Terug naar Ecclesianet.nl

“Schatkamer van het geloof”

Vóór mij ligt een lijvig boekwerk met preken van de kerkvader Augustinus over teksten uit het Oude Testament, ingeleid, vertaald en van aantekeningen voorzien door Joost van Neer, Martijn Schrama en Anke Tigchelaar1. Een boek, dat in juni van dit jaar bij Uitg. Damon in Budel is uitgekomen.

Damon, - de naam van deze uitgeverij is, dunkt mij, voor velen van onze lezers zo langzamerhand een begrip geworden. Hoeveel werken uit de Vroege Kerk zijn er in de loop der jaren, in een goede Nederlandse vertaling, door deze uitgeverij al op de markt gebracht. En dan denken wij allereerst aan het oeuvre van de kerkvader Augustinus. Nadat ik in 2004 in ons blad zijn boek “De Geest en de letter” had besproken, heb ik in 2010 aandacht gevraagd voor een nieuwe uitgave van zijn “Belijdenissen” en voor een bundel preken over teksten uit het Johannes-evangelie (“De weg komt naar u toe”), en in 2012 voor zijn “Handreiking aan de doden” en zijn “Evangeliën-harmonie”. En dan nu de “Schatkamer van het geloof”, een bundel preken over vijftig teksten uit het Oude Testament.

De titel van het boek is een verwijzing naar een gelijkenis van Jezus: “Daarom is iedere schriftgeleerde, die een discipel geworden is van het Koninkrijk der hemelen, gelijk aan een heer des huizes (NBV: huismeester), die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen te voorschijn brengt” (Mattheüs 13 : 52). “Augustinus”, zo lezen wij in de inleiding van het boek, “is zo’n huismeester die oog heeft voor de schittering van de teksten uit het Oude Testament”.

Oud en nieuw

In de nieuwe en oude dingen, waarover in de genoemde gelijkenis wordt gesproken, ziet Augustinus een heenwijzing naar het Nieuwe en het Oude Testament. Deze twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Maar de nieuwe dingen gaan voorop. Het Nieuwe Testament gaat boven het Oude Testament uit. Het Oude Testament is de grondslag voor het Nieuwe, het Nieuwe Testament is een verdere ontwikkeling van het Oude. Oud en nieuw staan dus niet tegenóver elkaar, maar zijn op elkaar betrokken als voorafschaduwing en voltooiing, als belofte en vervulling. En het scharnier, dat de twee met elkaar verbindt, is Christus. Ook in het Oude Testament gaat het over Hem. Onwillekeurig worden wij hier herinnerd aan het bekende “was Christum treibet”, door Luther (een augustijner monnik!) gehanteerd om te bepalen, waarom het bij het uitleggen van de Bijbel gaat.

Een andere vergelijking, door Augustinus gebruikt om de relatie tussen tussen Oud en Nieuw Testament duidelijk te maken, is die van verhulling en onthulling. Aansluitend bij het beeld, dat Paulus in I Corinthe 3 gebruikt, zegt hij: “Het Oude Testament is de verhulling van het Nieuwe, het Nieuwe Testament de onthulling van het Oude”. Maar ons oog moet hiervoor geopend worden. Van nature dragen wij een sluier voor de ogen. Willen wij werkelijk leren zien, dan moet deze verwijderd worden. Is dat gebeurd, hebben wij voor Christus gekozen, dan krijgen wij er oog voor, dat zijn boodschap logisch voortvloeit uit en naadloos aansluit bij de Oud-Testamentische prediking en dat de verhouding tussen Oud en Nieuw Testament er een is van belofte en vervulling, van voorafschaduwing en voltooiing. “Het Oude Testament is de belofte die in tekenen wordt verbeeld. Het Nieuwe Testament is de belofte die op geestelijke wijze wordt begrepen”. Vooral in Augustinus’ preken over de psalmen komt het Nieuwe Testament veelvuldig aan de orde. Soms neemt dit zelfs een veel grotere plaats in dan het Oude, waardoor men het gevoel heeft een preek over een Nieuw-Testamentische tekst voor zich te hebben.

