Terug naar Ecclesianet.nl

Enkele gedachten in verband met het tweede grote gebod

Naar aanleiding van de moeiten die velen hebben met de brief van Paulus aan de Kolossenzen en wel hoofdstuk 3, vers 18 en 19, waarbij hij zegt dat de vrouwen hun mannen onderdanig moeten zijn, blijken er nogal wat misverstanden te bestaan omtrent deze teksten omdat men de liefde alleen nog maar modern kan verstaan en daardoor een anachronistische uitleg van deze teksten geeft. Dit geldt ook vers 19 namelijk dat de mannen hun vrouwen lief moeten hebben.

Een goed verstaan van de liefde die in de Schrift wordt verkondigd blijkt brood nodig en heeft een sterk geloof verruimende en versterkende werking. Het maakt ook duidelijk dat die hoegenaamd niets meer van doen heeft met het moderne verstaan van liefde

Het Grieks kent verschillende werkwoorden en (afgeleide zelfstandige) naamwoorden die betrekking hebben op het liefhebben, zoals dat in onze Bijbel wordt vertaald.

Het werkwoord phileo drukt de genegenheid uit zoals we die in de vriendschap kennen en is een algemene genadegift , die alle schepsels wordt meegegeven vanuit de moederschoot en moederliefde. Dit werkwoord wordt veelvuldig in de Schrift in deze zin gebruikt. Dan is er het Griekse storgeh de poëtische uitdrukking van deze algemene gekende genegenheid. Dit woord komt in de Schrift niet voor. Dan is er het Griekse eroos. Dit woord drukt de zinnelijke begeerten uit. Van dit zelfstandig naamwoord maakt de Schrift geen gebruik , maar spreekt dan altijd van de vleselijke begeerten. In het Grieks is epithumoen begeerte. Zo wordt ook het begeren uit het 10e gebod in de Septuagint vertaald met epithumeo, begeren. Over de voortplanting binnen het huwelijk gebruikt de Schrift het Griekse werkwoord gennao dat is ‘verwekken’, terwijl voor ontucht buiten het huwelijk in oud en nieuw testament het Griekse werkwoord porneuo wordt gebruikt, dat men tegenwoordig alleen nog gebruikt voor liederlijkheden die niet eens in Bijbelse tijden konden voorkomen. Voor al deze zeer uiteenlopende verhoudingen tussen mensen wordt in onze tijd het woord liefde en het werkwoord liefhebben gebruikt, terwijl de liefde en het liefhebben naar de Schrift niet meer gekend wordt en als volgt tot uitdrukking komt.

Tenslotte gebruikten de Grieken voor de goddelijke liefde die in hun rijke mythologie veel wordt bezongen het werkwoord agapao en het daarbij behorende zelfstandige naamwoord agapeh dat is de goddelijke liefde, die gewone stervelingen niet ten deel valt.

Dit werkwoord en zelfstandige naamwoord zijn gekozen bij de vertaling van het oude testament naar het Grieks in de 2e eeuw voor Christus om het Hebreeuwse ahavå te vertalen met het Griekse agapeh, het goddelijke liefhebben dat uitgaat van de God van Israël en die door alle machten en goden moet worden gehandhaafd in en door de wet, de Thora (Psalm 82). Wordt de goddelijke liefde door middel van de Thora niet gehandhaafd, dan zullen de goden/cultuurmachten die boven de culturen zijn gesteld als gewone mensen sterven/vergaan.

Allereerst dient te worden opgemerkt dat hier het Griekse agapao scherp door onze Heere Jezus wordt onderscheiden van het Griekse phileo in de vragen die Hij stelt aan Petrus aan de oever van het meer van Tiberias (Joh. 21:15-17). Hij vraagt eerst tweemaal of Petrus Hem met goddelijke liefde liefheeft (agapao) Petrus antwoordt op die beide vragen ontwijkend en zegt dat hij genegenheid of, zo men wil, vriendschap voelt voor de Heere (phileo). Die vraagstelling brengt Petrus tot wanhoop omdat hij kennelijk niet tot agapao, zelfs niet tot phileo uit zichzelf in staat is, zoals blijkt uit de derde vraag van de Heere wanneer hij vraagt of Petrus dan wel werkelijk genegenheid/ vriendschap voor Hem voelt. Dan kan hij alleen nog maar naar de Heere verwijzen en elke zelfkennis en/ of bevestiging prijs geven door zichzelf uithanden te geven met het woord “U weet alle dingen, U weet dat ik genegenheid voor U heb.” Dit phileo wordt hem door de Heere geschonken, maar de goddelijke liefde die door zijn verraad verbroken is en die de discipelen is opgedragen elkander zo lief te hebben kan nu (nog) niet worden hersteld!

