Terug naar Ecclesianet.nl

Psalm 87 (in de vertaling van de LXX) en de vroeg-christelijke gemeente

Een psalmlied, met het oog op de kinderen van Kores.
Zijn fundamenten zijn op de heilige bergen
De Heer heeft de poorten van Sion lief
Meer dan alle woningen van Jacob.
Heerlijke dingen zijn over u gesproken, stad van God!

Ik zal Rahab en Babylon in herinnering roepen, als degenen
die Mij kennen:
en zie, de andere stammen, en Tyrus en het volk van de
Ethiopiërs, die zijn daar geboren!
‘Moeder Sion’, zal een mens zeggen,
En een mens werd in haar geboren.
En de hoogste zelf heeft haar fundament gelegd.
De Heer (kurios) zal het vertellen in de geschriften van de
volkeren
en van die heersers die in haar waren.

Zoals wanneer allen zich verheugen, zo is het wonen in u!

De 87e psalm is vreugdevol. Bij elke doopbediening waarin hij gezongen wordt, ervaart de gemeente van Christus daar iets van: “Van Sion zal het blijde nageslacht, haast zeggen: deez’ en die is daar geboren.”

Dit vreugdevolle is terug te vinden in de Hebreeuwse tekst van de Psalm, maar nog veel meer in de hierboven afgedrukte Griekse vertaling ervan, de Septuaginta (LXX), die twee eeuwen voor Christus tot stand kwam. De LXX is de Bijbel die door Joden in de diaspora en in de Griekssprekende synagogen in Jeruzalem werd gebruikt. Dit geldt ook voor de christenen in de eerste christengemeente in Jeruzalem, van wie velen alleen Grieks spraken. Het is van betekenis dat we ons dat realiseren.

In de Psalm vormt vers 5 de centrale tekst: “’Moeder Sion’, zal de mens zeggen en de mens is in haar geboren.” Deze woorden hangen nauw samen met de voorafgaande waarin de stad van God bezongen wordt (vers 3): “heerlijke dingen worden van u verteld, o stad van God!” ‘Moeder Sion’ is dus de ‘stad van God’, waarover heerlijke dingen worden gezegd. Wat zijn die heerlijke dingen?

De dichter heeft Jeruzalem ooit bezocht. De ervaringen die hij er opdeed, vormen de bouwstenen voor een rijk toekomstperspectief, waarin hij de lezer meeneemt: er is sprake van een feestvierende menigte die de straten van de stad bevolkt. De dichter maakt er deel van uit en geeft zijn ogen goed de kost. Ineens, als hij van de ene straat in de andere komt, ziet hij tot zijn verrassing niet alleen Israëlieten. Ook andere volkeren zijn gekomen om God eer te bewijzen. Zij nemen deel aan de feestvreugde. Verrast roept hij uit: ‘Er zijn hier zelfs inwoners en nakomelingen van Rahab en van Babel!’ En hij hoort Gods stem als het ware, die daarvoor gezorgd heeft: ‘Ik zal ze me te binnen brengen, omdat ze Mij kennen.’

De Psalm geeft een opsomming van de volken die hij er aantreft. Babel, Rahab, Tyrus. Zelfs Filistijnen en de nakomelingen van de Ethiopiërs zijn in Sion te vinden, sterker: ze zijn er geboren. Om die reden roept hij in verwondering over Jeruzalem uit: “moeder Sion!” De stad van God is de moederstad. Deze exclamatie komt zo niet voor in de Hebreeuwse tekst. Het woord ‘moeder’ ontbreekt. Er staat niet meer dan: “Ja, van Sion wordt gezegd: ieder van hen is in haar geboren.”

In de Griekse versie wordt niet alleen het woord ‘moeder’ toegevoegd. Er staat ook dat een mens zal zeggen ‘moeder Sion’. Meerdere uitleggers van de Psalm zijn het erover eens dat de woorden een verwijzing bevatten naar de profetie van Bileam, zoals we die opnieuw vinden in de LXX.