Herhaaldelijk laat de kerkvader ons zien, hoezeer Oud en Nieuw Testament, als belofte en vervulling, voorafschaduwing en voltooing, in elkaar grijpen. Zo is het Oud-Testamentische, aardse Jeruzalem een beeld van het Nieuw-Testamentische, hemelse Jeruzalem en wordt door de lichamelijke besnijdenis de besnijdenis van het hart en door de bevrijding uit Egypte de bevrijding uit de macht van de duivel gesymboliseerd.

Tweeërlei betekenis

Het heeft lang geduurd, voordat Augustinus ertoe kwam zich aan de Heilige Schrift gewonnen te geven. Als leraar in de welsprekendheid (retor) doorkneed in de werken van de antieke auteurs, miste hij in de Bijbel de stilistische hoogstandjes, waarmee hij tijdens zijn opleiding vertrouwd geraakt was. Bovendien stootte hij zich aan verscheidene passage’s, die hij in het Oude Testament tegenkwam. Zijn afkeer hiervan werd nog versterkt, nadat hij onder de bekoring van het zgn manicheïsme was gekomen, een christelijk-gnostische stroming, die naar een zekere Mani (210-276), afkomstig uit Perzië, is genoemd. De Manicheeërs vonden het Oude Testament ronduit verderfelijk. Zij moesten er niets van hebben. Pas toen Augustinus zich – na negen jaar (!) - aan de greep van het Manicheïsme ontworsteld had en in zijn woonplaats Milaan met bisschop Ambrosius in aanraking was gekomen, kreeg hij een andere kijk op het Oude Testament. Door een preek van Ambrosius over II Corinthe 3 : 6 (“De letter doodt, maar de Geest maakt levend”) ging hij inzien, dat het Oude Testament behalve een letterlijke, historische betekenis ook een figuurlijke, geestelijke, allegorische2 betekenis heeft. Om de eenheid van de Heilige Schrift – een eenheid in Christus - tot haar recht te laten komen kan men niet met een historisch lezen volstaan. Integendeel: de tekst is niet te begrijpen, wanneer ons de geestelijke, dieper-liggende, verborgen zin ontgaat.

Zo lezen wij in een preek over I Koningen 17 : 7 – 24 (Elia en de weduwe van Zarfath): “De vrouw was een voorafbeelding van de kerk. Omdat het kruis uit twee stukken hout bestaat, zocht ze met de dood voor ogen naar het hout waardoor ze voor altijd zou leven. Het is een geheim, in schaduwen gehuld” (11,2). De weduwe kreeg een teken: het meel zou niet opraken. Zo leefde zij in hoop.” “Dat teken, dat God haar voor een paar dagen had gegeven, is een teken van het toekomstige leven, waar ons loon niet van opraken weet. God zal daar ons meel zijn. Zoals het meel in die dagen niet opraakte, zo zal ook God nooit ofte nimmer opraken” (11,3).

Psalmen

Na zijn bekering is Augustinus zich op de studie van de Heilige Schrift gaan toeleggen. Vooral door het psalmboek voelde hij zich aangesproken. Tot het einde van zijn leven hebben de psalmen hem vergezeld. Ook hierin is hij een voorloper van Luther, die eveneens een sterke voorliefde voor de psalmen heeft gehad. Naast de Romeinenbrief zijn het vooral de psalmen geweest, die de Heilige Schrift voor hem geopend hebben.3

Toen Augustinus op zijn sterfbed lag, waren de wanden van zijn kamer behangen met vellen papier, waarop de zeven boetpsalmen waren uitgeschreven. “Liggend in zijn bed, kon hij ze zien. Hij las ze en weende daarbij veel en onophoudelijk”, aldus zijn vriend Possidius.

Preektrant

Wanneer wij kennisnemen van Augustinus’ preken, worden wij getroffen door een sterk pastorale inslag. Ook op de kansel weet de kerkvader zich herder van zijn gemeente. In zijn verkondiging neemt de Heilige Schrift een centrale plaats in. Keer op keer grijpt hij terug op verhalen, die in de Bijbel voorkomen, en ontelbaar zijn de teksten, die hij uit de Schrift aanhaalt. Zelf levend met het Woord, prent hij zijn hoorders in, dat zij dit óók moeten doen, omdat hun hierin de wapens worden aangereikt om in de strijd tegen de zonde staande te kunnen blijven. “Het lezen uit de Schrift van God moet iedere dag worden herhaald, want het kwaad van de wereld en de doornen mogen geen wortel schieten in uw hart en het zaad verstikken dat daar is gezaaid”, zo houdt hij zijn hoorders voor (5,1). En een woord als dit staat niet op zichzelf. De oproep tot levensheiliging neemt in Augustinus’ verkondiging een grote plaats in, als gegrond in de rechtvaardiging, die voor hem het hart van het evangelie is.

