Terug naar Ecclesianet.nl

J.H. Gunning jr. over de encycliek van paus Leo XIII: ‘De eenheid der Kerk’ (I)

Voorafgaand aan zijn aftreden dit jaar heeft paus Benedictus XVI op Aswoensdag opgeroepen tot de eenheid van de kerken. De paus riep in zijn preek op om ‘het individualisme’ en de ‘rivaliteit’ te overwinnen. De christenen hebben in onze tijd de opdracht om zich te bekeren tot eenheid onder elkaar.

Wanneer de kerk zich in dit opzicht verandert, is dat een ‘nederig’ en een ‘kostbaar teken’ voor ‘hen die zich van het geloof hebben afgekeerd en onverschillig zijn’. Een verre voorganger van paus Benedictus XVI, paus Leo XIII (1810-1903) heeft op 29 juni 1886 eenzelfde geluid laten horen in zijn encycliek over ‘De eenheid der kerk’. De protestantse predikant en theoloog J.H. Gunning Jr. (1829-1905) reageert in zijn opening van de lessen voor het academische jaar 1896/97 op deze encycliek van paus Leo XIII ook met een rede over ‘De eenheid der Kerk’. Wat is eigenlijk het uitgangspunt voor de eenheid van de kerk en wat zegt J.H. Gunning jr. hierover?

Aanleiding

In zijn openingsrede benadrukt Gunning voor de theologische studenten de waarheid uit Gods Woord dat aan hen het Leven openbaart. Het Leven wordt uit het geloof gekend omdat Jezus Christus geopenbaard is, Hij is het middelpunt van de kerk. De kerk is van hemelse oorsprong en vindt haar ‘afdruk in de eeuwige eenheid van God de Vader en de Zoon in de Heilige Geest en is daarom de grond van alle liefde, alle kennis, alle kunst, alle heldenmoed die in de wereld bestaat.’ Op grond van dit getuigenis ‘is God niet alleen in de geschiedenis, maar veeleer de geschiedenis in God.’

Wanneer de vernieuwde mens in zijn nieuwe leven uitspreekt: ‘ik geloof in de Heilige Geest’, dan volgt daar als een nadere verklaring op: ‘ik geloof één Kerk’, en hij duidt daarmee die eenheid als ‘heilig’ en ‘algemeen’ aan.

Gods eer of godsdienstigheid?

Gunning spreekt zijn rede uit met het oog op het vakgebied van de symboliek. In deze cursus wil hij nadenken over de rooms katholieke leer in tegenstelling tot de protestantse. Aan het begin wil hij daarom de aandacht vestigen ‘op de waardige taal waarin de Bisschop van Rome, Paus Leo XIII, met zijn Encycliek Satis cognitum, over de eenheid der kerk, den 29ste Juni dezes jaars de christelijke wereld heeft toegesproken.’ Met eerbied wil Gunning luisteren naar hetgeen de paus uit het Woord van Christus wil zeggen.

Gunning heeft veel waardering voor de stellingen die de paus in zijn encycliek verkondigt. Toch heeft hij – anders dan de paus – niet allereerst de redding van de mens op het oog, ‘maar de openbaring van Gods heerlijkheid, de eere Gods.’ Daar is het heil van de mens inbegrepen: in Gods eer gaat het tegelijk om ons heil, maar dat heil moet pas in de tweede plaats worden genoemd. Dat onderscheid is belangrijk. Jezus leert dat zelf in het ‘Onze Vader’. Eerst komt de bede om de heiliging van Gods naam, zo aanbidt de mens God als hij in relatie met Hem treedt. Maar als ‘ons geestelijk leven daalt, deze gemeenschap met God verflauwt, komt voor God de godsdienstigheid in de plaats.’

Volgens Gunning wordt daarmee het belangrijkste uit het ‘objectieve’ naar het ‘subjectieve’ verlegd. Dan zien we niet meer dat God genadig naar ons afdaalt, maar gaan wij vroom opklimmen tot God, zoeken we het niet in Gods woord, maar in het leven van ons hart. Gunning noemt de hoogste waarheid van Gods Woord de ‘rechtvaardiging uit het geloof’. Als dat niet het geval is verwereldlijkt de kerk. Dan denkt ze niet meer aan het ‘toekomstig Koninkrijk van Christus’. Zou dat dan wel gekomen zijn ‘in den machtigen, van zijn Kardinalen als Rijksgrooten omstuwden, Paus te Rome?’