Bileam was een ‘heidense’ profeet. Toen het volk Israël door de woestijn naar het beloofde land trok, dwong Balak hem om, terwijl hij vanaf een heuvel neerkeek op het volk, een onheilsprofetie over het volk uit te spreken. In plaats daarvan sprak hij een beloftevolle toekomstvoorspelling uit. Deze voorzegging is in de Griekse tekst van het OT veel rijker dan in de Hebreeuwse tekst. Het opvallende van Bileam’s voorzegging is de paradijselijke schildering van Kanaaän waar het volk zou gaan wonen. Bileam schildert de toekomst zo dat het is alsof God het volk, als het in Kanaaän gaat wonen, terugvoert naar het paradijs, waar het goed was, waar vier waterstromen ontspringen en waar de mens (Adam) in zijn prilheid met God kon leven. Hij voegt er onmiddellijk aan toe: “Dan zal er een man (of: een mens) komen, die zal regeren over al de volkeren. God zal hem uit Egypte voeren.” Tegen deze paradijselijke achtergrond zal er, aldus Bileam, in Israël een heilandsgestalte komen, een koning, die vanuit Sion zal regeren over alle volkeren.

De woorden van Bileam, zoals we die vinden in de Griekse tekst hebben een belangrijke rol gespeeld, vooral in het Jodendom van de diaspora. De vertaler van Psalm 87 was er ook bekend mee. Psalm 87 zinspeelt op deze paradijselijke toestand met de al aangehaalde woorden “‘Moeder Sion’! zal een mens zeggen.” In dat licht wordt het verklaarbaar dat de volkeren in het feestgedruis in de heilige stad aangetroffen worden. Het is alsof het bejubelde Jeruzalem aanschuift tegen het paradijs! De rijkdom van de stad doet paradijselijk aan. Zij heeft iets moederlijks. Zo worden in de Psalm de contouren van het toekomstige Sion geschilderd: in de stad openbaart God zich als in het begin van de schepping. De (nieuwe) mens wordt er geboren. En: er is een heilskoning die daar zorg voor draagt en de stad de eer geeft ‘moeder’ genoemd te worden. Veel volkeren worden erin geboren, omdat Hij er regeert!

Deze Psalm kende de vroeg-christelijke gemeente, die met Pinksteren ontstaan is. Het loont de moeite om deze Psalm als het ware met haar ogen te lezen. De gemeente leefde in Jeruzalem, toen de stad opnieuw het absolute centrum van het Jodendom was geworden: de stad was door Herodes enorm verfraaid en vormde het middelpunt van het Jodendom. Zij had ook een internationale uitstraling. Op de feestdagen bevolkten duizenden pelgrims de stad, ook proselieten uit vele volkeren. In deze situatie moet de christelijke gemeente, in het licht van de recente gebeurtenissen rondom Jezus, het volgende opgevallen zijn als ze de Psalm las.

