Terug naar Ecclesianet.nl

‘Vrijmoedigheid’ in de vroeg-christelijke gemeente

In het begin van de 20e eeuw heeft Erik Peterson gewezen op het merkwaardige feit dat de vroeg-christelijke gemeente zich ‘ekklesia’ is gaan noemen. Hij heeft aan dit gegeven meerdere studies gewijd. Het tekent zijn belezenheid en vooral zijn inzicht dat hij de aandacht gevraagd heeft voor de Grieks-hellenistische achtergrond van deze aanduiding. Daarmee was Peterson zijn tijd vooruit. Pas op het eind van de 20e eeuw heeft Martin Hengel erop gewezen hoe opvallend het is dat de gemeente deze typering voor zichzelf gebruikte.

Hengel wijst erop dat de christenen in onderscheid van de Joden voor de samenkomsten van de gemeente niet het woord ‘proseuchè’ (gebedshuis) kozen, zoals de Joden in de diaspora deden of het woord ‘synagoge’, zoals dat in Israël gebruikelijk was, maar het woord ‘ekklesia’. Dat ze dit deden, werpt licht op een ander woord dat in de vroeg-christelijke gemeente van grote betekenis was: het woord ‘parrèsia’ ofwel ‘vrijmoedigheid’.

In dit artikel wil ik ingaan op de vraag wat het woord ‘parrèsia’ te zeggen heeft. Ik wil dat doen door het in verband te brengen met het woord ‘ekklesia’.

De volksvergadering en het vrijmoedig spreken

Het begrip ‘ekklesia’ is afkomstig uit de Griekse stadstaat, de polis. Het duidt de vergadering van vrije burgers aan. Bekend is dat in bijvoorbeeld Athene in de vierde eeuw voor Chr. in de volksvergadering (‘ekklesia’) alle burgers vrijuit het woord mochten voeren. Vooral de laatste decennia is naar dit begrip veel onderzoek verricht, zowel door theologen als door filosofen. ‘Vrijmoedigheid’ (parrèsia) betekende meer dan dat men ‘vrijuit’ het woord mocht voeren. Er waren ook de volgende aspecten aan verbonden:

Degene die vrijmoedig sprak, deed dat vanuit een bepaalde achtergrond. Hijzelf en vaak ook mensen uit zijn voorgeslacht wisten zich verantwoordelijk voor het wel en wee van de polis.

Dikwijls werd er naar deze mensen geluisterd vanwege hun verdiensten voor de polis. Ze hadden bewezen verstandige mensen te zijn, op wie men kon vertrouwen.

Toch was hun advies niet zonder risico voor henzelf. Als hun raad in gevaarlijke situaties niet goed uitpakte, kon zich dat als een boemerang tegen hen keren. Een eventuele mislukking kon op hen verhaald worden. Beroemd is de opmerking van Pericles die zich tientallen jaren verdienstelijk had gemaakt voor Athene. Toen hij ten tijde van de Peloponnesische oorlog de volksvergadering een dringend advies had gegeven, voegde hij eraan toe: “Als u met mij instemt, en het plan mislukt, kun u dat niet op mij verhalen. U hebt er immers mee ingestemd.” Zo dekte hij zich bij voorbaat in!

Wilde iemand serieus genomen worden, dan moest het duidelijk zijn dat hij van binnenuit betrokken was op het wel en wee van de stad. Bij een inwoner van geboorte, die bovendien een roemrijk voorgeslacht had, was dit gewaarborgd. Als het volk daarvan overtuigd was, kon je des te vrijmoediger de waarheid spreken.

Na 400 voor Christus kreeg het begrip ‘vrijmoedigheid’ een iets andere inhoud. Dit hing samen met de veranderde politieke situatie. Na de veroveringstochten van Alexander de Grote verdween de polis als onafhankelijke stad en ontstonden enkele grote rijken. Deze werden bestuurd door machtige koningen ‘Vrijmoedigheid’ kreeg toen de betekenis van ‘het eerlijk adviseren van de koning’. Ook dit was niet zonder risico, zoals Seneca, de directe raadgever van keizer Nero ondervond. Nero dwong hem immers tot zelfmoord.

De adviseurs hielden het midden tussen degenen die bekend stonden als ‘wijzen’ en die leiding gaven aan een school en de ‘profeten’, zoals vooral Israël die kende. Ook zij verbleven vaak aan het hof. Zo was het ooit ook met Nathan, die koning David bestrafte na zijn omgang met Bathseba. De raadgever kon dus spreken met vrijmoedigheid en op die manier het heil van het volk, van de staat en ook van de koning zoeken!