Naar Gunning’s mening is niet alleen de roomse maar ook de protestantse kerk tot subjectivisme vervallen. Een groot gevaar binnen het protestantisme is dat men de veelvormigheid (pluriformiteit) van het individualisme in de verschillende kerken goed spreekt. Dat is niet naar Gods wil, omdat het godsdienstigheid is, menselijke vroomheid.

De toetssteen voor de eenheid van de kerk moet volgens Gunning het Woord van God zijn: ‘één Heer, één geloof, één doop’. Het protestantse beginsel van ‘de rechtvaardiging uit het geloof’ is hem lief. Met eer wil hij de naam protestant dragen, omdat het ‘protesteren’ in de diepste zin positief is. Met de naam protestant zegt hij tegen alle andere christelijke, kerkelijke namen en stromingen: ‘ik beroep mij tegen u op onzen gemeenschappelijken grond, de ééne heilige katholieke kerk van allergedoopten’. Zo is de geschiedenis het doorlopend bewijs van Gods bestaan. Alleen in God vinden we de eenheid van de kerk en ‘door die eenheid kunnen wij Hem waarlijk kennen (1 Joh. 4, 7 – 13).’

Doel

Wat wil Gunning met zijn rede bereiken? Hij zegt het zelf met deze woorden: ‘Alleen de historie, zeiden we, als werking des Heiligen Geestes, maakt de eenheid der kerk openbaar.’ Dus geen mens, ook paus Leo XIII niet kan die eenheid maken, dat kan God alleen! Willen we die eenheid ontvangen, dan is het nodig ‘dat het z o n d i g e en v e r d e r f e l i j k e der bestaande scheidingen erkend worde’. Voor Gunnings besef is de eenheid van de kerk nog niet in zicht. Hij klaagt over het feit dat onder de gelovigen ‘het gevoel van Gods heiligheid’ en het besef ‘voor het onderscheid van goed en kwaad’ veelal weg is. Er is een ‘verdooving van het besef dat de kerk geroepen is, als eenheid in de verscheurde wereld Gods heerlijkheid te openbaren en als Christus’ Bruid de reine waarheid, de heilige liefde in zich belichaamd te toonen.’

Gunning concludeert dat ‘allereerst de verdeeldheid der kerken en belijdenissen eene zonde tegen God’ is. De kerk is in deze wereld geroepen om te getuigen van God, maar velen achten de waarheid subjectief en komen tot het gezegde: ‘roomsch, protestants, och, ieder zweert de waarheid te bezitten; wien moet ik dan gelooven?’ Daarmee wordt de arbeid van de liefde van ‘de in- en uitwendige zending, verlamd’. Want Christus bidt als Zoon tot de Vader dat christenen één zouden zijn, ‘opdat de wereld geloove dat de Vader hem gezonden heeft ( Joh. 17,21).’ Hoe komt de wereld dus tot geloof? Inderdaad door de prediking, Gods opzoekende liefde! Maar die liefde moet wel gevormd worden door de zichtbare eenheid van de belijders.

Er wordt, volgens Gunning, in de kerk van zijn tijd veel hulp verstrekt aan alle sociale noden en gezegend is die arbeid van de liefde. ‘Maar het zijn moet aan het doen voorafgaan’, zal het werk van de liefde werkelijk gezegend worden. Om zover te komen is er schuldbelijdenis nodig, dan zal God door het gericht heen de eenheid van de kerk weer zichtbaar maken. Gebeurt dat niet dan is voor Gunning de toekomst van de kerk ‘door de Nieuw Testamentische profetie’ gepredikt, dat kerken uit de heidenen ten einde lopen, omdat zij tegenover Israël “hooggevoelend” zijn geweest. De kerk heeft ‘Israël als een voor goed ter zijde gesteld bestanddeel van het verleden beschouwd, daarom treft haar het oordeel der afhouwing (Rom. 11, 16-27).’ Dit oordeel zal zeker het protestantisme en het rooms-katholicisme treffen. Daarom vindt Gunning het jammer dat de encycliek van Leo XIII niets zegt over ‘hoe de gehele Kerk van aanvang tot einde Gods genadegaven en leidingen misbruikte’. Alleen door aanvaarding van Gods oordeel en de bekering van de kerk zal de eenheid van de kerk weer zichtbaar worden, dat is naar Gods beloften.

C. Bos, Benschop