Polemiek

Bij het lezen van Augustinus’ preken valt ons op, dat zijn boodschap niet zelden een sterk polemisch karakter draagt. Er zijn globaal genomen drie fronten, waarop de kerkvader strijd levert: het reeds genoemde manicheïsme, het donatisme en het pelagianisme.

Tegenover de Manicheërs” met hun “dwaze en verderfelijke aantijgingen” tegen het Oude Testament (1,1) kwam Augustinus op voor het “Zie, het was zeer goed”, door God met het oog op zijn scheppingswerk gesproken (Genesis 1 : 31), en – in de lijn daarvan – voor het Oude Testament, dat, net als het Nieuwe Testament, door God is ingegeven.

De Britse monnik Pelagius, een tijdgenoot van Augustinus, leerde, dat de vrije wil van de mens na de zondeval intact is gebleven en dat de erfzonde een fictie is. De kerkvader trok fel van leer tegen een en ander, daar de mens hierdoor op de troon gezet werd en het “door-genade-alleen” werd uitgehold.

Augustinus’ kritiek gold echter niet in de laatste plaats het donatisme4, een schismatieke stroming, die in het begin van de vierde eeuw in Noord-Afrika was ontstaan. Uit onvrede over het feit, dat de katholieke kerk de zgn traditores – christenen, die tijdens de christenvervolgingen onder keizer Diocletianus (284-305) hun geloof verloochend hadden – weer in haar midden had opgenomen, hadden de donatisten een tegenkerk gesticht. Een kerk, die – aldus Augustinus – geen kerk, maar een partij was. Een volmaakte kerk is een illusie. Er is veel kaf onder het koren. Het is echter niet aan ons het een van het ander te scheiden. “Laat beide samen opgroeien tot de oogst”, zo houdt Jezus ons voor (Mattheüs 13 : 30). Niet wíj zijn tot oogsten geroepen; dit is aan God voorbehouden.

Na het bovenstaande zal het zonder meer duidelijk zijn, dat wij met De Schatkamer van het geloof een uiterst waardevol boek rijker geworden zijn. Een bundel preken, die, hoewel uit een ver verleden afkomstig, nog steeds de moeite van het lezen ten volle waard is. Toegegeven: in zijn enthousiasme (in de letterlijke zin van het woord: van-God-vervuld-zijn) maakt de kerkvader het ons niet bepaald gemakkelijk. Zijn niet te stuiten drang tot allegoriseren brengt hem soms op wegen, waarop wij hem moeilijk kunnen volgen. Maar dit neemt niet weg, dat hij ons in de goudmijn van de Schrift onvermoede schatten laat zien, waaraan wij slechts tot onze schade kunnen voorbijgaan. Vandaar, dat wij De schatkamer van het geloof van harte bij de lezers van ons blad aanbevelen.

J.G. Barnhoorn, Nunspeet

Noten
1 Uitg. Damon (Budel). ISBN: 978 94 6036 067 1. Aantal pagina’s: 689. Prijs: € 89,90.
2 Het woord “allegorisch” is afgeleid van een Grieks werkwoord (Galaten 4 : 24, dat betekent: “in beelden spreken”. De “grootmeester” van de allegorese is de kerkvader Origenes (± 185-253/’54), die overigens naast de letterlijke en de geestelijke zin ook een “psychische” of morele zin aan de tekst toekende.
3 Vgl. De grote ontsporing van Dr. W. Aalders, waarin herhaaldelijk wordt verwezen naar Luthers Vorrede über den Psalter uit 1531.
4 Het donatisme dankt zijn naam aan zijn tweede bisschop, Donatus Magnus, de opvolger van Majorinus, die kort na zijn wijding tot (tegen)bisschop is gestorven.