Terug naar Ecclesianet.nl

Vijf en zestig jaar: staat Israël

I

In gedachten gaan we 65 jaar terug.

Naar Tel Aviv, in Israël.

Daar is op 14 mei 1948 een kring van 37 vooraanstaande Joden bijeen in de voormalige woning van Meir Dizengoff, de eerste burgemeester van de stad die in 1909 als een buitenwijk van Jaffa begon.

Te middernacht zal het Britse mandaat over Palestina aflopen.

Dit mandaat werd na de Eerste Wereldoorlog ingesteld over de gebieden die sinds het begin van de 16e eeuw waren overheerst door de Turken (het Ottomaanse Rijk).

Dit rijk had de kant van Duitsland en Oostenrijk gekozen en hoorde dus bij de partij die de oorlog verloor.

De Volkenbond verdeelde de gebieden van het Nabije Oosten in 1919 tussen Frankrijk en Engeland.

Palestina en Jordanië waren aan Engeland toegewezen, dat het in de loop van de jaren steeds moeilijker kreeg met de oorspronkelijke bevolking en de binnenstromende Zionisten: Joden die uit Europese landen ervoor kozen naar hun bakermat te gaan, waar zij onder zware omstandigheden het dun bevolkte land bewerkten en steden en dorpen stichtten.

De Verenigde Naties, in de plaats gekomen voor de mislukte Volkenbond, hadden op de kaart van het gebied lijnen getrokken die als grenzen zouden functioneren tussen het Arabische en Joodse gebied.

Maar hoe zou het gaan, wanneer de laatste Engelse soldaten vertrokken waren en de kwetsbare Joodse minderheid achterlieten?

De aanwezigen in de vroegere burgemeesterswoning, toen een museum, zijn het samen eens: zij zullen een staat uitroepen, een Joodse staat, de staat Israël, die te middernacht het Britse bewind zal opvolgen.

Een plechtige verklaring wordt door één van hen, David Ben Goerion, voorgelezen en daarna door alle aanwezigen ondertekend. Na 25 eeuwen is er weer een vrije staat Israël!

Het antwoord is: een onmiddellijke oorlogsverklaring door alle buren van de nieuwe staat en andere mogendheden. Egypte, Libanon, Syrië, Irak, Transjordanië, Jemen en Saoedie-Arabië vallen hem aan en het wonder geschiedt dan: de kleine, nieuwe staat weerstaat de zevenkoppige vijand en weet zich te handhaven, ook in volgende oorlogen die hem worden aangedaan.

II

Voor het ontstaan van de staat Israël kunnen veel personen genoemd worden, die een uiterst belangrijke rol hebben gespeeld.

Van die vele namen noem ik er twee, die van Theodor Herzl en Lord Balfour.

De eerste was een Jood, die uit geheel geassimileerde ouders in 1860 in Boedapest werd geboren. Na zijn rechtenstudie tot doctor gepromoveerd, maakte hij in Parijs, waar hij werkzaam was voor de Neue Freie Presse, de affaire-Dreyfus mee. Deze hield in dat in een opzienbarend proces op valse beschuldiging een Frans officier van Joodse afkomst werd vernederd en veroordeeld wegens landverraad. Daarbij gonsde het in Frankrijk van anti-Joodse stemmen. Herzl begreep ineens: wij Joden zijn en blijven, al zijn wij nog zo opgenomen in de cultuur van een bepaald volk, het mikpunt van haat. En daarom zijn wij nergens zo veilig als in een eigen, dus Joods land. Vanuit dit inzicht schreef hij Der Judenstaat, dat in februari 1896 verscheen.

Dit kleine boek werd een grote stimulans voor een beweging die al tientallen jaren eerder op gang was gekomen - Herzl wist daar aanvankelijk niets van - om Joden te motiveren naar Palestina te emigreren, omdat hun integratie eigenlijk overal was mislukt.

Herzl zelf dacht niet direct aan Palestina; een land als Oeganda mocht het ook wel zijn. Maar van die gedachte kwam hij spoedig terug en het werd: Palestina.

De nog kleine beweging groeide als ‘Zionisme’ (de term is niet van Herzl, maar van een zekere Nathan Birnbaum) enorm uit.

Onder leiding van Herzl werd dan hier dan daar in grote Europese steden een Zionistisch congres gehouden.

Hij reisde in 1898 ook naar Palestina toen de Duitse keizer Wilhelm II daar op bezoek was en zocht contact met hem. Maar de keizer toonde geen interesse.

Moe van het leven overleed Herzl in 1904.

Hij was nog maar 44 jaar oud.

Maar hij is het die de basis heeft gelegd voor de Joodse staat en geldt voor Israël terecht als ‘de vader des vaderlands’.

De tweede naam die in dit verband niet ongenoemd kan blijven is die van de Schotse Lord Arthur James Balfour, die tijdens de Eerste Wereldoorlog minister van buitenlandse zaken was en 2 november 1917 aan Lionel Walter 2e Baron Rothschild namens de Britse regering de steun toezegde voor een nationaal tehuis voor de Joden in Palestina. Hij schreef: “Zijne Majesteits Regering staat welwillend tegenover de vestiging in Palestina van een nationaal tehuis voor het Joodse volk, en zal haar beste krachten aanwenden de verwezenlijking van dit doel te bevorderen, waarbij het duidelijk moet zijn dat niets zal worden ondernomen dat de burgerlijke en godsdienstige rechten van niet-Joodse gemeenschappen in Palestina zou kunnen aantasten, of de rechten en de politieke status die Joden genieten in enig ander land.”

III

In de jaren die volgden nam de golf van immigranten toe, met als gevolg dat op den duur het Engelse gezag de situatie niet meer in de hand had. Veel Joodse organisaties kwamen in die jaren tot stand. Ook werd de Hebreeuwse Universiteit in 1925 geopend op de Scopus berg. Voor de uitroeping van de staat Israël na de nameloze verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog was de Balfour-verklaring van eminent belang. Zij kan gelden als de staatsrechtelijke basis daarvoor. Daarbij moet wel worden bedacht dat Balfour niet sprak van een ‘state’ maar van een ‘home’. De Arabieren/ Palestijnen verwierpen de grenslijnen die tevoren waren getrokken. Daardoor kwam het in 1948 niet tot een Palestijnse staat en leven Israël en de Palestijnen al 65 jaar met elkaar op voet van oorlog, zoals Israël en de Filistijnen in de tijd van het Oude Testament.

Het is niet minder dan een wonder dat dit oude volk, ondanks alle pogingen het uit te roeien nóg bestaat. En dat een deel hiervan weer woont in het land van weleer. Men moet wel blind zijn wanneer men in de stichting en het voortbestaan van deze – seculiere - staat, die evenals ieder staatsverband zijn verkeerdheden en zonden heeft, niet Gods hand opmerkt. En welk christen zou willen ontkennen dat de God van de Bijbel, de God van Israël, de God en Vader van onze Heer Jezus Christus nog ‘iets’ met dit volk heeft en geloven dat Hij er nog een plan mee heeft?

L.J. Geluk, Rotterdam