Terug naar Ecclesianet.nl

Klassiek Licht (IX) “Ellende en verlossing”

Na in het vorige artikel over de serie Klassiek Licht Da Costa’s Bezwaren tegen den Geest der Eeuw zijn Hoogst belangrijke briefwisseling over de heiligmaking bij Dr. H.F. Kohlbrugge aan de orde gesteld te hebben, komen wij nu toe aan de prekenbundel van Kohlbrugge, getiteld Ellende en verlossing (1834 – 1896).1 Deze bundel, bewerkt en ingeleid door Drs. L.J. Geluk, begint met Kohlbrugge’s geruchtmakende preek over Romeinen 7 : 14: “Want wij weten, dat de wet geestelijk is; maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde” (Statenvertaling), – een preek, die, op 31 juli 1833 door hem als gastpredikant in het Duitse Elberfeld gehouden, niet alleen in het Wuppertal, maar ook in de Nederlandse Réveilkring als een bom is ingeslagen, doordat hierin met alle heiligheidsstreven radicaal wordt afgerekend.

Deze preek wordt gevolgd door een leerrede over Genesis 3, op 29 juni 1856 door Kohlbrugge uitgesproken tijdens een kerkdienst in de Hervormde kerk te Vianen, waar zijn zoon Gerrit woonachtig was. Deze kerkdienst was een heel bijzondere gebeurtenis, daar het voor het eerst was, dat Kohlbrugge sinds hij in de vaderlandse Kerk als “uitvaagsel” van de kansel was geweerd, in een Hervormde gemeente – en dat op uitnodiging van de plaatselijke predikant – voorging.

Het grootste deel van het boek wordt ingenomen door een prekenserie over Psalm 118, door Kohlbrugge gehouden in de laatste maanden van 1858, – preken, die de neerslag zijn van de diepe geloofscrisis, die hij had doorgemaakt na de dood van zijn jongste zoon, Jakob, die, als officier in het Nederlandse leger op Java gedetacheerd, kort tevoren plotseling was overleden.

Actualiteit

Op de keper beschouwd is er alle reden om zich af te vragen, of het niet een teveel van het goede is om in een blad, dat uitgaat van de Stichting Vrienden van Dr. H.F. Kohlbrugge, aandacht te vragen voor de zoveelste uitgave van Kohlbrugge’s preken. Hoe vaak al is in het Kerkblaadje c.q. Ecclesia zijn prediking voor het voetlicht gebracht! En toch: hòe actueel Kohlbrugge’s boodschap door de jaren heen ook gebleven is2, vooral in onze tijd, waarin - met name in de vele “kringen”, die ons land rijk is - de “gelovige” mens gaandeweg meer op het schild wordt geheven, is zij onze aandacht ten volle waard. Wij zijn dan ook heel blij met de uitgave van de bundel Ellende en Verlossing, en dat niet in de laatste plaats omdat de preek over Romeinen 7 : 14 er een plaats in gekregen heeft. Dankzij Kohlbrugge is “Romeinen 7 : 14” niet minder dan een begrip geworden.

Aan Kohlbrugge’s preek over deze tekst ligt een ontdekking ten grondslag: de ontdekking, dat het woord ‘vleselijk’ geen bijvoeglijk naamwoord is, maar een bijwoord.3 Paulus bedoelt met dit woord niet te zeggen: “Voor zover het het vlees betreft ben ik een zondig mens, maar in geestelijk opzicht staat het er veel beter met mij voor”. Nee: het woord “vleselijk” en de uitdrukking “verkocht onder de zonde” liggen in elkaars verlengde; zij bedoelen hetzelfde te zeggen: héél mijn “ik” ligt onder de zonde!

Een aantal citaten4 uit de preek om dit te verduidelijken:

Wij moeten, zegt Kohlbrugge, uit ons paradijs van ‘christelijk zijn’ en ‘christelijk doen’ en uit onze ingebeelde veiligheid verdreven, van de zandgrond van onze activiteiten verjaagd en naar de Rotssteen Christus toegedreven worden (Galaten 3 : 19, Romeinen 3 : 20 en II Corinthe 3 : 6) (blz. 21).

