Terug naar Ecclesianet.nl

Wat betekent Luther voor mij? (II, slot)

3. Aanvechting

Moeiten

Gods verborgenheid betekent voor het geloof een geweldige aanvechting. Je zult maar een God hebben die zo tegendraads en kruiselings met je omgaat! Je bent geneigd te zeggen: dat nemen we niet! Vooral sinds de Verlichting heeft de mens die neiging. Daarom is veel theologie tot op de dag van vandaag constant bezig aanvechtingen weg te werken, ergernissen uit te bannen en oplossingen te bieden voor wat ons zou kunnen hinderen.

Luther daarentegen heeft voor alles waar wij tegenaan lopen geen oplossingen aangereikt. Nog minder heeft hij de moeiten van het leven, ook van het leven met God, ontkend. Hij heeft er echter wel van geleerd. Hij is er de theoloog door geworden die hij is geweest. Treffend schrijft hij ergens: “Ik heb mijn theologie niet in één keer geleerd, maar heb steeds dieper en dieper moeten afdalen en tasten. Daar hebben mijn aanvechtingen mij toe gebracht.” Daarom is de reformator zo’n uitstekende wegwijzer voor allen die merken en beseffen dat in het kielzog van het geloof altijd de aanvechting vaart.

Aanvechting vanwege? Vanwege het kruis dat we moeten dragen, vanwege het verdriet dat zo immens zwaar op ons leven kan drukken, vanwege de twijfel aan God, aan zijn bestaan, aan zijn liefde. Meer dan eens is het zelfs zó dat je moet zeggen: hoe hoger de toppen van de zekerheid en de vreugde vanwege Gods trouw, des te dieper de dalen van onze wankelmoedigheid en vertwijfeling.

Roepen

Luther gebruikte met een zekere voorliefde het woord “aanvechting”. Dat herinnerde hem namelijk aan strijd. Dat wist en ervaarde hij tot-en-met: dat het geloof strijd met zich meebrengt. Luther had dan ook tal van tegenstanders: de geestelijken van de Roomse kerk, lichamelijke kwalen, depressies, de duivel.

Wie het rijtje hoort, kan al die tegenstanders ook psychologisch duiden. Daar komen we echter niet mee weg. Want Luther heeft als slechts weinigen ervaren welke afstand er is tussen God en mens. Aanvechtingen – dat spreekt mij in Luther zo aan – zijn ten diepste een theologische zaak. Ze hebben ten doel ons bij God te brengen en alles te plaatsen in het licht van zijn genade.

In zijn colleges en in zijn preken heeft Luther vaak over aanvechting gesproken. Beeldend beschrijft hij de aanvechting van Jona. Dat was wat voor de arme Jona om in de opengesperde muil van de vis te kijken! Wat een aanvechting! Iedere gelovige komt daarin terecht. Het geweten ervaart Gods toorn. Hel en dood willen de ziel opvreten. Nochtans, God is er. Want wat staat er? “En Jona bad tot de Heere, zijn God, uit de buik van de vis.” Hier zien we dat we naar God moeten vluchten en tot Hem roepen. Daar hangt alles van af: dat we roepen en schreeuwen om Hem en niet zwijgen. Kun je dat, dan is het ergste voorbij. Roepen op zich, huilen en klagen, dat kunnen we wel. Maar roepen tot God, dat wil vaak het keelgat niet uit. Want ons boze geweten en de zonde knijpen ons de keel dicht. Toen Jona dus ging roepen, toen had hij het gewonnen. Even later spuwde de vis Jona uit op het land. Het dier, dat eerst de dood diende, moest nu het leven dienen.

Te midden van onze aanvechtingen schiet er dus maar één weg over: de weg van het gebed. Niet omdat we van die bekwame bidders zijn, maar omdat het de enige mogelijkheid is het gesprek met God aan te gaan. Luther spreekt zelfs van een twistgesprek. “Ik heb veel met God gedisputeerd in groot ongeduld en heb Hem zijn beloften voor de voeten geworpen.”

4. Het Woord

Hangen

Inderdaad, zo hebben wij met God in gesprek te zijn: dat we Hem zijn eigen beloften, zijn eigen woorden voorhouden. “Als wij willen dat God onze gebeden hoort, moeten wij eerst Gods Woord horen; anders hoort Hij ons niet, ook al jammeren en schreeuwen we.” Dat Woord geven we vervolgens aan God terug. We werpen Hem dat voor de voeten en slingeren het Hem desnoods in het gezicht. -- Hiermee zijn we bij het vierde thema: het Woord. Aanvechting, aldus Luther, leert ons acht te geven op het Woord van God, het verbum Dei.

Dat Woord is voor Luther niet zomaar de bijbel. Voor hem is het namelijk zo dat in en met dat Woord God zelf onder ons is. Het is zijn nieuwe wereld midden in onze oude wereld. “Daarom moet je met heel je hart aan dat Woord hangen, wat er ook gebeurt. En zeg: hier heb ik Gods Woord, daarin wil ik mij begeven; en al voel ik weet-ik-niet-wat, ik laat mij van dat Woord niet losscheuren.”

Daarom zingen we met “Een vaste burcht”: “Gods Woord houdt stand in eeuwigheid en zal geen duimbreed wijken.” Het oorspronkelijke Duits is nog sprekender: “Das Wort sie sollen lassen stahn.”

Wet en evangelie

Dat Woord valt uiteen in wet en evangelie. Indrukwekkend hoe Luther met deze sleutel het Woord van God opendoet en zo heel ons leven op God weet te betrekken.

