétien’ in Reims. Deze vond plaats naar Oudtestamentisch gebruik en David en Salomo werden de koning tot voorbeeld gesteld.

Luther en het Oude Testament

Door de aanvaarding van het christelijk geloof is Europa gevormd en steeds opnieuw hervormd. Toen na eeuwen de invloed van de Schrift op het maatschappelijke leven op de achtergrond dreigde te verdwijnen, zorgde Luther voor een herleving ervan! Hij herontdekte het Evangelie èn het Oude Testament, waarvoor hij weer een ereplaats inruimde.

Enkele citaten uit het boek van Heinrich Bornkamm over Luther en het Oude Testament kunnen dat illustreren: “Wanneer men Luthers professoraat in de uitleg van de Schrift zou kunnen verdelen in de twee vakken ‘Oude Testament’ en ‘Nieuwe Testament’, zoals dat vandaag de dag het geval is, dan zou men Luther eerder een hoogleraar in de exegese van het Oude Testament noemen dan in die van het Nieuwe Testament. Van de tweeëndertig jaar dat hij colleges gaf, heeft hij in totaal ongeveer drie tot vier jaar gewijd aan het Nieuwe Testament, de rest van de tijd aan het Oude Testament.” Met betrekking tot zijn preken stelt Bornkamm: “Men hoeft maar een enkele van zijn preken of hoofdstukken van zijn colleges op te slaan, men hoeft maar een gedeelte van de geschiedenissen van de aartsvaders door hem te horen vertellen, men hoeft de aanduidingen omtrent de aanvechtingen en de troost van de profeten van hem maar te lezen, of men komt er achter, hoe hij in deze wereld leefde, hoe hij onder de patriarchen en de profeten rondging als één van hun! Zoals hij zich herinnerde heeft de vertelling van de moeder van Samuël hem in zijn jeugd een eerste diepe indruk gegeven van de Bijbel en in hem het verlangen gewekt om dit boek zelf te bezitten. Aan de Vulgata-vertaling van Jesaja heeft hij de zegswijzen te danken waarmee hij van jongs af aan de geheimenissen van Gods handelen en van Zijn wezen op onvergelijkbare manier heeft uitgesproken. (…) Maar vooral een boekje was voor hem van belang. Het was hem liever dan welk van de Nieuwtestamentische boeken: dat van de Psalmen. Hij heeft het als zijn ‘kleine bijbel’ uitgelegd en er als zodanig uit gepreekt. (…) Hij leefde in de Psalmen.”

En alsof Bornkamm de tekst van Paulus over het geënt worden in de olijfboom voor ogen stond, schrijft hij: “Luther leefde in de wereld van het Oude Testament en verstond de kunst, zoals na hem nooit iemand, om het Oude Testament zonder moeite in de leefwereld van zijn eigen volk te vertalen. (…) Men moet op waarde leren schatten dat Luther het Oude Testament een ‘spiegel van het leven’ heeft genoemd.”

Calvijn en de monarchomachen

In dit opzicht moet ook zeker Johannes Calvijn genoemd worden. De centrale rol van het Oude Testament in het verbondsdenken bij Calvijn moet iedereen opvallen die zijn Institutie leest. De neerslag ervan is te vinden in de oude doopformulieren van de Hervormde Kerk, waar een parallel getrokken wordt tussen de doop en de besnijdenis.

In dit verband herinner ik aan de briefwisseling tussen John Knox en Calvijn, waarin Calvijn de Schotse theoloog en predikant wijst op het feit dat het verbond van God (zoals het tweede gebod zegt) in het volksleven verankerd is tot in duizend geslachten. Calvijn gebruikt dit als argument om een ruimhartige kinderdoop voor te staan. De kinderdoop is gegrond op het verbond en niet op grond van de geconstateerde waarachtigheid van het geloof van de ouders van een kind, zoals Knox wilde.

