Terug naar Ecclesianet.nl

Het begrip ekklesia nader uitgewerkt (V)

Het breken van de takken – de Verlichting

In het vorige artikel zagen we hoe in Europa door verabsolutering van het denken precies dat in gang gezet werd wat Paulus in Romeinen 11 onder woorden brengt: de takken werden afgebroken van de olijfboom (Israël) waarin ze geënt waren. Het denken maakte zich los van de openbaring van de Schrift. Immanuël Kant (1724 -1804) bracht wat er gebeurde op één noemer in zijn boekje Was ist Aufklärung (1784). Daarin riep hij zijn lezers op om overeenkomstig de geest van de tijd zichzelf te ontslaan van de onmondigheid die zij aan zichzelf te wijten hadden. Wie het boekje leest, kan niet om de conclusie heen dat Kant zich verheugde over het feit dat de traditionele kaders van het godsdienstige en staatkundige leven in zijn tijd werden doorbroken. Het verstand, de mens, moest op eigen benen komen te staan.

Het is van belang stil te staan bij wat dat inhield. In christelijke kring wordt vaak terecht gezegd dat het denken zich los maakte van de openbaring. Toch is een precisering op zijn plaats. Aan protestantse zijde bestaat de tendens om onder openbaring ‘niet meer’ te verstaan dan de Schrift. Men isoleerde zich dus volgens veel protestanten van de openbaring zoals die vervat is in de boeken van het Oude en Nieuwe Testament. Nu is dat op zich waar. Wat echter met regelmaat vergeten wordt, is wat dit inhoudt. De Schrift is namelijk niet zomaar een heilig boek (als de koran bij de moslims), maar het gezagvolle getuigenis van wat gebeurd is in de historie. Om die reden luidde het adagium van Groen van Prinsterer: “Tegen het schutsgevaarte van de revolutie heb ik één verweer dat zich laat samenvatten in twee zinnen: ‘er is geschreven’ en ‘er is geschied.’”

De Schrift behelst dus niet alleen maar vergeving van de zonde, toezegging van het heil en van de rechtvaardiging buiten de mens om. De Schrift is ook het Oude Testament in zijn historische setting, waaruit het Nieuwe Testament opkomt en waarin de Nieuwtestamentische belofte verankerd en ingebed is. Bovendien is de Nieuwtestamentische verkondiging verankerd in het historische leven en sterven van Christus en van de christelijke gemeente die door Hem op Pinksteren tot stand is gekomen.

Los van de historie – de betekenis van het Oude Testament

We zagen in de vorige artikelen dat de volkeren zijn geënt in deze geschiedenis, die zijn eerste verankering vindt in het Oude Testament. Het is in dit opzicht veelzeggend dat Paulus keer op keer onderstreept dat het heil bestemd is ‘eerst voor de Jood en vervolgens voor de Griek’ en het voorrecht van de Israëliet boven de andere volkeren roemt: aan hen behoort het eerste verbond dat gesloten werd met Abraham, die de vader is van de gelovigen (ook van die uit de volkerenwereld). De volkeren zijn als takken geënt in deze boom!

Daarom maakten de ‘takken’ zich (toen zij de rede boven de openbaring stelden) niet alleen los van de Evangelie-verkondiging maar ook van de historie, waarvan de Schrift getuigt. Iemand die dit als eerste onder woorden bracht was Blaise Pascal (1623-1666). In zijn Mémorial (1654) brengt hij wat hem in de nacht van zijn bekering overweldigde onder woorden. De God die hij in Jezus Christus ontmoette was “niet de God van de filosofen, maar de God van Abraham, Izaäk en Jacob”, d.w.z. de God die zich in de historie heeft geopenbaard! In zijn Pensées waarin hij het christelijke geloof verdedigt, beroept Pascal zich uitdrukkelijk op het argument van de historie en wijst hij op het opmerkelijke feit dat de profetische beloften zich in Jezus in de historie gerealiseerd hebben! Christus’ heil is in de historie verankerd. Tegenover deze openbaring die in de historie oplicht, plaatst hij de god van de filosofen.

Johann Georg Hamann

Iemand die op zijn manier in het spoor van Pascal gegaan is, is de Duitse christen Johann Georg Hamann (1730 – 1788). Van grote betekenis is in dit opzicht zijn magistrale werkje Golgotha und Scheblimini (1784). Hamann schreef zijn werk als reactie op een publicatie van de verlichtingsfilosoof Moses Mendelssohn (1729 – 1786), die een volstrekte scheiding van kerk en staat voorstond.

Wat Hamann hem bijzonder kwalijk nam, was dat Mendelssohn als Jood geen oog had voor de betekenis van het Oude Testament.

Mendelssohn bleek een speculatief verlichtingsdenker te zijn, die mistast waar het de positie van de mens in de schepping betrof. Mendelssohn speculeerde in de trant van de Engelse denker Hobbes (1588 – 1679) over het begin van het mensengeslacht om daaruit de wording van de eerste staat af te leiden.

Mendelsohn werkte de idee uit dat de mensen in het oerstadium van de mensheid uit eigen beweging een contract met elkaar sloten om te ontkomen aan de natuurtoestand waarin ieder zijn eigen rechten ten koste van elkaar liet gelden. Hamann bekritiseerde Mendelsohns boek fundamenteel door de innerlijke tegenstrijdigheden van zijn denken te laten zien en verweet hem een onzuivere, sofistische manier van redeneren. Mendelsohns speculatieve gedachten lieten zich niet met de werkelijkheid in overeenstemming brengen.

