Terug naar Ecclesianet.nl

De Reformatie en de overheid – bepaaldelijk in de Keurpalts rond het jaar 1563

Kerkhervorming, geen kerkscheuring

Wanneer Friedrich Myconius, een vriend van Luther, rond 1540 zijn Historia Reformationis schrijft, vertelt hij dat de 95 stellingen die Luther in 1517 publiceerde, in twee weken door het hele Duitse rijk hun weg vonden.

En in vier weken, aldus nog steeds Myconius, waren ze in ongeveer de hele Christenheid bekend geworden. Het was alsof de engelen als boden door het land waren gegaan.

Het is inderdaad verbazingwekkend hoe snel deze stellingen een brede bekendheid kregen en wat zij op talloos vele plaatsen losmaakten. Al reisden hiervoor geen engelen door het land, hier blijkt wel de enorme betekenis van de boekdrukkunst. En ook hoezeer de ‘bodem’ hiervoor was voorbereid.

Wij weten dat Luther met de publicatie van zijn stellingen geen kerkhervorming op het oog had, maar slechts het gesprek met collega’s en theologen zocht. Dat gesprek zou dan, naar aanleiding van de aflaten die op grote schaal te koop aangeboden werden, moeten gaan over wat de Bijbel zegt over de vergeving der zonden.

Nog minder dan een kerkhervorming had Luther een kerksplitsing op het oog. Het is er in de stroom van gebeurtenissen die op 1517 volgden wel van gekomen. De reactie van Rome was immers dat Luther werd geëxcommuniceerd. Dus de kerk werd uitgebannen. Daarop volgde in 1521 de rijksban. Wij kunnen ons dat in 2013 niet indenken wat dat in die tijd betekende: de ene Kerk in West-Europa te zijn uitgezet en daardoor buiten het hemelrijk te zijn gesloten èn vogelvrij te zijn verklaard. Dit laatste betekende dat ieder die dat wilde hem straffeloos mocht doden.

Wat zou er van hem geworden zijn wanneer zijn vorst hem niet in bescherming had genomen? De keizer van het Duitse Rijk had de rijksban uitgevaardigd, maar Frederik de Wijze, de keurvorst van Saksen had de moed de paus en de keizer te trotseren. Hij liet zich noch door het kerkelijk noch door het hoogste wereldlijk gezag de wet voorschrijven. Hij liet Luther op de Wartburg in veiligheid brengen en ook de volgende jaren trad hij op als de beschermer van Luther en dat bleef zo onder Frederiks opvolgers. Opvallend daarbij is dat de keurvorst die een verwoed verzamelaar van relikwieën was, zich nooit duidelijk voor de Reformatie heeft uitgesproken en Luther nooit persoonlijk heeft ontmoet.

Hoewel een scheuring van de kerk in West-Europa dus allerminst het programma van Luther was, heeft zijn optreden daar wel toe geleid. Er ontstond een kerk die niet meer onder het gezag van de paus stond.

De kerk in het Duitse Rijk

Dat een kerk naast die van Rome kon ontstaan en bestaan, was afhankelijk van het standpunt dat de overheid innam. “De overheid” was in het grote Duitse rijk, het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie, een meervoudig begrip. Het oppergezag berustte bij de keizer, maar zijn macht was gering. De feitelijke macht berustte bij de enkele honderden hertogen, markgraven, graven, baronnen, ridders, aartsbisschoppen, bisschoppen, en besturen van de ongeveer 65 vrije rijkssteden. Het Duitse rijk was als een lappendeken, waarin de grenzen van die ongeveer 300 gebieden uiterst grillig waren en ten gevolge van delingen en samenvoegingen van de gebieden zich altijd weer veranderingen in het gezag voordeden. Het waren deze gezagdragers, de overheden die beslisten of in hun gebied de Reformatie toegang kreeg of niet.

