Terug naar Ecclesianet.nl

J.H. Gunning Jr. over de encycliek van paus Leo XIII: ‘De eenheid der Kerk’ (II, slot)

Uitzicht

Aan het einde van zijn rede geeft Gunning uitzicht op de werking van God. Wij zelf als kerk kunnen de eenheid niet maken, dat moet God doen. Wij hebben de roeping om op onze post te staan en de kerk in trouwe liefde te dienen, want: “Alle oordeelen Gods zijn hun die ze verstaan en aanvaarden willen, tot verlossing. Wij verwachten die verlossing niet van eigen werken of pogen, maar van Gods daad.” Deze hoop leert ons ‘nederig’ en ‘blijmoedig’ te arbeiden in de kerk.

Het past ons niet om de beschuldigende vinger uit te steken naar onze Roomse broeders om zelf rein over te komen. Nogmaals verwijst Gunning naar onze gemeenschappelijke schuld die we als gehele kerk tegenover God hebben. Hij belijdt dat de gehele kerk werelds is geworden. Maar Gunning belijdt ook dat de “Gekruisigde, de Koning der Joden en Heiland der wereld, is tusschen ons. Hij is verheerlijkt in almacht, en heeft zijne kerk niet verlaten. De Heilige Geest blijft bij ons. Daarom gelooven wij dat Hij tot onze verlossing en blijdschap zal verschijnen.” Als we zo naar de droeve omstandigheden van de kerk kijken, zegt Gunning, worden we niet moedeloos!

Moedeloosheid in de kerk ontstaat, omdat de mens zelf “middelpunt aller dingen” wil zijn. Maar daarvan is “het geloof aan de eenheid der kerk het tegendeel.” Gunning vestigt onze aandacht op het woord van Paulus in Efeze 1 vers 10 waar Christus het Hoofd en middelpunt aller dingen wordt genoemd. In de eerste helft van zijn encycliek stemt paus Leo XIII met dit woord van Paulus in. Maar in de tweede helft horen we Leo XIII zeggen: “deze eenheid is in Rome, onderwerpt u allen aan dien Stoel.” Volgens Gunning oordeelt de geschiedenis zelf over deze uitspraak. Door deze uitspraak te handhaven wil “Rome over allen heersen”, terwijl katholiek betekent: “dien allen in de liefde!” De dienende liefde bereikt het wezen, de bodem van het hart. Zij alleen maakt in Christus een echte eenheid van de kerk. Zo kan de eenheid van de kerk bestaan. En daarom zal het “Paus Leo XIII met zijn Encycliek niet gelukken, de schijn-eenheid zijner heerschappij voor die eenheid te doen doorgaan bij wie Gods Woord en de historie kent.” Gunning geeft uitzicht door de blik te richten op het Lam van God dat naar Johannes Apocalyps in hoofdstuk 5 de eenheid van de kerk in zich draagt.

Actualiteit

Gelukkig wordt in onze tijd weer meer nagedacht over de eenheid van de kerk, zoals de kerkvaders die altijd hebben gezocht en wilden bewaren. We spreken over het ene lichaam en de Geest van Christus, zoals ook prof. dr. A. van de Beek onlangs betoogde in zijn boek Lichaam en Geest van Christus, de theologie van de kerk en de Heilige Geest (Zoetermeer, 2012). Met de kerk van alle eeuwen belijden wij dat Jezus Christus het ene middelpunt is van de kerk.

Dat was ook het uitgangspunt van Gunning’s theologie: omdat God één is moet de kerk ook één zijn! Toch mogen we de betekenis van de kerk niet zo accentueren dat ze deel uitmaakt van de heilsgeschiedenis. Dan krijgt de kerk een te massieve plaats. Ook Gunning is zich daarvan bewust. Hij probeert een antwoord te vinden in het evangelie op de vragen die de geschiedenis oproept, als een allerlaatste redding uit de menselijke nood.

Ik kan Gunning hierin alleen maar bijvallen. De kerk is geen ‘heilsinstituut’ op aarde waardoor de relatie en het delen in de genade van Jezus Christus wordt gewaarborgd. In dit kerkbegrip zit een materialistische gedachtegang die zich vereenzelvigt met het Koninkrijk van God. Dan is zo’n kerk inderdaad verplicht aan haar onderdanen om op het leven toezicht te houden en op alle terreinen haar wil op te leggen. In een hiërarchische kerkvorm vertegenwoordigt de kerk dan het Koninkrijk van God op aarde.

Toch wordt in het leven van de genade, het leven als iets volstrekts nieuws door de Geest aan de gelovige gegeven. Zo alleen kan de gelovige het tijdelijk leven als een oordeel ervaren, omdat hij door de Geest uitzicht ontvangt op de eeuwige en onveranderlijke wereld van God. Wij worden in dit leven omgeven door de dood waaraan wijzelf ook eenmaal ten prooi vallen. Maar toch is voor de gelovige de dood het einde niet. Door de dood ontvangen wij het leven dat nu al in ons door Woord en Geest is gewerkt. Jezus Christus zegt: “Ik ben de opstanding en het leven, wie in Mij gelooft, zal leven, ook al was hij gestorven, en ieder die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid” (Johannes 11: 25,26).

Door de Geest leren wij God aanbidden. Wij zien door de ogen van het geloof wie God is: “In Gods licht zien wij het licht.” Pas daarna kunnen wij over God spreken. We beleven eerst de verborgen omgang met God, om daarna te leren en door te geven wie Hij is. Dit in tegenstelling tot gelovigen die het heil in de subjectiviteit eerst in de beleving zoeken en niet in God zelf als het object van ons geloof.

Wanneer die verhouding op de juiste manier door ons wordt gezien, staan wij schuldig tegenover Israël als volk van God en praten we de verdeeldheid (pluriformiteit) en het individualisme in de kerk niet langer goed. Deze wordt dan juist door ons beleden als een zonde voor God, waardoor de arbeid van de liefde in zending en evangelisatie wordt verlamd. Vanuit de eenheid van de kerk doet niet alleen de verdeeldheid van het lichaam van Christus ons pijn, maar ook zij doen ons pijn die de kerk verlaten. Want de eenheid van de kerk kan niet beleefd en beleden worden zonder hen die ons verlieten. Van belang is daarom vanuit de eenheid van God aandacht te schenken aan het eenheidstichtende karakter van de Geest. Het moet ons niet alleen te doen zijn om een belijdende kerk - dat gaat vaak gepaard met scheuringen, omdat de leer belangrijker is dan het leven - maar vooral om één belijdende kerk die haar middelpunt en eenheid zoekt in Jezus Christus. Zo gezien is de kerk het hart van de wereldgeschiedenis. En als de kerk in dat hart meer ruimte geeft aan God, zal het hart steeds vuriger kloppen, wijder en dieper worden om God de eer te geven en het heil voor de naaste te zoeken.

C. Bos, Benschop