Terug naar Ecclesianet.nl

Terugblik op de conferentie in Vianen

Op zaterdag 1 juni jl. werd de jaarlijkse conferentie van de kring van “Vrienden van Dr. H.F. Kohlbrugge” gehouden. Het trefpunt was opnieuw - al weer voor de achtste achtereenvolgende maal- de Grote Kerk in het historische stadje Vianen, dat twee dagen tevoren nog was vereerd met een kennismakingsbezoek van het koningspaar. De dagvoorzitter, ds. G.C. Bergshoeff, verwelkomde de circa honderd aanwezigen, onder wie ds. H.J. Lam als afgevaardigde van de Gereformeerde Bond. In zijn openingswoord memoreerde de voorzitter het overlijden (op 12 december 2012) van ds. J.K. Vlasblom, die vele jaren deel uitmaakte van het Stichtingsbestuur en zich destijds bereid had verklaard deze conferentie te leiden. Onder orgelspel van de heer Kees Geluk werden enkele verzen van Psalm 93 gezongen, waarna ds. Bergshoeff in gebed voorging. Hij las vervolgens de verzen 13-22 van 1 Petrus 3 (in de herziene Statenvertaling) over het rekenschap geven van de hoop. De oproep om verantwoording af te leggen van de hoop die in ons is, heeft belijdenisgeschriften opgeleverd. Telkens opnieuw moeten wij de geloofswaarheden verkondigen in de tijd waarin we leven.

Traditiegetrouw volgde de herdenking van hen die sedert de vorige conferentie (2 juni 2012) uit de vriendenkring werden weggenomen. Voorzover het Stichtingsbestuur bekend, ontvielen ons de volgende broeders en zuster:
1. de heer ds. J. van de Ketterij te Zwartebroek
2. de heer ds. C.A. Korevaar te Rotterdam
3. de heer G. Natzijl te Amersfoort
4. de heer E.M. Bakker te Goes
5. de heer ds. H. Visser te Huizen
6. de heer C.W. Remmelzwaal te Tholen
7. de heer ds. W.E. Steenbeek te Amersfoort
8. de heer R. Schreuder te Brakel
9. de heer Van Beek te Heerde
10. de heer G. Visch te Loosdrecht
11. de heer ds. J.K. Vlasblom te Nunspeet
12. de heer C. Vos te IJsbrechtum
13. de heer A. van Werkhoven te Barendrecht
14. de heer W.H. Alblas te Den Haag
15. de heer K. Zuidema te Wezep
16. de heer J. Bos te Dirksland
17. de heer ds. G. Westland te Zeewolde
18. de heer ds. J. van Rossem te Waarder
19. de heer ds. J.P.van Roon te Zeist
20. de heer G. Paauw te Lunteren
21. mevrouw G.J. Beindorff-Kuil te Rotterdam

Nadat de voorzitter deze namen had voorgelezen en er een korte stilte in acht was genomen, zongen de aanwezigen staande enige verzen van Gezang 293 uit de Hervormde bundel van 1938: “O God, die droeg ons voorgeslacht…”

Belijden, toen en nu

De opzet van de conferentie was ditmaal iets anders dan we gewend waren. ’s Morgens werden twee lezingen gehouden rond het thema: Het belijden van de Kerk, toen en nu. In de middag gaven drie personen korte reacties op dit thema en de lezingen, waarna een forumdiscussie volgde.

Drs. L.J. Geluk ging in een kerkhistorische lezing in op de betekenis van de Duitse vorsten voor de Reformatie en in het bijzonder voor de Heidelbergse Catechismus, die 450 jaar geleden door Ursinus en Olevianus werd opgesteld. De feitelijke macht in het “Heilige Roomse Rijk” berustte niet bij de keizer, maar bij de vele lagere overheden. Zij beslisten welke religie in hun gebied kon worden beleden. De Augsburgse geloofsbelijdenis van 1530, een staatsrechtelijk document, opgesteld door Melanchton, werd door de evangelische vorsten ondertekend. Later maakte Melanchton zich voorzichtig los van de lutherse avondmaalsleer en kwam er een gewijzigde tekst van de Augsburgse confessie. In de Keurpalts speelde keurvorst Frederik III vanaf 1559 een belangrijke rol. Hij was streng rooms opgevoed, werd onder invloed van zijn vrouw luthers en later meer en meer calvinist. De keurvorst zag het als zijn roeping de vrije loop van het Woord van God te bevorderen. Bullinger en Calvijn hadden veel waardering voor hem. In 1563 verscheen een nieuwe catechismus die de vorige, lutherse catechismus moest vervangen. Ze werd opgenomen in de nieuwe kerkorde van dat jaar.