Bij de dood van Luther zag de confessionele kaart van het rijk er bontgekleurd uit, want in het ene gebied had de Reformatie wel, in het andere geen toegang gekregen. En die ontwikkeling ging na 1546 door, totdat in 1555 na heftige strijd op de rijksdag in Augsburg officieel werd vastgesteld dat de vorst (en van de rijkssteden het stadsbestuur) zou bepalen welke religie in zijn gebied zou worden beleden. ‘Cuius regio eius religio’ - werd deze regeling later genoemd.

Ruimhartig kan deze regeling niet genoemd worden. Er was slechts uit twee mogelijkheden een keuze te doen: men stelde zich onder het kerkelijk gezag van Rome, of koos voor de confessie van Augsburg. Wie in zijn land of stad dezelfde religie aanhing als die van zijn vorst of stadsbestuur had geen problemen, maar wie daarvan afweek had deze wel terdege. Hij moest óf de eigen belijdenis inruilen voor die van zijn overheid en als hij dat niet kon of wilde, het gebied verlaten. Zijn enige recht was dat hij de vrijheid had tot emigratie.

Het was dus óf óf. De leer van Rome of de confessie van Augsburg. Een derde weg was er niet, zodat er voor wederdopers en aanhangers van een sekte geen enkele ruimte was. Dat was niet nieuw, want die ruimte hadden zij nooit bezeten.

Melanchthon, de opsteller van de Augsburgse confessie

Deze regeling die na veel strijd tot stand was gekomen en bedoelde rust te brengen in het door strijd verscheurde Rijk, leek in eerste instantie duidelijker dan zij in de werkelijkheid bleek te zijn. De vraag kon worden gesteld en wérd ook gesteld: welke belijdenis van Augsburg is nu precies bedoeld? De oorspronkelijke tekst (die van 1530) of een latere?

De opsteller van deze belijdenis was Philippus Melanchthon. Zij was in het laatst genoemde jaar, 1530, namens de evangelische vorsten en stadsbesturen, tijdens de rijksdag in Augsburg aangeboden aan de keizer. Het was een staatsrechtelijk document, door de evangelische vorsten ondertekend, waarin zij uitspraken wat zij op grond van de Heilige Schrift geloofden en beleden.

Maar in de jaren die volgden had Melanchthon aan ‘zijn’ stuk hier en daar wat gewijzigd en de voornaamste verandering had betrekking op de leer van de aanwezigheid van Christus in het Heilig Avondmaal. De overtuiging dat Christus op grond van de alomtegenwoordigheid van zijn lichaam na zijn Hemelvaart ook substantieel in brood en wijn aanwezig was, had Melanchthon voorzichtig losgelaten. Het was en bleef de leer van Luther, die hij met hand en tand tot zijn dood toe verdedigde. In dat spoor gingen de Luthersen verder die zich als de ‘echte’ Lutheranen beschouwden, terwijl ook vele andere Luthersen neigden naar de opvatting van Melanchthon of die opvatting duidelijk aanhingen.

Luther had getoornd tegen allen die hem in zijn Avondmaalsleer niet volgden. Hij had de felste bewoordingen gebruikt om hen neer te sabelen. Hij gruwde van de volgelingen van Zwingli, de Zwitsers, de sacramentariërs.

Desondanks was Melanchthon, die talloos vele contacten onderhield, onder meer met Bullinger (wel genoemd ‘de vader van de Gereformeerde Kerken’) Bucer en Calvijn, in hun richting opgeschoven en daaraan had hij ‘zijn’ Augsburgse confessie aangepast.

Aan het einde van Luthers leven – hij stierf in 1546 – tekenden zich de breuklijnen onder zijn volgelingen af en na zijn dood was de eenheid onder hen helemaal zoek en was het woord aan smaad en laster, vooral van de kant van hen die Luther kritiekloos volgden. Melanchthon heeft nameloos veel geleden onder wat hij noemde ‘de razernij van de theologen.’