De Heere Jezus belichaamt de Thora en is de levende Wetsvervulling en daarom ook de vervulling van het 2e gebod: een vernieuwd gebod. Hij heeft het 2e gebod voorgeleefd nl. dat zij elkaar onderling als broeders moeten liefhebben (Psalm 133): “Hoe goed , hoe lieflijk is het als zonen van ’t zelfde huis als broeders samenwonen. Dit is als de zalf op ‘s Hogepriesters hoofd, waarmee Hij is aan God gewijd.” Die zalving is aan de Heere Jezus voltrokken vlak voor Zijn intocht in Jeruzalem door Maria van Magdala. Het is de bevestiging dat Hij het liefdegebod volkomen heeft belichaamd, dat wil zeggen dat Hij de goddelijke liefde, de agapeh, onder Zijn broeders gestalte heeft gegeven. Daarom geeft de Heere Jezus dit vernieuwd gebod aan zijn broeders, de discipelen, pas nadat Judas zijn genoten tijdens het avondmaal verlaten heeft (Joh 13:34).” Een nieuw gebod geef Ik u dat gij elkander liefhebt, gelijk ik u heb liefgehad, dat gij ook elkander liefhebt.” Dit is de vervulling/uitwerking van het 2e grote gebod, zoals dat in Leviticus 19:18 wordt gegeven.

De letterlijke tekst van het 2e gebod in het Grieks (Mattheüs 22:39) komt met tittel en jota overeen met de tekst van de Septuagint als vertaling van Leviticus 19:18 en luidt in het Grieks:
agapehseis ton plehsion soe hoos seauton

Dit Schriftgedeelte staat in de strikte context hoe de Israëlieten onderling met elkaar moeten omgaan, geheel in tegenstelling tot de niet-Israëlieten. In de Staten vertaling luidt deze tekst in Leviticus als volgt: “Gij zult niet wreken noch toorn behouden tegen de kinderen van Uw volk (HSV: volksgenoten d.w.z. Israël) maar Gij zult Uw naaste liefhebben als Uzelf! Ik ben de Heere!” Dit is het Schriftgedeelte uit Leviticus waaraan de Heere Jezus refereert. De naasten op deze tekstplaats zijn dus de volksgenoten. De vertaling ‘liefhebben als u zelf’ is dus zeer onvolkomen. In de Rabbijnse traditie wordt deze vertaling als onjuist afgedaan. Martin Buber, als Joods leermeester, vertaalt Lev. 19:18 ve-ahavtá lereáka kamochá uit het Hebreeuws naar het Duits als volgt:

Halte lieb deine Genossen dir gleich

dat wil zeggen: “Heb lief uw (volks) genoot, aan u gelijk” in een volzin: Heb lief uw (levens) genoot die immers (voor God) aan u gelijk is.

Hier vinden we dus duidelijk dat het ‘als u zelf’ leidt tot drie misinterpretaties.