Uit welk motief sloten de eerste mensen zich immers bij elkaar aan? Vanwege de gerechtigheid stelt Mendelsohn. De vraag die Hamann stelde was, waar deze gerechtigheid dan vandaan kwam? Als de mensheid al rekening moest houden met gerechtigheid voordat er een onderling contract gesloten werd, dan was zij kennelijk al voorafgaand aan dat vermeend contract gebonden aan het recht. In dat geval was de mens geen op zichzelf staand individu die aan niets gebonden was dan zijn eigen wil (zoals Mendelssohn beweerde) en die uit eigenbelang een sociaal contract sloot. Hij stond dus onder het gezag van een ander, van God, die hem vergunde gelukzalig te worden, als hij zou gehoorzamen. Dit is het scheppingsverbond van God en de mens. Een gevaar voor dit verbond lag in eerste instantie niet in een conflict tussen de mensen onderling, maar tussen God en mens, door ongehoorzaamheid van de laatste.

Vervolgens legt Hamann nadruk op het verbond van God met Abraham en Israël. Israëls geschiedenis vormt een blauwdruk, een patroon voor de geschiedenis van de andere volken en de wereldgeschiedenis. Behalve dit patroon vindt men in de geschiedenis van Israël een heenwijzing naar Christus die over alles regeert en alle macht heeft gekregen van God de Vader. Dit alles is historisch verankerd in het Oude Testament dat het historisch getuigenis is van de geschiedenis van Israël. Door zich van deze historie (het Oude Testament) los te maken, maakt men zich los van Christus.

Hamann laat zien hoe deze vervreemding van de historie gevolgen heeft voor hoe men aankeek tegen de fundering van de staat. Deze was niet meer in de historie gegrond maar moest berusten op een menselijk besluit, op een contract dat men sloot om te ontkomen aan egoïsme. De staat is in dat geval, aldus Hamann, gegrond op angst.

In het licht van het bovenstaande is het geen wonder dat Mendelssohn de opvatting huldigde dat de staat losgemaakt moet worden van de religie en een pleidooi hield voor de scheiding van kerk en staat. Een dergelijke scheiding kan volgens hem alleen maar goede gevolgen hebben. Ze maakt een einde aan despotie en bevoogding. Rechten van minderheden zijn in dat geval gegarandeerd. Godsdienstige instanties als de kerk en de synagoge zijn er met betrekking tot de gezindheid van de mensen, de staat is er met betrekking tot de handelingen van de mensen. Dit zijn twee gescheiden grootheden.

Hamann maakt aan het eind van zijn boek bezwaar tegen deze waterscheiding tussen gezindheid en daad, tussen kerk en staat, door te wijzen op het onlosmakelijke verband tussen daden en gezindheid. Daden komen voort uit gezindheid en iemands gezindheid uit zich in zijn daden. Hij illustreert dit aan de hand van het feit dat een gesproken woord (en de trouw die men belooft) te maken heeft met een innerlijke gezindheid. In het menselijke verkeer geldt dit als een handeling en als zodanig valt het onder het recht. Het hele fundament van de staat rust op de rede en op het woord van trouw, waarbij men zich verplicht weet aan het recht, het geweten, aan God, die de waarborg is van het recht.

Blandine Kriegel

Dat Hamann een visionaire blik had, blijkt wel uit het oeuvre van Blandine Kriegel. In La défaite de l’érudition (1988) (de titel is veelzeggend en betekent vrij vertaald: De neergang van de geleerdheid) laat zij zien hoe de band tussen de bijbel en de geschiedwetenschap door de verlichtingsdenkers verbroken werd. Het gevolg was dat deze denkers de sleutel tot het verstaan van de historie zelf uit handen geslagen werd. Zij toont dit met feiten aan. Mensen als Spinoza en Voltaire deden in hun historische beschouwingen de historie geweld aan. Zij zijn niet meer in staat om de rode draad die door de geschiedenis loopt te zien. Elk fenomeen lijkt daardoor interessant te worden, waardoor de geschiedbeschouwing oppervlakkig wordt. Vooral Voltaire ging hieraan mank.

In haar eerste boek L’ état et les esclaves (1979) toont mevrouw Kriegel aan hoe dit verlies van een historisch zintuig samenhing met het verlies van het Oude Testament als openbaringsboek. Daardoor ging de traditionele notie van het recht verloren en stond Europa open voor verabsolutering van de macht en zo ook voor allerlei ideologieën. Het Nieuwe Testament en Jezus werden vooralsnog behouden – maar geïsoleerd van het Oude Testament. Men hield het geloof (la foi), maar brak met de wet (la loi), waardoor ook Jezus en zijn boodschap los kwamen te staan van de werkelijkheid en zo een chiffre dreigden te worden.

Blandine Kriegel laat zien dat deze ontwikkeling niet nodig was geweest. Ook laat zij zien hoe de kerk ten onrechte weinig weerstand heeft geboden aan deze ontwikkeling. Zij liet in de zeventiende eeuw uiteindelijk verstek gaan en liet het na om door historische studie de betekenis van het Oude Testament in het licht te stellen. En dat terwijl de renaissance en de reformatie volop aanzet hadden gegeven voor bestudering van de historie, ook met betrekking tot het staatkundig terrein.

Gelukkig waren er uitzonderingen, zoals Johann Georg Hamann en enkele van zijn leerlingen, waaronder Johann Gottfried Herder (1744 – 1803). De herleving van het christelijke geloof in het 19e eeuwse Reveil is voor een belangrijk gedeelte te danken aan een herwaardering van de historie. Groen van Prinsterer is er het bewijs van.

H. Klink, Hoornaar