Terug naar Ecclesianet.nl

Schreeuwen (II)

“Zoals een hert schreeuwt ... ” Psalm 42:2a

God heeft er slechts één bedoeling mee dat zijn baren en golven over ons heen slaan: dat we bij Hem voor anker gaan. Ook anno 2014. Ook met een ongelooflijk dichtzittend mensenhart als het onze. Ook als onze ziel zich neerbuigt en ten zeerste verontrust is. Ook als we overstuur raken omdat het wel eens zou kunnen zijn dat God ons vergeten is en alles vandaag de dag lijkt te pleiten tegen zijn aanwezigheid.

Daarom doemt aan het begin van de Psalm het beeld van een hert op. Daar staat het, ergens hoog op een heuveltop, met diep beneden zich een beek vol fris water. Hoezeer smacht het daarnaar. Helaas, het kan er niet bij komen. Misschien straks? We horen hoe het dier in deze Psalm staat te hijgen, vol verlangen om zijn dorst te lessen.

“Zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!” Dat schreeuwen ontlokt de Heilige Geest ons door alles wat er gebeurt. Inderdaad, schrééuwen. Dus niet mummelen of binnensmonds brommen. Vandaar die baren en golven, vandaar dat roepen van watervloed tot watervloed, vandaar al die priemende vragen. Opdat wij roepen en schreeuwen als een hijgend hert, als een moede hinde. Waar wij zo roepen, in alle onbeholpenheid, te midden van vertwijfeling, dáár is geloof.

Wat dan de doorslag geeft, is niet de dorst, is niet de vraag: waar is uw God? is niet de twijfel: vergeet U mij? Doorslaggevend is het krachtige “maar” van vers 9: “Máár de Here zal overdag Zijn goedertierenheid gebieden.” Zeker, dan buigt onze ziel zich nog menigmaal neer en zullen we nog heel wat schreeuwen. Maar het goddelijke “maar” van Gods uitkomst, dat wint het!

Dankzij – hoe kan het anders – onze lieve Here Christus. Van Hem zingt het refrein: “Hij is de verlossing (jesjua) van mijn aangezicht en mijn God.” Hoezeer was Jezus in Gethsamené en op Golgotha van God verlaten. Dat heeft Hij uitgeschreeuwd. Al de baren en golven van diens toorn sloegen over Hem heen. Waarom? Opdat wij tot God genomen en nooit meer door Hem verlaten worden. Daarom is ons roepen en dorsten nooit tevergeefs.

Is het de Heilige Geest Zelf niet Die in ons roept met onuitsprekelijke verzuchtingen?! Daarom zingen we niet alleen met vrees en beven, maar ook met hoop en verwachting: “God des levens, ach, wanneer / zal ik naad’ren voor Uw ogen, / in Uw huis Uw Naam verhogen?” Dat moment zál aanbreken, in het hemels Jeruzalem. Dan zijn we thuis, voor eeuwig thuis. En drinken we met volle teugen het water uit de bronnen van het heil.

H.J. Lam, Ridderkerk