Kryptocalvinisten

Maar keren wij terug naar de vraag van de geldende tekst van de Augsburgse confessie. Welke tekst was bedoeld? Die van 1530 (de ‘invariata’ – de ongewijzigde) of de latere (de ‘variata’ – de gewijzigde)? Deze gewijzigde tekst was in 1541 aangeboden op de rijksdag te Regensburg.

De eigenlijke vraag was deze: konden ook de ‘Kryptocalvinisten’ tot de ‘verwanten van deze confessie’ gerekend worden? Met ‘Kryptocalvinisten’, meest gebruikt als een verdacht-makend scheldwoord, werden zij bedoeld die in het geheim calvinist waren en neigden naar de Avondmaalsleer zoals die in Straatsburg en in een aantal zuid-Duitse steden werd aangehangen, de Avondmaalsleer van Zürich en Genève, die in 1549 in de ‘Consensus Tigurinus’ tot elkaar gekomen waren.

De Lutherse scherpslijpers zeiden: neen, die laatsten vallen niet onder de bescherming van de belijdenis van Augsburg. Zij horen niet bij de ‘verwanten van deze belijdenis.’ Overigens had Calvijn deze belijdenis onderschreven! Hij vond in haar niets dat strijdig was met de leer die hij zelf voorstond, al vond hij haar wel weinig krachtig. Blijkbaar was diens instemming voor de felle luthersen niet genoeg.

Deze tegenstelling onder de evangelischen, zoals de protestanten heetten, ontging de vorsten natuurlijk niet. In hun kerkelijk en theologisch standpunt lieten zij zich in belangrijke mate leiden door hun hoftheologen. Maar evenmin ontging deze tegenstelling aan de keizer. Als keizer was Karel V in 1556 opgevolgd door zijn broer Ferdinand en na diens overlijden in 1564 was deze weer opgevolgd door Maximiliaan II, de zoon van Ferdinand.

De opvolging in het Duitse Rijk was geen erfopvolging. Het was dus nooit zeker dat een zoon de opvolger zou zijn van zijn vader – al was dat wel dikwijls het geval. De beslissing aangaande het keizerschap berustte bij een zevental machthebbers, de ‘keurvorsten.’ Deze hoge waardigheid berustte bij vier wereldlijke vorsten en drie kerkvorsten. In de eeuwen dat zij tot hun ‘keur’, hun kiezen geroepen werden (voor de laatste maal in 1792) was dat een gebeuren waaraan soms grote bedragen als steekpenningen te pas kwamen.

De keurvorst die het hoogst in rang was en als plaatsvervanger van de keizer gold, was de keurvorst van de Rijnpalts, die zijn paleis in Heidelberg had. Rond 1560 kreeg deze keurvorst intensief met de problematiek rond de vigerende tekst van de confessie van Augsburg te maken. Dit had voor hem een zo bedreigend karakter dat hij ermee rekende zijn hoge ambt en zijn land te verliezen. Hij was er in zekere zin zelf de oorzaak van, want hij had een kerkorde in zijn gebied ingevoerd, samen met een catechismus die noch bij de roomsen noch bij de luthersen in goede aarde viel.

Geven wij nu onze aandacht aan deze keurvorst, aan zijn stad en land, aan zijn religie en catechismus.

De Rijnpalts

De Rijnpalts, een gebied met grillige vormen, was in de 16e eeuw lange tijd rooms gebleven. Inzake de religie had keurvorst Frederik II (1544-1556) geen duidelijk beleid gevoerd. Het gevolg daarvan was een verwarde toestand. In het land was strijd tussen roomsen, Lutheranen, aanhangers van Melanchthon, Zwinglianen en wederdopers. Toen Otto Hendrik/Ottheinrich in januari 1556 Frederik opvolgde, was hij vastbesloten de Reformatie door te voeren. Al in maart vaardigde hij een edict uit tot invoering van de ‘reine evangelische leer’ en afschaffing van de ‘paapse dwalingen’. Dit edict werd in april gevolgd door een nieuwe kerkorde, die was opgesteld naar het model van de kerk van Württemberg.