Na een muzikaal intermezzo sprak dr. H. Klink over het belijden in onze tijd. Steeds weer doet zich in de geschiedenis een uitdaging voor, die vraagt om een antwoord. In onze tijd zijn wij geroepen te belijden en te getuigen. Kunnen wij in de Schrift een antwoord vinden op de vragen van vandaag? Hebben we een woord voor de wereld? Stellig, maar dan moeten we er wel van doordrongen zijn dat de Schrift betrouwbaar en relevant is. De kern van de Bijbelse boodschap is, zoals historisch onderzoek aan het licht heeft gebracht: In Christus is het Koninkrijk der hemelen op aarde gekomen als realiteit. Dit is ondermeer verwoord in Gezang 463: “Geef dat uw roepstem wordt gehoord, als eenmaal bij de zee… O vrede van Tiberias, o heuvels in het rond, waar Jezus in het zachte gras de mensen liefhad en genas, en in hun midden stond”. Ook Rembrandt een zintuig voor de presentie van Christus’ Koninkrijk, zoals zijn bijbelse schilderijen en etsen laten zien. Dr. Klink illustreerde de kracht van dit Koninkrijk aan de hand van het levenseinde van Sophie Scholl, die in de Tweede Wereldoorlog met haar broer en enkele anderen in verzet kwam tegen Hitler. Zij hield tijdens haar verhoren vast aan Gods wil. Toen deze nog heel jonge vrouw als een moderne martelares haar dood tegemoetging, had ze Jezus Christus voor ogen. En dat terwijl ze door in te stemmen met het nazi-regime kans had gemaakt de dood te ontlopen. Ook de moderne mens, kan door de verkondiging van het heil Christus gaan zien als degene die de boeien van het bestaan openbreekt en de hemelse werkelijkheid als perspectief biedt.

Nadat mevrouw G.M. van Ommen-Middelkoop nog enkele zakelijke mededelingen had gedaan en er was gecollecteerd, sloot ds. Bergshoeff de ochtendbijeenkomst en sprak een gebed voor de maaltijd uit.

Reacties

In de middagvergadering reageerden mevrouw drs. M.A. Aalders (historica), drs. P.J. Dijkman (hoofdredacteur van Christen Democratische Verkenningen van het CDA) en dr. J. van Eck (classicus en voormalig legerpredikant) op de lezingen.

Volgens mevrouw Aalders geeft de Heidelbergse Catechismus geen volledig antwoord op de problemen van deze tijd. Het gaat daarin om de individuele mens en zijn persoonlijk zieleheil. Maar welk geloofsantwoord krijgen we op vragen als: hoe gaan we om met de schepping, hoe met het begin en het einde van het menselijk leven en waar liggen de grenzen van wetenschap en techniek? Als een ander punt is de Wet der Tien Geboden te noemen. Zijn deze in de Heidelberger niet een tuchtmiddel om ons op het rechte pad te houden? Maar Psalm 119 bezingt in 176 verzen juist de vreugde van de Wet. In het leven van alledag heeft mevrouw Aalders ook moeite met de zinsnede in de Heidelberger, “dat wij geheel en al onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad”. In een nieuwe geloofsleer zou allereerst de lofprijzing van God een plaats moeten krijgen: God, de Almachtige, de Barmhartige en bovenal onze Vader.

Drs. Dijkman stelt vast dat in de politiek een verschuiving van een dogmatisch naar een ethisch christendom heeft plaatsgevonden. Tussen 1910 en 1960 werd de Heidelberger in de Tweede Kamer 60 tot 70 keer geciteerd, in de periode 1960-2010 nog 35 maal en dan meestal door de SGP. Het beroep op de christelijke traditie is vrijwel verdwenen. Soms lijkt het alsof er een smet op het verleden ligt. Toch moeten we met het verleden in gesprek blijven, en wel om drie redenen: het verleden kan ons 1) inspireren, lessen bijbrengen, 2) behoeden voor kortzichtigheid en overhaaste beslissingen en 3) helpen om te relativeren. We mogen het verleden niet verabsoluteren (door het als norm voor het heden te zien), maar evenmin “wegrelativeren” (als we het buiten beschouwing laten). In dit opzicht was er verschil van opvatting tussen twee leden van de vroegere CHU-kamerfractie: H.W. Tilanus, die nogal eens schermde met Groen van Prinsterer, en freule Wttewaall van Stoetwegen, die op de vraag: wat heeft Groen ons vandaag te zeggen, antwoordde: niets!