1. Heerlijke dingen worden van Jeruzalem verteld. Men kende deze ‘dingen’ maar al te goed. Op het Pinksterfeest was de Geest van God neergedaald en Jezus’ heerlijkheid was voor de pelgrims manifest geworden. Ze was aan het licht gekomen met grote overvloed.
2. In dit Jeruzalem was Jezus gekomen, die tot de stad gezegd had (moederlijk bijna): “Jeruzalem, Jeruzalem, hoe vaak heb Ik u bijeen willen vergaderen, als een hen haar kuikens, maar gij hebt niet gewild.” Met deze woorden zinspeelt Jezus op het ‘in Jeruzalem geboren worden’.
3. Jezus was na de blijde intocht bij de tempel gekomen. Deze reinigde Hij, omdat de tempel niet, zoals bedoeld, een bedehuis was voor ‘alle volkeren’. De tempel werd afgeschermd van de heidenen, het voorhof der heidenen werd bezet door verkopers van dieren voor de offerdienst. Ruimte voor de heidenen was er niet.
4. Men had er Jezus gevangen genomen en gekruisigd. De 118e psalm die de schare zong op Palmzondag was in vervulling gegaan: de hoeksteen van God werd weggeworpen door de bouwlieden. Maar tegelijk: “God heeft hem tot een hoeksteen gelegd.” Het is Pasen geworden, even buiten Jeruzalem ontmoette Jezus Maria Magdalena en de discipelen en velen meer.
5. In het verlengde van de opstanding is Jezus verheerlijkt, tot kurios geworden: “Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde, gaat dan heen en onderwijst alle volkeren, te beginnen bij Jeruzalem, waar u door mijn Geest kracht uit de hoogte zult ontvangen om dit te kunnen doen!”
6. Dit laatste had plaats gevonden op het Pinksterfeest, toen velen uit allerlei volkeren (ook proselieten die bij het feest waren) tot geloof kwamen en “toegevoegd werden aan de gemeente die zalig werd.”

Tegen deze achtergrond is het dat Psalm 87 des te meer ging spreken. De Psalm is met Pinksteren tot vervulling gekomen! Daardoor kregen de woorden van de Psalm een veel vollere klank dan tot kort tevoren. Langzamerhand is het de gemeente duidelijk geworden welk een wonderlijk perspectief er in deze Psalm zit. Zij spreekt niet alleen over het concrete zichtbare Jeruzalem van elke dag, maar ook over de kerk, de ecclesia, die in Jeruzalem is ontstaan. Zij is gebouwd op de steen, die in eerste instantie door de leidslieden van het volk verworpen werd, maar door God verhoogd werd. Zo is zij een moederstad geworden, het gebouw, de nieuwe tempel, waarnaar de volkeren toestroomden! Zo begon deze Psalm in Jeruzalem in vervulling te gaan, alleen op een veel grootsere manier dan het oude Jeruzalem kon waarmaken.

De Godsstad waarover de Psalm zingt, is de stad die een Mens (Jezus Christus) aanwees als de moederstad! Jezus bracht haar tot stand op Golgotha, op de Paasmorgen en Hij opent op Pinksteren de toegang tot deze stad. Hij droeg er zorg voor dat veel volkeren kwamen en daar geboren werden! De toegang wordt verleend waar Hij erkend wordt als Heer (kurios), zoals Petrus dit de samengestroomde menigte op het tempelplein voorhield: “het zal zijn dat een ieder die die Naam des Heren aanroept, zalig zal worden.” ‘Aanroepen’ wil zeggen: als kurios/Heer erkennen.

Maar niet alleen in Jeruzalem zullen de volkeren daartoe aangespoord worden. Dat gebeurt door de apostelen over heel de wereld. Zo zou in vervulling gaan wat Bileam voorzegde: een Man zou komen, die over alle volkeren zou regeren. Hij doet dat door middel van de apostelen. De stad die daardoor tot stand komt, is werkelijk door de Allerhoogste zelf gesticht, zoals het slot van Psalm 87 (LXX) aangeeft!

Het is alsof de Psalm in de Griekse vertaling nog meer aanduidt. Er is sprake van geschriften waarin de grote daden van God zijn opgeschreven, die onder de volkeren en hun koningen worden verspreid. Onwillekeurig denk je daarbij aan de Evangeliën en de brieven van de apostelen.

Vooral is er sprake van vreugde. Het wonen in Sion, het betrokken zijn bij de stad van God, heeft iets paradijselijks. Niet voor niets heet de boodschap van de apostelen ‘Evangelie’, blijde boodschap. Want Jezus herstelt de paradijselijke toestand, waarin de mens geboren wordt: de nieuwe mens, die wederom geboren wordt uit de Heilige Geest. De vreugde die dat teweeg brengt, is onuitputtelijk: Zoals wanneer allen zich verheugen, zo is het wonen in u!

H. Klink, Hoornaar