  1. Het maakt het menselijke zelf tot referentie punt van dat liefhebben van de ander. Hij die zichzelf niet liefheeft, zou dus een ander niet hoeven lief te hebben. De nieuwe referentie is de Heere Jezus, wanneer Hij zegt: heb de ander ( Uw broeder) lief zoals Ik u heb liefgehad. Deze liefde gaat uit van de God van Israël. Die liefde moet zijn volk Israël weerspiegelen door middel van dit gebod. Daarom moet diezelfde broeder ook vermaand etc. worden.
  2. Het liefhebben zoals dat in onze tijd verstaan wordt, is een geheel ander liefhebben. In de Heere Jezus krijgt de goddelijke liefde gestalte, dat is het agapao. Daaraan kunnen wij alleen deel hebben in zoverre wij verbonden zijn met de God van Israël, van Wie alle agapeh uitgaat, door de Heere Jezus, die ons die weg wijst en ons daarin is voorgegaan en voorgaat. Buiten Hem kunnen wij daaraan geen deel krijgen. Daarom belijdt de Kerk ook, op grond van de Schrift (waarbij we in het bijzonder denken aan de brief aan de Hebreeën en aan de brieven van Johannes): “Licht uit Licht, God uit God.” Uit onszelf kan geen liefde opkomen, als ons die niet eerst gegeven wordt.
  3. De naaste is niet een willekeurig ander iemand, ook niet iemand die wij zelf aanwijzen of opzoeken. Ook niet degene die lijdt zonder dat wij die kennen. De naaste is iemand die wij kennen, een genoot , een volksgenoot in Israël, oorspronkelijk een stamgenoot.

Wie de naaste is wordt magistraal duidelijk als een Rabbijn dat vraagt aan de Heere Jezus waarop Hij met de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan antwoordt:

“En Jezus, antwoordende, zei: Een zeker mens kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke, hem ook uitgeschud, en daartoe zware slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem half dood liggen. En bij geval kwam een zeker priester dezelfde weg af, en hem ziende, ging hij tegenover hem voorbij. En desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij, en zag hem, en ging tegenover hem voorbij. Maar een zeker Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem, en hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen. En hij, tot hem gaande, verbond zijn wonden, gietende daarin olie en wijn; en hem heffende op zijn eigen beest, voerde hem in de herberg en verzorgde hem. En des anderen daags weggaande, langde hij twee penningen uit, en gaf ze den waard, en zei tot hem: Draag zorg voor hem: en zo wat gij meer aan hem ten koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven, als ik wederkom. Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn van degenen, die onder de moordenaars gevallen was? En hij zeide: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft.”

Nu moeten we zeer zorgvuldig lezen. De naaste is dus niet de man die halfdood in de greppel lag! (dat wordt bijna overal verkondigd). De vraag die de Heere Jezus stelt is: wie is voor de man die halfdood in de greppel lag de naaste geweest. Juist dat is de Samaritaan. De naaste is dus degene die u, jou en mij barmhartigheid bewijst en die wij dank verschuldigd en meer nog, liefde verschuldigd zijn. Het is niet degene die wij opzoeken, maar degene die op ons pad komt en ons opzoekt met barmhartigheid (in deze gelijkenis de openbaring van de goddelijke liefde, de agapeh. Daarom werd in de vroege kerk de Heere Jezus ook afgeschilderd als de grote Barmhartige Samaritaan, in Wie de goddelijke liefde en barmhartigheid ons opzoekt. Daarom bestaat het tweede gebod niet zonder het eerste en is daaraan gelijk, dat wil zeggen: het tweede gebod is de weerspiegeling van het eerste. Wij moeten dus liefhebben diegenen die ons barmhartigheid bewijzen, die ons helpen in de nood. Dat zijn onze naasten. Dit gebod werkt dus dankbaarheid en dankbare mensen uit, waardoor uiteindelijk in alles onze Maker onze dank ontvangt. De naaste zoeken wij niet op, maar komt op ons levenspad.

Nu wordt ook eenvoudig te begrijpen dat de voorwaarde voor het in alles onderdanig zijn van de vrouw aan de man, is dat de man zijn vrouw liefheeft met goddelijke liefde, want hier staat wederom het werkwoord agapao. De man moet dus zijn vrouw liefhebben als Christus de gemeente, zoals de Vader de Zoon. Daarom zegt Luther dat het huwelijk de beste oefenplaats is voor het hemelse leven en dat ware vriendschap uit de Heilige Geest is.

Het huwelijk is de opmaat naar het herstel van de ganse Schepping, de wederoprichting aller dingen.

M. Oudkerk, Giethoorn