De regeringsperiode van Otto Hendrik was echter te kort, bovendien was hij zwak van gezondheid, om in de kerk volledig orde op zaken te stellen. Toen hij op 12 februari 1559 plotseling stierf zonder kinderen na te laten, lag in Heidelberg de stof voor een heftig conflict tussen de verschillende stromingen, in het bijzonder tussen de ‘echte’ Lutheranen en de volgelingen van Melanchthon en/of Zwingli/en/of Calvijn klaar.

Opvolger van Otto Hendrik werd een zeer verre verwant, eveneens uit het Huis Wittelsbach: Frederik van Palts-Simmern

Als keurvorst van de Palts is hij bekend als Frederik III. Frederik was in 1515 geboren en streng rooms opgevoed. Onder invloed van zijn vrouw, de Lutherse Maria van Brandenburg- Kulmbach, ging hij de Bijbel lezen en werd hij gewonnen voor de Reformatie in Lutherse geest.

Zo zeer doortrok de boodschap van de Heilige Schrift zijn handel en wandel, dat hij de geschiedenis is ingegaan als ‘Frederik de vrome.’ Veel van zijn collega- vorsten waren van zijn oprechte vroomheid overtuigd en daarvan onder de indruk. En ook veel historici hebben zijn echt christelijke levenshouding en wijze van regeren benadrukt.

A.A. van Schelven typeerde hem in zijn dissertatie met deze woorden: “Een figuur van de hoogste eerbiedwaardigheid! Weinig vorsten zijn er in den loop der tijden geweest, die op zoo onweerstaanbare wijze onze sympathie tot zich trekken als juist hij. Niet ten onrechte leeft hij in de herinnering der volgende geslachten voort met den schoonen bijnaam ‘der Fromme’, want inderdaad is vroomheid de eerste eigenschap, die u in het oog valt, als ge uit de complete uitgave zijner brieven … u een beeld van dezen vorst tracht te vormen.1

In deze waardering staat Van Schelven bepaald niet alleen. R. Holtzmann noemt hem de ‘beslist belangrijkste figuur onder de evangelische vorsten van zijn tijd’, ‘een man met een edel en zuiver karakter.’ J.M. Reu: ‘een man met een vroom hart.’ K. Bauer: ‘Onder de vorsten van zijn tijd was niemand zo thuis in de theologie en daarom zo onafhankelijk van theologische adviseurs als hij. In het confessioneel verscheurde Duitsland was hij de enige werkelijk hoogstaande gestalte.’ 2

Ook Heinrich Bullinger, de opvolger van Zwingli in Zürich, had grote waardering voor Frederik. De negatieve karakteristiek van Frederik door de oudkatholieke historicus Moritz Ritter is door Walter Hollweg grondig weerlegd.3

Keurvorst Frederik III , een Calvinist

Vorst van de Keurpalts geworden, zette Frederik het werk van de Reformatie waarmee zijn voorganger begonnen was voort. Hij deed dat met volle overtuiging en inzet. Maar het accent dat hij daarbij legde week van dat van Otto Hendrik af. Van Lutheraan was Frederik meer en meer in zijn overtuiging Calvinist geworden, hoewel hij zelf nadrukkelijk heeft verklaard nooit de geschriften van Zwingli en Calvijn gelezen te hebben.

Van zijn kant was Calvijn voornemens zijn ‘Institutie’ in haar laatste, definitieve vorm, dus in de vierde uitgave, aan de keurvorst op te dragen. Dat was in 1559. Maar Frederiks hofmaarschalk, graaf Eberhard van Erbach, gaf de raad dit op politieke gronden niet te doen. Hij wist hoe gevoelig dat zou liggen. Voor het Calvinisme en voor een calvinist was immers in het Duitse rijk geen wettige plaats.