Het is opvallend hoe belangrijk zowel het woord ‘ekklesia’ als ‘parrèsia’ waren voor de christelijke gemeente. Het is veelzeggend dat in de eerste hoofdstukken van Handelingen beide woorden heel vaak voorkomen. Zo vertelt Lucas dat de gemeente (‘ekklesia’) in gebed ging en God uitdrukkelijk vroeg om de gave van de vrijmoedigheid, om te getuigen van zijn Naam. Zij beriep zich daarbij op Psalm 2, waarin staat dat God de koning (zijn Zoon) gezalfd heeft op de Sion! De gemeente dacht bij dit laatste aan Christus en de opstanding. In de benauwde situatie waarin de gemeente gekomen was door de dreigementen van het Sanhedrin aan het adres van Petrus en Johannes, trok zij zich op aan het feit dat Jezus gezalfd was en tot koning was verheven ‘over’ of ‘op’ de Sion. Die wetenschap vergrootte hun blijdschap en gaf hun moed om - de waarheid - te spreken, zelfs tegenover het Sanhedrin!

Stefanus

Dat dit zo was, komt duidelijk naar voren bij Stefanus. Nadat het Sanhedrin tevergeefs heeft geprobeerd Petrus en Johannes te intimideren en er door toedoen van Gamaliël wat ruimte is gekomen voor de christelijke gemeente, komt Stefanus in opspraak. Ondanks de bedreigende situatie neemt hij het woord en spreekt vrijmoedig over Christus en zijn heil. Al de genoemde aspecten die gekoppeld zijn aan het woord ‘vrijmoedigheid’ komen in zijn geschiedenis naar voren.

Stefanus weet dat hij van de waarheid getuigt en daarmee het goede zoekt voor het volk. Veelzeggend is dat Lukas uitdrukkelijk vermeldt dat hij vervuld was met de Heilige Geest. In het Evangelie van Johannes lezen we dat de Geest van God de ‘Geest der waarheid’ wordt genoemd: “Als Hij gekomen is, zal Hij van de ‘waarheid getuigen’.” Johannes gebruikt daarbij woorden die gangbaar waren in een rechtsgeding.

Stefanus’ vrijmoedigheid hangt samen met het feit dat hij heel het volk op het oog had. De eerste christenen waren ervan overtuigd dat ze het hele volk (ook de Joden uit de diaspora) aan moesten spreken met de boodschap van het heil. Jezus zelf had hen daar op voorbereid. Niet voor niets koos hij 12 discipelen uit, als symbool voor de 12 stammen van Israël. Het heeft iets te zeggen dat de Here Jezus op de belangrijke Joodse feestdagen naar Jeruzalem trok! Het waren de dagen dat er van heinde en verre tienduizenden Joden in de stad samengekomen waren. Het is ook niet voor niets dat Hij de Geest uitstortte op het Pinksterfeest, waardoor aan de Joden en proselieten die uit alle windstreken naar Jeruzalem waren gekomen, het heil verkondigd kon worden! De discipelen legden getuigenis af voor het hele volk. Ook de naam ‘ekklesia’ geeft de betrokkenheid op het hele volk weer: de gemeente is het ware Israël – daarin waren alle stammen van Israël vergaderd, evenals de heidenen!

Dat Stefanus met vrijmoedigheid optreedt, hangt vooral samen met het feit dat de beloften aan Israël in vervulling zijn gegaan en hij weet dat hij aan Jeruzalem toebehoort door een (nieuwe) geboorte.

Deze vervulling is al vanaf oude tijden beloofd aan de aartsvaders. Stefanus staat in hun traditie! Uitdrukkelijk wijst hij in zijn preek tegen het Sanhedrin op Abraham, Jozef, Mozes, Jozua, David en Salomo en typeert hij hen keer op keer als ‘onze vaderen’. Het nieuwe van zijn boodschap dat hem in vervoering brengt, is dat de belofte die zij hadden ontvangen en die door Mozes was verwoord (“er zal een profeet opstaan in uw midden, zoals ik”) vervuld is! Dat betekent dat het heil volledig is opengegaan!

Wat dat inhoudt, vertelt Stefanus in zijn preek. Het geding waarom hij voor het Sanhedrin staat, hangt samen met de tempel. Hij wordt ervan beticht dat hij gezegd zou hebben dat de tempeldienst moest worden afgeschaft. Stefanus wijst het Sanhedrin er op dat de tempeldienst in Jeruzalem een afschaduwing is van de echte tempel en tempeldienst, die Mozes gezien heeft op de berg Sinaï. De echte tempel is in de hemel! Mozes heeft dat gezien. Dat geldt ook van Salomo! “God woont niet in een tempel die met handen is gemaakt.” Dat zei Salomo bij de inwijding van de tempel en in het slothoofdstuk van Jesaja zegt de profeet hetzelfde (Jesaja 66): “Hij woont in de hemel!” In dat heiligdom is Jezus ingegaan. Wie door Jezus in het heiligdom gaat, d.w.z. wie Zijn Naam aanroept, Hem erkent als kurios, maakt een nieuwe geboorte mee. Psalm 87 zingt ervan: hij wordt geboren in Jeruzalem. Van die nieuwe geboorte profeteert Jesaja in hoofdstuk 66.