Wie die preken en passages uit de Institutie leest, waarin hij zich uitspreekt over het staatsleven, merkt dat niet alleen de klassieke oudheid (zoals bij de humanisten) in zijn overwegingen een belangrijke rol speelt, maar ook de historie en het Oude Testament. Het koningschap in Frankrijk ziet hij (op een historisch volstrekt verantwoorde manier) in het licht van het Oude Testament.

Calvijn heeft kans gezien om op grond van het Oude Testament voor het voetlicht te brengen wat soevereiniteit inhoudt. Ook werkte hij op grond van het Oude Testament de gedachte uit dat de koning wel soeverein is, maar geen alleenheerser. In het licht van het Oude Testament wist Calvijn de staten en de adel op waarde te schatten. Op hen rust de plicht de rechten en vrijheden van de burgers te behartigen en te beschermen.

Theodor Beza werkte de gedachten van Calvijn uit, vooral tegen de achtergrond van de situatie in Frankrijk. Anderen (de zgn. monarchomachen) deden dat met het oog op de ontwikkelingen in de Nederlanden, waar ze Willem van Oranje met raad en daad bijstonden. Zij zijn het vooral geweest die op grond van de Bijbel een staatstheorie ontwikkelden, die ten grondslag lag aan de Unie van Utrecht (1579), aan de afzwering van Filips II (1581) en zo aan de totstandkoming van de ‘Republiek van de zeven verenigde Nederlanden’. Op grond van het Oude Testament ontwikkelden zij een historisch gefundeerde staatsopvatting, waarbij tirannie en anarchie uitgebannen werden.

Maar niet alleen voor de staatslieden vormde het Oude Testament een leidraad. Dat was ook het geval voor de gewone man. Simon Schama schrijft in zijn lezenswaardige boek over de wording van de Republiek: “Het epos van Exodus werd voor de Nederlander wat het geweest was voor de Bijbelse Jood: de legitimatie van een grote historische breuk. Deze maakte het mogelijk om een collectieve identiteit te ontwikkelen.” Dit ongeacht het feit dat er in de opstand ook sprake was van falen, fanatisme etc. Schama spreekt van een ‘interpenetration’ (‘het in elkaar overlopen’) van de Bijbel en de historie van de Nederlanden, die zorgde voor een nieuw gevoel voor de natie (“a new sense of nation”). De parallellen tussen Nederland en Israël zijn zelfs de wijsgeer Spinoza opgevallen.

De enting in de beloften aan Israël is voor de volkeren buiten Israël tot zegen geweest. Nederland is er een schoolvoorbeeld van. Hoezeer het Oude Testament als achtergrond van de Nederlandse cultuur in de zeventiende eeuw (Gouden Eeuw) fungeerde, kan iedereen op het spoor komen die Vondel leest of de schilderijen van de meesters van die dagen in zich op neemt. Een eenvoudige ‘Rembrandtbijbel’ bewijst hoezeer Schama gelijk heeft met zijn interpenetration!

De beeldspraak van Paulus van de enting in de vruchtbare stam is toepasbaar op veel volken, bijvoorbeeld ook op de Pilgrim Fathers die in 1620 vanuit Leiden naar Amerika vertrokken. Ze haakten voor hun overtocht aan bij de geschiedenis van het volk van God en zagen parallellen tussen Gods erbarming over Mozes en het volk Israël en tussen de mogelijkheid die hun geboden werd om in de nieuwe wereld een nieuw bestaan op te bouwen.

De takken los van de boom

Paulus stelt echter dat de geënte takken ook weer kunnen verdorren, omdat ze van de wortel worden afgesneden. Men kan er moeilijk omheen dat de volkeren in Europa dit gevaar hebben gelopen en er niet aan ontkomen zijn. Precies wat Paulus met zijn beeldspraak duidelijk maakte, is gebeurd: de takken (volkeren) braken af van de boom, d.w.z. van het verbond waarin ze geënt waren. Debet daaraan was dat ze zich verzelfstandigden op grond van de ‘natuurlijke rede’. Men meende zónder de openbaring van God te kunnen.