De wet is de uitdrukking van Gods onveranderlijke wil over ons leven. Helaas, door onze boze lusten en onze zondige aard brengen wij niets meer terecht van die wil van God. Wat wij ook ploeteren om toch iets goeds te doen voor God, de wet zet ons steeds meer klem. Zij kan ons niet aan gerechtigheid helpen, zij ontsluiert veel meer onze óngerechtigheid. Zij maakt ook allerlei zonden en begeerten in ons los. “De wet is een licht – aldus Luther – dat ons de ziekte van ons leven toont, de zonde, het kwaad, de dood, de hel, de toorn van God. Maar dit licht helpt niet en bevrijdt ons ook niet.” In dit alles is God met ons bezig.

Luther noemt dat het “vreemde werk” van God. Hij plaagt en bedroeft zijn mensenkinderen immers niet van harte. Het liefst troost Hij hen. Dat is – zegt Luther – zijn “eigenlijke werk”. Dat verricht Hij door de belofte van het evangelie. Aan alles merk je dat Luther, waar hij deze belofte aan de man kan brengen, in zijn element raakt.

Waarom heet het evangelie “blijde boodschap”? Omdat het ons de vrolijke tijding brengt van Christus, die voor ons is gestorven en opgestaan. In Hem wordt ons alles geschonken wat de wet van ons eist: gerechtigheid, zondeloosheid, vrijheid, goedheid. Door genade alleen. En genade is dat Christus in onze plaats is gaan staan, dat Hij onze zonde is geworden en ons zijn gerechtigheid schenkt. Onze redding is niet afhankelijk van wat wij doen, maar daarvan dat wij geloven dat Hij voor ons genoeg heeft gedaan. Deze redding, dit heil wordt door het evangelie bij ons gebracht. Hier, zegt het, hier is Christus voor u.

5. God gelijk geven

Rechtvaardiging

Wat ons rest, is dat wij – daarmee zijn we bij het vijfde thema – God gelijk geven. Of zoals er in het Latijn staat: dat wij God rechtvaardigen. Luther is ons vooral bekend vanwege de rechtvaardiging van de goddeloze. Maar willen we de reformator goed verstaan, dan moeten we weten dat het niet alleen gaat om de rechtvaardiging van de mens voor God, maar ook van God in de mens.

Wanneer rechtvaardigen wij God? Wanneer wij Hem gelijk geven, ook al gaat dat in tegen onszelf; wanneer wij zijn Woord laten gelden, vooral waar het gaat om het vleesgeworden Woord Christus. Sinds Luther echt leerling van Paulus geworden is, laat deze notie van het “God gelijk geven” hem niet meer los. Zij is hem een kompas in het labyrint van de theologie en een houvast voor zijn aangevochten geweten. Luther beseft: hier bevindt zich de enge poort waar de mens doorheen moet om terecht te komen in de werkelijkheid van het geloof.

Eerste stap

Wat is dus geloven? Je Gods oordeel eigen maken, zijn belofte vertrouwen, zijn vergeving laten gelden. Wanneer wij dat doen: God gelijk geven, dan doen wij de eerste stap op de weg van het geloof, ook als we niet weten waarheen deze weg ons voert.

We merken: de rechtvaardiging van de goddeloze is geen slimme zet om Gods gericht te ontlopen. Integendeel, zij is de manier waarop God volledig de lucht klaart tussen Hem en ons, doordat wij Hem billijken in wat Hij op ons tegen heeft en doordat Hij ons vervolgens vrijspreekt van het vonnis. Of nog beter: het vonnis is de vrijspraak. Zo ontvangen wij, dankzij het vreemde werk van de wet, Gods genade en troost.

Tenslotte

Ter afsluiting – hoe kan het anders – een citaat van Luther, dat mij uit het hart gegrepen is en mij al dikwijls bemoedigd en op het pad van het geloof gebracht en gehouden heeft. Allerlei lijnen komen er in samen, waarmee ik nogmaals wil aangeven wat Luther als mijn vriend, vader en leraar voor mij betekent.

Hij zegt: “Wanneer het hart van iemand die in Christus gelooft, hem beschuldigt en aanklaagt, en tegen hem getuigt dat hij verkeerd heeft gedaan, dan wendt het zich zo snel mogelijk daarvan af en neemt het zijn toevlucht tot Christus en zegt: Hij heeft genoeg gedaan, Hij is rechtvaardig, Hij is mijn verdediging, Hij is voor mij gestorven en Hij heeft zijn gerechtigheid tot de mijne gemaakt en mijn zonde tot de zijne. En heeft Hij dat gedaan, heeft Hij dus mijn zonde tot de zijne gemaakt, dan heb ik ze niet meer en ben ik vrij! En heeft Hij zijn gerechtigheid tot de mijne gemaakt, dan ben ik rechtvaardig met dezelfde gerechtigheid als Hij. Mijn zonde kan Hem niet verslinden, maar zij wordt zelf verslonden in de oneindige afgrond van zijn gerechtigheid. Zo is nota bene God het Die verdedigt; het mensenhart is het dat aanklaagt. Wat een verhouding! Maar zó liggen de zaken, juist zo!”

Of om het met het meest bekende Lutherwoord te zeggen: “Een vaste burcht is onze God, een toevlucht voor de zijnen.” Waarom? “Ons staat een sterke held terzij, die God ons heeft verkoren.”

H.J. Lam, Ridderkerk