Calvijn luisterde naar dit advies, maar deed enkele jaren later een nieuwe poging. Nu ging het om de uitgave van zijn 193 colleges over het profetische boek Jeremia. Dit zeer uitgebreide commentaar wilde hij aan keurvorst Frederik opdragen. Zou dit hem misschien welgevallen? Calvijn ging te rade bij zijn leerling Caspar Olevianus, die nu hoogleraar was aan de universiteit van Heidelberg. Het antwoord uit Heidelberg bleef echter uit. Waarom Olevianus niet reageerde is niet duidelijk. Calvijn vatte dit op als goedkeuring, en zo gaf hij in 1563 dit toch uit, voorafgegaan door een uitvoerige opdracht aan Frederik van de Palts.

In deze opdracht gaat Calvijn in op de tegenstellingen in de Avondmaalsleer en spreekt hij zijn vreugde erover uit dat Frederik de ‘gezonde en orthodoxe leer betreffende het Heilig Avondmaal van Christus’ heeft omhelsd. Ook licht hij de eigen Avondmaalsleer toe en bestrijdt hij die van Luther, overigens zonder diens naam te noemen. De theologische strijd die in de Duitse landen wordt gevoerd vergelijkt Calvijn onder verwijzing naar Flavius Josephus, met die van de Zeloten, die heeft geleid tot de ondergang van Judea.

We moeten evenwel nog ingaan op de vraag op welke wijze Frederik als Calvinist bekend was geworden.

De nieuwe keurvorst van de Palts wist zich verplicht tot de Reformatie van zijn land. Hij zag het als de roeping van een christelijke overheid ook de vrije loop van het Woord van God te bevorderen. Dat daarbij kan behoren het optreden als scheidsrechter, werd al spoedig actueel voor hem.

Al kort na zijn komst in Heidelberg werd hij geconfronteerd met een felle strijd tussen twee theologen, de strenge lutheraan Tileman Heshusius en Wilhelm Klebitz, die bekend stond als aanhanger van de Zwitserse Reformatie.

Het kwam zo ver dat zij elkaar de avondmaalsbeker uit de hand rukten en elkaar excommuniceerden. Frederik greep in en zag zich genoodzaakt beiden te gelasten het land te verlaten.

Bij een andere gelegenheid werd Fredrik door een gastpredikant vanaf de kansel voor een Zwingliaan uitgemaakt. Zwingliaan stond daarbij voor: Calvinist. Dat gold als een scheldwoord. Hij wàs echter wel een Calvinist. Hij kon het halfslachtige gedogen van on-Bijbelse toestanden als heiligenbeelden in de kerk niet verdragen. Zij werden dan ook, evenals crucifixen, altaren en andere paapse idolen verwijderd. Bij de viering van het Heilig Avondmaal werd de oblatie afgeschaft en het breken van het brood ingevoerd. Kloosters werden opgeheven, Lutherse predikanten en hoogleraren ontslagen. Ondanks alle tegenwerking en verzet werden gereformeerde theologen en andere geleerden naar de Palts gehaald, de een als predikant, de ander als hoogleraar aan zijn universiteit.

Daarbij ondervond hij de nodige weerstand in Heidelberg en in zijn land. Ook zijn schoonzoons en verwante vorsten als die van Württemberg, van Baden en Palts-Zweibrücken keurden zijn acties grondig af.

Een nieuwe catechismus in Heidelberg

Toen het jaar 1563 was aangebroken verschenen er als voorlopig sluitstuk van zijn campagne twee hoogst belangrijke geschriften die overduidelijk bewezen hoezeer het Frederik ernst was de gereformeerde koers te gaan. In januari zag een nieuwe catechismus het licht, in november een nieuwe kerkorde waarin deze nieuwe catechismus was opgenomen.

De invoering van een nieuwe catechismus riep veel verzet op. Was die van Johannes Brenz niet goed? En die van Luther, die door velen als ‘de derde Elia’ gold en voor hen apostolisch gezag had? Eén van de commentaren op die nieuwe catechismus, gevloeid uit de pen van een kennelijk Luthers jurist uit de Palts, luidde: “Wanneer mensen hierover zouden zwijgen, dan moesten de stommen en stenen daartegen spreken om de eer van God te redden; want dit is de hoer van Babel, die het kind gedragen heeft, maar nu aan het licht is gekomen.”