In het besef daarvan ligt de diepste verankering van Stefanus’ vrijmoedigheid. Hij is in Sion geboren! En de beloften aan de vaderen gaan in vervulling. In de christelijke gemeente komt Israël tot zijn vervulling: de echte tempel ligt open en Gods kinderen mogen er binnengaan!

Wat hij echter tot zijn spijt constateert, is dat uitgerekend de leiders van het volk verzet aantekenen en daardoor het volk in de weg staan. Maar hij realiseert zich dat dit altijd zo geweest is: Jozefs broers verkochten hem, Mozes werd gewantrouwd. Toen Mozes de berg Sinaï opging, vroeg het volk aan Aäron, nota bene de priester, om een gouden kalf en Aäron stemde ermee in. Zozeer kunnen de priesters dwalen! Zelfs nu, na Jezus’ komst is het niet anders. Maar Stefanus weet: ondanks de ongehoorzaamheid werd dankzij Jozua (Stefanus gebruikt hier de naam ‘Jezus’) de tabernakel het beloofde land binnengedragen.

Het heeft er veel van weg dat Stefanus van plan was om zijn preek af te sluiten met te wijzen op Jezus, die als de Zoon door zijn sterven en opstanding de weg gebaand heeft tot het echte hemelse heiligdom en de gemeente daar nu al mee verbindt. Hij krijgt er de kans niet voor Terwijl hij ‘vrijmoedig’ spreekt, raakt hij in vervoering. Zijn gelaat krijgt iets hemels, als dat van een engel. Het is alsof de hemelse heerlijkheid die hij zag, op zijn gezicht afstraalt! Het maakt de leden van het Sanhedrin woedend. Ze stormen op hem af en stenigen hem.

Toch: in zekere zin kan hij zijn preek afmaken. Hij ziet Jezus in het heiligdom, in de hemel, als de Zoon des mensen: degene die alle macht heeft gekregen in de hemel en op de aarde en roept uit: Ik zie de Zoon des mensen, staande aan Gods rechterhand. Verder vraagt hij om vergeving voor zijn belagers. En tegelijkertijd straalt zijn gezicht van vreugde.

Saulus/Paulus

Parrèsia (‘vrijmoedigheid’) is niet zonder gevaar. Stefanus heeft de gevolgen ervan ondervonden, maar als eerste martelaar aanvaard.

Het lijkt erop dat het Sanhedrin het getuigenis kan smoren. Maar uitgerekend Saulus die als jonge farizeeër bij de steniging staat en die toejuicht, kan wat daar gebeurt niet meer van zich af zetten. De gebeurtenis brengt hem er eerst alleen maar toe om de gemeente fanatieker te vervolgen. Maar hij moet voor Stefanus’ getuigenis zwichten.

Hoe vaak zal hij gedacht hebben aan Jesaja 66, het hoofdstuk dat Stefanus aanhaalt, waarin de priesters bestraft worden en de profeet zegt dat er een tumult was in de tempel en de rechtvaardige verdrukt werd? Jesaja zegt: “Hoort het woord van de Here, u die voor zijn woord beeft! Uw broeders die u haten zeggen, degenen die u voor mijn Naam uitwierpen zeggen: ‘Laat de Here verheerlijkt worden, zodat wij uw vreugde mogen zien! Maar zij zullen beschaamd worden.” Saulus heeft deze woorden letterlijk in vervulling zien gaan. Hij heeft het tumult in de tempel gezien en de honende woorden van het Sanhedrin gehoord. Hij heeft Stefanus’ vreugde gezien. Het ergert hem enorm en hij verzet er zich tegen. Tot hij dezelfde Jezus ontmoet die het voor zijn ‘ekklesia’ opneemt. Dat leert hem de kurios aan te roepen.

Zo is door Stefanus’ ‘vrijmoedigheid’ een bres geslagen in het bastion van het Sanhedrin. Door de ontmoeting met de kurios, maar ook door de indruk die Stefanus op hem maakt, is Paulus de belangrijkste getuige geworden. Veel heeft hij geleden vanwege zijn vrijmoedig spreken. Maar hij deed het met de bedoeling dat het hemelse Jeruzalem als de stad van God, waarvan de ‘ekklesia’ op aarde een afspiegeling is, bevolkt zou worden, door Joden en heidenen. In Jeruzalem ondervond hij daarbij veel tegenstand. Het spreken werd hem belet! Hij werd er gevangen genomen en dankzij de Romeinen gered. Lukas eindigt Handelingen der apostelen dan ook met de reis van Paulus naar Rome en vertelt in het allerlaatste vers van Handelingen 28: “(Paulus) verkondigde het koninkrijk van God en leerde de dingen omtrent de Here (kurios!) Jezus Christus ongehinderd met alle vrijmoedigheid!”

H. Klink, Hoornaar