“Er zijn mensen, die dag aan dag in de waan verkeren, dat zij hun zandkorrels bij elkaar moeten dragen om de berg van hun heiligheid hoog op te bouwen, maar iedere dag blaast de stormwind van de zonden deze zandkorrels weer weg, en dan zitten zij in een hoekje te wenen” (blz. 23).

“De zonde… zal ons in het water jagen of naar de strik en het ongeloof en de vertwijfeling, of naar de strop, als wij niet al onze methoden om heilig te worden (Duits: ‘Heiligungs- Systeme’) overboord werpen, opdat het schip alleen op vrije genade zal drijven” (blz. 27).

“U kunt niets dan zondigen. En hoe meer u bezig bent met het ‘doen’, al was het maar ‘een beetje doen’, des te erger maakt u het” (idem).

“Werp uw heiligingskrukken weg, werp ze ver van u weg! U komt er de berg Sion niet mee op. Ruk de lompen af, waarmee uw wonden bedekt zijn, en toon u aan Hem, die heilig en rechtvaardig is, zó als u bent. Laat al het uwe los! Hier aan zichzelf te vertwijfelen is zaligheid…”(blz. 27v.).

“… wij willen haar (sc. de Wet) altijd vleselijk verstaan en vleselijk nadoen. De Wet daarentegen wil geheel geestelijk begrepen worden, en uit de grond van het hart, met de daad en in waarheid, gedaan en vervuld zijn – en daartoe zijn wij niet in staat” (blz. 32).

“… heb ik Hem (sc. Christus), dan bekommer ik mij niet om mijn heiliging, nee, maar ik jaag Hem na en acht alles voor schade tegen de alles overtreffende kennis van Jezus Christus. Mijn volmaaktheid zal zijn, dat ik dagelijks meer in Hem gevonden word, niet hebbende mijn gerechtigheid die uit de Wet is, maar die door het geloof van Jezus Christus is, namelijk de gerechtigheid van God uit het geloof” (blz. 33v.).

“Wanneer de apostel zich in Christus verblijdt, zegt hij niet: ‘Ik heb in de heiliging en in het goede al tamelijk wat vorderingen gemaakt’. Nee, maar tot ergernis van zijn farizeeër en tot troost van zijn bekommerd hart schrijft hij: ‘Wij weten dat de Wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk’’” (34).

“Wat God niet zelf door Christus in ons doet en tot stand brengt en wat niet van Hem afkomstig is – dat is niet anders dan werk van de Wet” (blz. 38).

Kohlbrugge en Da Costa

Zoals wij in het voorgaande reeds hebben opgemerkt, is Kohlbrugge’s preek over Romeinen 7 : 14 bij velen, zowel in Elberfeld en omgeving als in ons eigen land, slecht gevallen. Men heeft hem zelfs antinomistische denkbeelden in de schoenen geschoven: hij zou tegen (anti) de wet (nomos) gekant zijn. De wet zou voor hem afgedaan hebben.

Een van Kohlbrugge’s felste opponenten was Isaäc da Costa, die hem naar aanleiding van zijn preek een brief schreef, waarin hij uitvoerig op een en ander inging. Kohlbrugge bleef Da Costa het antwoord niet lang schuldig. Hij reageerde met een schrijven, waarin hij tal van Bijbelteksten aanhaalde en zich meermalen zowel op Luther als op Calvijn beriep. Da Costa’s bezwaren werden stuk voor stuk weerlegd genomen.

Enkele voorbeelden:

“Gij schrijft: “Die in Christus tot rechtvaardiging gelooft, wordt ook daardoor zelf een nieuw schepsel”. De Schrift zegt: Hij is het, - Hij is het (Zie 2 Corinthe 5 : 17, kaina ta panta). “Hij is een nieuw mens naar de geest”, zegt gij. De Schrift zegt: Hij is het geheel (II Corinthe 5 : 17), naar geest, ziel en lichaam” (Verwijzing naar vraag en antwoord 1 van de Heidelb. Catechismus en naar Romeinen 7 : 17) (blz. 121).