Op een andere manier ervoer Caspar Olevianus de bittere vijandschap die was ontstaan. Hij vroeg aan een burger van Heidelberg de hand van zijn dochter. Hoe dat afliep schrijft Caspar, die een blauwtje had gelopen, aan zijn leermeester Calvijn. “De vader zei: Wie zou nu aan een Calvinist zijn dochter geven, of het moest zijn dat hij haar in het verderf wilde storten.”

De nieuwe kerkorde moest die van Frederiks voorganger vervangen. Dat was een duidelijk lutherse kerkorde geweest, deze ademde onmiskenbaar de geest van Genève, wat onder meer tot uitdrukking kwam aan de plaats die aan de kerkelijke tucht was gegeven.

Tussen het formulier voor de bediening van de Heilige Doop en dat voor de viering van het Heilig Avondmaal was de catechismus geplaatst.

Het optreden van Frederik die in een land de lutherse belijdenis en kerkorde verving door de gereformeerde belijdenis, wordt de laatste decennia wel ‘de tweede Reformatie’ genoemd. Hoe ging dat nu verder? Het was voor ieder in het Duitse rijk duidelijk dat Frederik niet meer als Lutheraan te boek kon staan, maar het in de ogen van de ‘echte Lutheranen’ het vermaledijde Calvinisme aanhing. Was de consequentie daarvan niet dat hij niet langer onder de bescherming van de Augsburgse confessie stond? Zo dachten de Lutherse vorsten, zo dachten de roomse vorsten, zo dacht de keizer.

Frederik III ter verantwoording op de rijksdag

Op de eerstkomende rijksdag zou Frederik zich moeten verantwoorden. Vele krachten waren ondertussen werkzaam om dan de keurvorst van de Palts ten val te brengen. Van het gevaar dat hem bedreigde was hij zich terdege bewust.

Na vele voorbereidingen werd op 23 maart 1566 de rijksdag geopend. Deze was opnieuw samengeroepen in Augsburg.

Zo’n rijksdag, die maanden lang duurde, was een groot spektakelstuk. Duizenden gasten moesten in de stad die rond de 35.000 inwoners telde, worden ondergebracht. Vele duizenden paarden moesten worden gestald en gevoederd. Er waren honderden vorsten, dikwijls met hun familieleden, en zeker met hun hofpredikers, hun dienaren en adviseurs in alle mogen rangen en standen.

Het aandeel van Frederik bestond uit ongeveer 150 personen. Als zijn hofprediker reisde Johann Willing mee. De keurvorst had Caspar Olevianus thuis gelaten. Hij stond bekend als een man met een lastig karakter en kon erg heftig zijn. Zacharias Ursinus ontbrak ook. Deze bescheiden, stille geleerde met zijn neerslachtige aard zou op die rijksdag zich helemaal niet thuis voelen.

Frederik maakte de reis welgemoed, in vol vertrouwen op zijn God, hoewel hij wist dat deze rijksdag voor hem een gevaar betekende. Zou men hem op grond van de Avondmaalsleer van Calvijn buiten de religievrede van Augsburg (1555) sluiten, dan betekende dat een catastrofe voor alle protestanten die deze leer aanhingen, in Frankrijk, Engeland, Schotland, Nederland, Zwitserland en Italië. Zij zouden dan zonder meer aan hun vervolgers prijs gegeven zijn.

De agenda voor deze rijksdag telde twee hoofdpunten: de bijdragen uit het rijk voor de oorlog tegen de Turken en de kwestie van de confessie. Gelden voor de strijd tegen de Turken waren dringend noodzakelijk. Zij hadden immers Hongarije al veroverd en drongen op naar Wenen. En de kwestie van de confessie werd ook als dringend beschouwd. De paus, de curie, de roomse vorsten, de Jezuïeten, pauselijke gezanten uit Frankrijk en Spanje zaten niet stil en deden al het hun mogelijke om de rijksdag zo ver te krijgen dat het Calvinisme als een sekte zou worden veroordeeld. Dat zou de val van Frederik betekenen, maar tegelijkertijd een signaal zijn voor de omringende landen: Calvinisten zijn sektariërs en hebben niet de minste rechten.