Met profetische blik kondigde Luther al aan dat het gevaar voor Europa bestond in een beweging die hij in zijn tijd al waarnam. Ongetwijfeld dacht hij daarbij aan de stroming van het humanisme, waarvan Erasmus een van de belangrijkste vertegenwoordigers was. Deze beweging hield in dat men het ‘natuurlijke recht en de natuurlijke rede’ begon te verheerlijken. Luther sloeg de spijker op zijn kop. In zijn dagen begon zich een tendens af te tekenen, die in de zeventiende eeuw alleen maar sterker werd: filosofen en rechtsgeleerden beweerden in het menselijke denkvermogen de bron te vinden voor het onderscheid tussen goed en kwaad. De menselijke rede was in staat om zelf, zo nodig zonder God, de weg tot de waarheid te vinden. Hugo de Groot (1583 – 1645) ontwikkelde zijn natuurlijke rechtsleer. Vergeleken met de Joodse wijsgeer Spinoza (1632 – 1677) was hij echter nog voorzichtig. Op een rigide manier redeneerde Spinoza elke vorm van openbaring weg, door God en de natuur te vereenzelvigen. Door scherp na te denken heeft de mens volgens Spinoza toegang tot het wezen van de natuur, het goddelijke zelf, waaraan hij deel heeft. Zo is de mens in staat te doorgronden wat goed en kwaad is. In het denken schuilt bovendien de kracht om zich te richten naar het door zichzelf ontdekte goed en kwaad.

Decennia later zou Immanuël Kant (1724 – 1804) de mensen oproepen om zich te verlossen uit de onmondigheid die de mens zichzelf had opgelegd. Hij kon dit door op zijn eigen denkvermogen te vertrouwen. De menselijke rede, mits goed gebruikt, maakt de openbaring overbodig. De openbaring mocht dan nodig zijn in een tijd dat de mens nog onmondig was, maar zodra de mens zich van zijn eigen verstand bedient, is die tijd voorbij!

Waar ging het mis?

Waar ging het mis? Luther wees het al feilloos aan toen hij stelde: “Terecht roemt men het natuurlijke recht en de natuurlijke rede. Maar daar gaat het mank dat iedereen zich verbeeldt dat beide zich in zijn eigen hoofd bevinden. Het edele kleinood, het natuurlijke recht en de natuurlijke rede zijn zeldzame dingen onder de mensenkinderen.” Luther erkent weliswaar dat de mensen oorspronkelijk door God bedeeld zijn met kennis van Hemzelf en van goed en kwaad. Maar er is een trek in hem die ervoor zorgt dat hij zich daar steeds verder van verwijdert. Juist om die reden gaf God zijn wet: Hij wilde uit goedheid de herinnering aan zijn wil levend houden.

Het is dus niet zo dat de mensen zomaar toegang hebben tot de goddelijke openbaring van goed en kwaad. In de geschiedenis schenkt God mensen die bijzonder door Hem begenadigd zijn. Zij zijn in staat anderen voor te houden wat goed is en kwaad. Ze weten zich afhankelijk van God! Onwillekeurig denken we aan de Wundermänner uit Psalm 101, waarin Luther wijst op bijbelse figuren (David en Salomo), maar ook op heidense wijzen, als Solon, Socrates, Plato en Cicero. Zij konden een volk de weg wijzen omdat zij een speciale roeping hadden en zich daarvan ootmoedig bewust waren en er gehoor aan gaven. Het is goed om hierbij op te merken dat ook Plato dit onderkende. Hij spreekt over een theios moira, een goddelijke beschikking, als het iemand gegeven is om weerstand te bieden aan de sterke krachten die werkzaam zijn om God te vergeten. Zelfs de heidense wijsgeren hadden de verlichtingsfilosofen deze ootmoedige houding, waarin men zich aangewezen wist op Gods barmhartigheid, kunnen leren. Europa heeft er zwaar onder geleden dat deze belangrijke overtuiging in vergetelheid raakte!

H. Klink, Hoornaar