Dr. Van Eck heeft zich verbaasd over de beslissende rol van de overheid bij de invoering van een catechismus. Onze huidige overheid is juist bezig de laatste sporen van religie uit de samenleving te verwijderen. Aangaande het belang van de Heidelberger merkt dr. Van Eck op dat we in deze catechismus alle theologische thema’s in het blikveld hebben. We kunnen spreken van “een waakhond” bij het Evangelie. Opvallend is bijvoorbeeld de manier waarop de heilsboodschap wordt geformuleerd in antwoord 18: “Onze Here Jezus Christus, die ons van God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking, en een volkomen verlossing geschonken is”. Op dit ”ons”, of liever mij, komt het aan. Maar hoe weet je, of het ook voor jou geldt? Na antwoord 18 volgt de vraag: waaruit weet gij dit? En hierop wordt geantwoord: uit het heilig Evangelie. Het woordje ons maakt kennelijk deel van het Evangelie uit. Het is een Hollands drama dat dit woordje vanaf de 17de eeuw uit de prediking begon te verdwijnen en daarmee ook de zekerheid van het geloof. Een ander voorbeeld van de catechismus als “waakhond” vinden we in vraag en antwoord 10: wil God zulke ongehoorzaamheid ongestraft laten? Neen, maar Hij vertoornt zich schrikkelijk en wil de zonde straffen. In zijn Opheldering van de Heidelberger wijst Kohlbrugge erop dat de catechismus zegt: God wil de zonde straffen en niet: Hij straft de zonde. De toorn van God is eigenlijk het begin van de weg naar verlossing.

Forumdiscussie

Na een korte pauze volgde een forumdiscussie onder leiding van dr. B.J. Spruyt. De vijf genoemde sprekers namen deel aan deze discussie, waarbij ook andere conferentiegangers het woord konden krijgen. Allereerst kwam de actualiteit van het reformatorische belijden aan de orde. Is de vraag van Luther: hoe krijg ik een genadig God, nog actueel of is ze achterhaald? Deze vraag blijft belangrijk, is zeker niet achterhaald, maar ze kan wel worden uitgebreid (dr. Van Eck). Elke eeuw heeft zijn eigen vragen en eigen belijden: de Godheid van Christus, de Drieëenheid, de vrije wil. In de tijd van Luther was de rechtvaardiging door het geloof het voornaamste item (dr. Klink). Drs. Geluk merkte op dat de vraag van Luther alleen terug te vinden is in het eerste deel van de Heidelberger. Ook wees hij er op dat de catechismus werd opgenomen in de kerkorde, maar oorspronkelijk niet bedoeld was als belijdenisgeschrift, maar als leerboekje. In ons land is ze dat wel geworden. Conclusie: de vraag van Luther is niet achterhaald, maar is thans niet meer hét item. Naar aanleiding hiervan merkte één van de aanwezigen op dat Kohlbrugge de catechismus geheel zou onderschrijven; hij had geen optimistisch beeld van de mens. Een andere conferentiedeelnemer wees op het onderscheid tussen algemene en bijzondere genade. Er gebeurt ook veel goeds in de wereld; als het gaat om de omgang met de naaste, kunnen niet-christenen een voorbeeld zijn. Een deelneemster legde er de nadruk op, dat de vraag van het persoonlijk geloof heel belangrijk blijft en actueel is, vooral als we denken aan de vele christenen die vervolgd worden. We moeten voor God rekenschap afleggen en kunnen alleen van genade leven.

Vervolgens werd gesproken over het belijden nú. Het thema van het Nieuwe Testament is: het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Deze gedachte speelde nog niet zo in de eeuw van de Reformatie. Het is als een “armoede” aan te merken dat in onze tijd buiten de kring van geestverwanten geen belangstelling bestaat voor de geschriften van theologen als Martin Hengel en dr. W. Aalders (aldus dr. Klink). In reactie op hetgeen door de heer Dijkman naar voren was gebracht, kwam nog het belang van historisch besef ter sprake. Het vraagstuk van de zin van de geschiedenis moet worden doordacht. Wij zijn geroepen een antwoord uit Gods Woord te geven. Het Schriftwoord kan actueel gemaakt worden voor de huidige situatie , bijvoorbeeld met de oproep, een zekere afstand te bewaren ten opzichte van de moderne media. Het geloof kan mensen ook christelijk zelfbewustzijn aanleren (dr. Van Eck). In de politiek is een belangrijke vraag, of er nog ruimte is voor minderheden: “mag je in Nederland nog gewetensbezwaren hebben?” (drs. Dijkman).

Aan het einde van de conferentie sprak ds. Bergshoeff een dankwoord uit, in het bijzonder aan dr. Spruyt, de vijf sprekers, mevrouw Van Ommen, de organist en de koster. De bijeenkomst werd afgesloten met een dankgebed en het zingen van de beide verzen van gezang 305 uit het Liedboek voor de Kerken.

De deelnemers mogen terugzien op een leerrijke conferentie. Zij die niet aanwezig waren, kunnen uitzien naar volgende nummers van Ecclesia, waarin veel van wat gezegd is, kan worden nagelezen. Bovendien ligt het in de bedoeling, de thema’s die aan de orde kwamen, in ons blad uit te diepen.

Rest ons nog te vermelden dat de collecte het mooie bedrag van € 544,11 heeft opgebracht.

M. den Admirant, ‘s-Gravenhage