Keizer Maximiliaan II, die geen fel rooms-katholiek was en tegenover de evangelischen een mild standpunt innam – althans in het Duitse rijk, niet in de eigen Habsburgse landen en Bohemen waarvan hij koning was – had het niet op Frederik. Ook hij wilde hem ten val brengen en het Calvinisme vernietigen.

Het is spannend om te lezen hoe men probeerde één front tegen Frederik te vormen, en wat zich daar in Augsburg aan geheim overleg, afspraken, gekonkel, scheldpartijen, samenzweringen voordeed. Op 14 mei greep de keizer in. Hij riep de keurvorsten en vorsten van het rijk bij zich en gaf aan de vicekanselier dr. Ulrich Zasius opdracht een decreet voor te lezen. Hierin werd met name Frederik aangesproken. Hem werd onder meer gelast zijn catechismus en alle boeken waarin de calvinistische dwaling werd verdedigd af te schaffen. Als hij ongehoorzaam was, zou hij buiten de religievrede komen te staan.

In een ernstige en dringende rede die Frederik als antwoord sprak, verdedigde de keurvorst zich zo indrukwekkend, dat daarna een diepe stilte viel en de keizer de verliezende partij was. Het front tegen Frederik was mislukt, de evangelische vorsten lieten uiteindelijk de keurvorst van de Palts niet vallen.

Tot slot

Er zijn enkele rijksdagen die een hoog historisch gehalte hebben. Die van Worms (1521), waar Luther in de ban werd gedaan; die van Spiers (1529), waar de Protestatio aan de keizer werd aangeboden, waarnaar wij Protestanten heten; die van Augsburg (1530), waar de eerste protestantse belijdenis werd gepresenteerd; die van Augsburg (1555) waar de religievrede werd afgekondigd; en die van Augsburg (1566) waar het niet tot een veroordeling van de Gereformeerde belijdenis kwam.

Als mensen van de 21e eeuw kunnen wij ons niet inleven in de situatie dat een ongelijk verstaan van de aanwezigheid van Christus bij het Heilig Avondmaal zó kerk-scheidend was als in de 16e en 17e eeuw.

Dit bleek opnieuw toen keurvorst Frederik in 1576 op 61 jarige leeftijd stierf: de Rijnpalts werd in tweeën gedeeld. Het ene deel, waarin Heidelberg is gelegen, kwam onder zijn zoon Lodewijk, die een Lutheraan was en de vooraanstaande gereformeerden liet vertrekken, terwijl in het andere deel (met Neustatt als centrum) Johan Casimir als een gereformeerde vorst regeerde. Toen in 1583 Lodewijk stierf en Johan Casimir hem opvolgde en keurvorst werd, werd de politiek van Frederik weer voortgezet.

De geschiedenis van de Keurpalts is een heel duidelijk voorbeeld van de beslissende betekenis die de vorst, de overheid, innam ten opzichte van de Reformatie, zowel de eerste als ‘de tweede Reformatie.’

L.J. Geluk, Rotterdam

Noten
1 A.A. van Schelven, De Nederduitsche vluchtelingenkerken der XVIe eeuw in Engeland en Duitschland in hunne beteekenis voor de Reformatie in de Nederlanden, ’s-Gravenhage 1908, 236.
2 Ontleend aan Walter Hollweg, Neue Untersuchungen zur Geschichte und Lehre des Heidelberger Katechismus, (Beiträge zur Geschichte und Lehre der Reformierten Kirche Bd. XIII0, Neukirchen 1961, 10 en 11.
3 Idem, 15 – 85.