“Die nieuwe mens, dat nieuw beginsel, ziedaar de Christus in ons” , schrijft gij. Onschriftmatig, en daarom verwerpelijk! De nieuwe mens is niet Christus in ons, maar naar de nieuwe geboorte zijn wij Gods maaksel, schepsel in Christus (Efeze 2 : 10), en niet Christus het maaksel of schepsel in ons (II Corinthe 5 : 17; Galaten 3 : 26 - 28) ... Was nu die nieuwe mens: Christus in ons, dan was Christus een schepsel, hetwelk een godslastering zoude zijn ...” (blz. 122).

“Was de nieuwe mens de Christus in ons, dan moesten wij met de mystieken God in de grond der ziele zoeken. Wij zijn geschapen met de oogen hemelwaarts! naar boven zullen wij opzien…” (blz. 123).

“In Romeinen 1 : 17 staat niet: hij zal zijns geloofs rechtvaardig zijn, maar: hij zal zijns geloofs leven, leven staat er. Niet zijns geloofs en zijner heiligmaking, maar: zijns geloofs. Nergens heet het, dat men niet inkomt omdat men geene heiligheid in zich heeft; maar dat men Christus verwerpt” (Hebreeën 10 : 28v.) (blz. 127v.).

Kohlbrugge heeft aanhoudend op een-en-hetzelfde aambeeld gehamerd: rechtvaardigmaking en heiligmaking zijn beide Gods werk. Wij mensen moeten onszelf niet inbeelden, dat wij door onze “bestdoeningen” ook maar íets aan ons behoud kunnen bijdragen. Onze oude mens is met Christus gekruisigd, gestorven en begraven, de nieuwe mens is opgestaan en leeft voor God. “Houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onze Heere” (Romeinen 6 : 11). In deze lijn ligt Kohlbrugge’s vertaling van b.v. Col. 3 : 5 en Efeze 4 : 22vv. In Col. 3 leest hij niet: “Doodt dan de leden, die op de aarde zijn…” (Col. 3 : 5), maar: “hebt de leden, die op de aarde zijn, gedood”, d.i.: “láát (ze) gedood zijn”, en in Efeze 4 niet: “Het is de waarheid in Jezus, dat gij… de oude mens zoudt afleggen” (N.B.G.: “aflegt”) … en de nieuwe mens (zoudt) aandoen” (N.B.G.: “aandoet”), maar: “dat wij de oude mens afgelegd en de nieuwe mens aangedaan hebben.

Van Dr. G. Oorthuys is de uitspraak: “Den geheelen Paulus weer te hebben laten spreken, en zijn leer in haar volle heerlijkheid der gemeente weer in de ooren gebazuind te hebben, dat is de beteekenis van Kohlbrugge”5. De typering, door Dr. G.C. Berkouwer van de theologie van Karl Barth gegeven: “De triomf der genade”, is ook ten volle op de theologie, of liever: op de verkondiging, van Kohlbrugge van toepassing. De mens niets, God alles. Een bovenmate vertroostende boodschap.

J.G. Barnhoorn, Nunspeet

Noten
1 ISBN: 978-90-72801-00-5. 288 pagina’s. Prijs: € 15,90.
2 Wij denken in dit verband niet in de laatste plaats aan het feit, dat van de negentien theologen, die door Karl Barth in zijn befaamde boek Die protestantische Theologie des neunzehnten Jahrhunderts voor het voetlicht worden gehaald, Kohlbrugge vrijwel de enige is, die van de schrijver een voldoende krijgt!
3 Gewoonlijk zegt men, dat Kohlbrugge’s uitlegging van de tekst op de ontdekking van een komma (achter het woord ‘vleselijk’) stoelt. Dit is echter wat onbeholpen geformuleerd, te meer daar er in de oorspronkelijke tekst van het Nieuwe Testament geen komma’s voorkwamen.
4 De citaten zijn ontleend aan Da Costa’s Hoogst belangrijke briefwisseling, zoals deze – in één band met zijn Bezwaren tegen de geest der eeuw – in de serie Klassiek Licht is uitgegeven.
5 G. Oorthuys, “Kohlbrugge’s leer van den ouden en den nieuwen mensch getoetst aan Paulus”, in: Kruispunten op den weg der Kerk, blz. 157-227.