Terug naar Ecclesianet.nl

Ds. J.H. Grolle (1899-1974), een vriend van Kohlbrugge en van Israël (I)

Vooraf

De visie op Israël is de laatste jaren onderwerp van een hernieuwde discussie in kerkelijke kring. Daarbij gaat het om de vraag, of Israël nog altijd een unieke plaats inneemt in Gods heilsplan. Eeuwenlang overheerste de gedachte dat na Christus’ opstanding de Kerk, als het “geestelijk Israël”, de plaats van het Bijbelse Israel heeft overgenomen. Deze zogenoemde vervangingstheologie verloor na de Tweede Wereldoorlog en de stichting van de staat Israël (1948) in de kerken steeds meer terrein. Maar onder invloed van de negatieve berichtgeving over Israël kwam daarin verandering. In diverse publicaties wordt gesteld, dat aan het huidige Israël geen bijzondere plaats moet worden toegekend: het is een “gewoon” volk, waarop de oudtestamentische landbelofte niet meer van toepassing is. Deze wijziging in het denken over Israël heeft begrijpelijkerwijs scherpe kritiek ontmoet van de kant van hen, die ervan uitgaan, dat voor het huidige Israël nog steeds speciale beloften gelden.

Het is niet mijn bedoeling, in Ecclesia nader op deze discussie in te gaan. Wel lijkt het zinvol, aandacht te besteden aan de visie van dr. H.F. Kohlbrugge. Wij doen dit in het kader van een bijdrage over ds. J.H. Grolle, die jarenlang secretaris van de Hervormde Raad voor Kerk en Israël was. Tijdens een Kohlbrugge-conferentie in 1961 hield hij een referaat over ”Kohlbrugge en Israël”. Grolle schreef eens dat Kohlbrugge voor hem “de brug naar Israël geslagen” had. “Door mij jarenlang met de geschriften van Dr. Kohlbrugge bezig te houden ben ik tot mijn liefde voor Israël gekomen en mede tot een studie van het Joodse vraagstuk en de toekomst van Israël”, aldus Grolle in een – op verzoek van ds. D. van Heyst geschreven – artikel in het Kerkblaadje van 2 juli 1948. Anderhalf jaar eerder uitte de Utrechtse dominee zich al op overeenkomstige wijze in een brief aan dr. O. Noordmans. Deze theoloog had namelijk gereageerd op Grolles pas verschenen boekje De boodschap van Kohlbrugge nú! Noordmans vond dat de auteur Kohlbrugge goed had begrepen. Met dit compliment was Grolle blij verrast en zeer vereerd. Hij schreef Noordmans, dat hij door de aanraking met Kohlbrugge ontdekte dat het hart van onze calvinistische leer ligt in de eenheid van Oud en Nieuw Testament. “Uit het isoleren van het Nieuwe Testament bleken alle ketterijen te ontspringen. Dit bracht mij tot een grote belangstelling in de problemen van Israël”. Grolle merkte daarbij echter op dat zijn interesse voor Israël hem veel verder voerde dan Kohlbrugge zelf gekomen was. Meer calvinistisch opgegroeid dan deze, kreeg hij oog voor het historische, dus ook voor de rol van Gods heilsplan en voor de eschatologie. Als pasbenoemd predikant-secretaris van de Hervormde Raad voor Kerk en Israël zou hij verder en dieper op zulke vragen kunnen studeren.1

Levensschets

In deze bijdrage geven wij eerst een schets van Grolles leven en werk, waarna we ingaan op zijn gedachten over Kohlbrugge en Israël.

Johan Hendrik Grolle kwam op 22 juli 1899 in Amsterdam ter wereld als zoon van Johan Johannes Grolle en Jannetje Antje Helffer. Zijn vader was hoofd van een christelijke school op de Eilanden. Toen Grolle junior vijftien was, verhuisde het gezin naar de Spinozastraat in het hart van de nieuwe Jodenbuurt van Amsterdam-Oost; Joden maakten er meer dan 90 procent van de bevolking uit. Als christenjongen bewees Grolle Joden in de omgeving een dienst door als sjabbesgoj op de sabbat bij hen vuur en licht te maken. Zo raakte hij al in zijn jeugd spelenderwijs vertrouwd met hun levenswijze en godsdienstige verplichtingen. 2 Hij bezocht het stedelijk gymnasium en studeerde gedurende één jaar theologie aan de universiteit van Amsterdam. In die tijd volgde hij de catechisatie van de confessionele predikant dr. P.J. Kromsigt, van wie hij naar eigen zeggen meer leerde dan van de “moderne” Amsterdamse hoogleraren. Ds. Kromsigt bracht hem ook in aanraking met de geschriften van dr. H.F. Kohlbrugge. Grolle ontdekte dat het bij Kohlbrugge altijd ging om de Thora, de Wet des Heren, en dat voor hem de belangrijkste vraag was: hoe wordt vandaag Gods wil gedaan in mijn omgang met de mensen?3

Omdat de Amsterdamse universiteit destijds nog geen kerkelijke hoogleraren had, vervolgde Grolle in de periode 1919-1922 zijn theologische studie in Utrecht. Erg enthousiast over de twee theologische faculteiten was hij niet. Van de Utrechtse hoogleraren waardeerde hij J.R. Slotemaker de Bruïne als pastor voor de studenten. Voor H.Th. Obbink had hij respect in wetenschappelijk opzicht. Maar Obbinks vak, vergelijkende godsdienstgeschiedenis, bekoorde hem allerminst. Toen Grolle bij Obbink tentamen deed, stelde de hoogleraar hem de centrale vraag: wat denkt u in de ambtelijke predikantspraktijk aan dit vak te hebben? Grolle draaide er eerst wat omheen, maar Obbink nam daar geen genoegen mee en wilde een duidelijk antwoord. Grolle maakte toen van zijn hart geen moordkuil en zei: “niets, professor”. Obbink ging daarop uitvoerig op de zaak in, om de student van de pastorale betekenis van zijn vak te overtuigen. Grolle moest toen wel toegeven, dat er meer in zat dan hij aanvankelijk dacht.

In 1922 werd hij toegelaten tot de evangeliebediening. Nadat hij op 28 december van dat jaar te Amsterdam was gehuwd met de domineesdochter Cornelia Buenk (1900-1984), deed hij op 7 januari 1923 zijn intrede als predikant van de Hervormde gemeente van Sloten in Friesland. Deze confessionele gemeente had een kohlbruggiaanse inslag (in de jaren 1897-1908 werd ze gediend door ds. Jan Willemze, die daarna predikant in de stad Groningen werd; hij redigeerde jarenlang de prekenserie “Stemmen uit Jeruzalem”). Grolle begon in Sloten als 23-jarige dominee. Vele jaren later vertelde hij aan professor A.J. Bronkhorst dat eens een rondreizend boekverkoper bij de pastorie aanbelde. Toen Grolle zelf opendeed, informeerde de man of zijn vader ook thuis was. De jonge dominee antwoordde: “Mijn vader is in de hemel, maar u had misschien mij willen spreken….?”4

Ds. Grolle diende de gemeente van Sloten tot 1925, waarna hij naar Hillegom vertrok. Na voor Scheveningen te hebben bedankt, aanvaardde hij een beroep naar Utrecht, waar hij in mei 1928 predikant werd in de wijk rond de Nicolaikerk, ofwel “Klaaskerk”. Zijn komst naar de domstad had hij mede te danken aan de eerder genoemde professor Obbink, destijds “de ongekroonde paus van Hervormd Utrecht”. Er gold een soort gentlemen’s agreement over de verdeling van de predikantsplaatsen: 8 ethischen, 3 confessionelen en 3 gereformeerde bonders. Omdat in een confessionele vacature moest worden voorzien, mocht de confessionele kiesvereniging een drietal indienen. Eén van de drie was Grolle. De ethische professor Obbink gaf toen het parool uit: “op Grolle stemmen, die zegt in elk geval precies wat hij denkt”. En zo geschiedde.5 Volgens ds. Grolle trof hij in Utrecht “een verlammend piëtisme” aan. Toen vond hij steun in Kohlbrugge, wiens objectieve Woordtheologie zijn enige toevlucht was tegenover “dit verbijsterend subjectivisme”, dat Woord en Geest van elkaar losmaakte.6 Tegelijk kwam hij door Kohlbrugge boven deze al-te-menselijke tegenstellingen uit. “Op een goede morgen ontwakend, bleek ik een modern mens te zijn. De academische jeugd en vooral de theologische had oren naar mijn getuigenis. Er ontstond een bloeiende studentencatechisatie, waarop ik de ‘Ophelderingen’ van Kohlbrugge bij de Heidelberger ten grondslag legde.”7

M. den Admirant, ‘s- Gravenhage

Noten
1 Dr. O. Noordmans, Verzamelde Werken, deel IXB (1934- 1955), Brieven, 1999, blz. 784.
2 Dr. J.F.L. Bastiaanse, De jodenzending en de eerste decennia van de Hervormde Raad voor Kerk en Israël 1925- 1965, Zoetermeer 1995, deel I, blz. 383.
3 Pieter Johannes Kromsigt (1866-1941) was achtereenvolgens predikant te Scherpenisse, Wierden, Rotterdam en vanaf 1909 tot zijn emeritaat in 1934 te Amsterdam. In Kerk en Israël, jg. 15 (1961), nr. 2, blz. 20, vermeldt Grolle enige bijzonderheden over zijn catechisatie bij ds. Kromsigt.
4 Herdenkingsartikel van prof. dr. A.J. Bronkhorst in: In de waagschaal, jg. 3 (1974), nr. 2.
5 Idem.
6 Grolle geeft het volgende voorbeeld. Als consulent moest hij eens catechisatie geven in Maarssen, waar het vragenboekje van de piëtistische oudvader Abraham Hellenbroek werd gebruikt. Ds. Grolle hield dit boekje aan, totdat hij ontdekte dat Hellenbroek twee soorten roeping onderscheidde: de uitwendige roeping door het gepredikte Woord van God en de inwendige roeping door de verlichting met de Heilige Geest. De uitwendige roeping was niet voldoende, de inwendige moest er nog bijkomen. “Toen werd het mij toch te gortig”, aldus Grolle, “dat moet er inderdaad nogbij- komen, dat Woord en Geest van elkaar worden losgescheurd”. Hij kondigde aan, dat hij de volgende week verder zou gaan met de Heidelberger. Maar de andere week verscheen er geen enkele catechisant, omdat de kerkenraad de consulent niet langer vertrouwde …. Kerk en Israël, jg. 15 (1961), nr. 2, blz. 22.
7 Brief van J.H. Grolle aan O. Noordmans d.d. 31 januari 1947; zie noot 1). Met de “Ophelderingen” worden bedoeld: Vragen en antwoorden tot opheldering en bevestiging van den Heidelbergschen Catechismus door H.F. Kohlbrügge, een vertaling van de Erläuternde und befestigende Fragen und Antworten zu dem Heidelberger Katechismus (Elberfeld 1851).