Terug naar Ecclesianet.nl

Niets voor niets of alles voor niets: over C.S. Lewis en Stoner

William Stoner

Populariteit is zelden een aanbeveling voor een boek. Iets wat iedereen leest, dat kan niet veel zijn. Zelf laboreer ik ook in niet geringe mate aan dit vooroordeel. Pas heb ik dat vooroordeel echter in een specifiek geval moeten herzien. Iedereen had het maar over Stoner, een Amerikaanse roman uit 1965, geschreven door John Williams, en onlangs herontdekt. Toen ik het kocht en las, was de Nederlandse vertaling, die in september 2012 voor het eerst uitkwam, al aan zijn vierentwintigste druk toe.

Maar het is een mooi boek, ontroerend in zijn kaalheid: over William Stoner, een jongen van armoedige boeren komaf die aan de universiteit van Missouri in Columbia gaat studeren (in het Midwesten van de Verenigde Staten dus), aan die universiteit docent wordt, en nog een goeie ook, een ongelukkig huwelijk aangaat, een relatie krijgt met een jonge docente maar die relatie weer opgeeft, die ziek wordt en sterft – en dat alles met een stoïcijnse gelatenheid die het boek iets hartverscheurends geeft.

Overeenkomst met C.S. Lewis

Toen ik Stoner las, vroeg ik mij af aan wie hij mij deed denken. Hij herinnerde mij aan C.S. Lewis. Hoe dat zo?

Stoner is een begaafd docent. Aanvankelijk studeerde hij landbouwkunde om de kennis op te doen die van nut zou zijn wanneer hij de boerderij van zijn vader zou overnemen. Hij verandert van studierichting nadat zijn docent, Archer Sloane, hem in de klas heeft uitgedaagd sonnet 73 van Shakespeare uit te leggen.

‘Van meer dan driehonderd jaar geleden spreekt meneer Shakespeare u aan, meneer Stoner. Hoort u hem?’

Door die vraag voelt Stoner zich even buiten de tijd geplaatst. Hij weet geen woord uit te brengen, maar neemt wel een resoluut besluit: hij gaat Engelse letterkunde studeren. Hij verplaatst zich in het verleden, wordt tijdgenoot van Tristan en Isolde, Helena en Paris, en, realiseert hij zich, ‘hij was bij hen zoals hij nooit bij zijn studiegenoten kon zijn, die van de ene klas naar de andere gingen … en die achteloos in de buitenlucht van het Midwesten rondliepen’.

Als hij later zelf docent is, ligt zijn onderwijs geheel in het verlengde van deze ervaring. Hij leert zijn studenten het verleden vanuit een contemporain perspectief te bezien, en niet vanuit een hedendaags perspectief te beoordelen. Ter introductie op een serie colleges zegt Stoner:

‘Een van de doelen van dit college is het bestuderen van een aantal werken uit de periode van ruwweg 1200 tot 1500. Enkele historische voorvallen zullen ons in de weg staan. Er zullen taalkundige problemen zijn, en filosofische, sociale en religieuze, theoretische en praktische. Eigenlijk zal alles wat we de afgelopen jaren hebben geleerd ons in zekere zin belemmeren. Want de manier waarop wij gewoonlijk over de aard van ervaringen denken, heeft onze eigen verwachtingen even radicaal bepaald als de manier waarop de middeleeuwse mens gewoonlijk over de zijne dacht. Laten we, ter inleiding, eens enkele van die geestesgesteldheden onder de loep nemen van waaruit de middeleeuwse mens leefde, dacht en schreef …’

Stoner is gepromoveerd op ‘De invloed van de klassieke traditie op de middeleeuwse lyrische poëzie’. Een van zijn favoriete studentes (Katherine Driscoll) werkt aan een verhandeling over ‘Donatus en de renaissancistische tragedie’, waarbij zij zich toelegt op het gebruik door Shakespeare van de traditie van Donatus (bedoeld is Aelius Donatus, een grammaticus uit de vierde eeuw na Christus), een traditie die in de grammatica’s en handboeken van de middeleeuwen had standgehouden. Hij zegt haar dat haar verhandeling over de continuïteit tussen klassieken, middeleeuwen en Renaissance de beste is die hij over het onderwerp heeft gehoord. Veel minder tevreden is hij over de presentatie van een andere student, de hooghartige, romantische Charles Walker, die een tegenovergestelde positie inneemt. Hij betoogt dat een miezerige boekengeleerde als Donatus nooit het werk van een groot, mysterieus genie als Shakespeare heeft kunnen beïnvloeden. De lyriek van Shakespeare was geen product van noeste arbeid binnen een bepaalde traditie, maar van ‘een natuurlijk en boven regels en aardse wetten verheven genie’, en vormde daarmee de hoeksteen van de grote negentiende-eeuwse poëzie van de Romantiek. Stoner is woedend wanneer hij dit betoog aanhoort.

U begrijpt het al, ook Stoner is een ‘old western man’. Dat wil zeggen, in ieder geval, dat hij, evenals Lewis, overtuigd is van de continuïteit tussen de wereld van de klassieken en de Middeleeuwen en de Renaissance. Growth is the synthesis of change and continuity, and when there is no continuity there is no growth, schreef Lewis in een essay over Shakespeare. In zijn boek English Literature in the Sixteenth Century, Excluding Drama had hij betoogd dat de New Learning van humanisten als Thomas More en Erasmus eigenlijk geen diepe breuk met de Middeleeuwse geleerdheid had betekend, en zeker geen zaak van ‘extatische lentestemming’ was geweest. Een ‘naadloze, vormloze continuïteit-in-verandering is onze wijze van bestaan’, zeker in de periode tussen de Ilias en de Slag bij Waterloo. In De descriptione temporum, zijn oratie bij de aanvaarding van zijn professoraat in Cambridge, gaf hij aan dat de echte breuk – the great divide – in de West-Europese geschiedenis in het begin van de negentiende eeuw moest worden gedateerd, ‘ergens tussen ons en de Waverly-boeken, ergens tussen ons en Persuasion ligt de kloof’. Dat had Stoner ook kunnen zeggen. En zoals Stoner zich ergerde aan de historieloze en traditieloze praatjes van Charles Walker, zo had Lewis het in Oxford te kwaad met de vertegenwoordigers van de zogeheten Brideshead Generation, schrijvers als Waugh, Powell en Betjeman, veresthetiseerde jonge heren die roken aan de zwarte romantiek van de bloemen van het kwaad.

Lewis zei zelf dat hij zich zag als Old-Western-Man, als woordvoerder van een cultuur waarvan wij door een brede kloof gescheiden zijn, en wij moeten om van die cultuur kennis te kunnen nemen ‘afscheid nemen van de meeste reacties en van de meeste gewoontes’ die wij bij het lezen van moderne literatuur hebben aangeleerd. We moeten daarom de kennis van een autochtoon als Lewis dankbaar aangrijpen, zo zei hij zelf. ‘Reken niet op nog veel meer dinosaurussen’. Over Stoner wordt iets vergelijkbaars gezegd. Stoner was na zijn overlijden al snel in de vergetelheid geraakt, vreemdeling als hij was in zijn eigen tijd. ‘Zijn naam is voor de jongeren niet meer dan een klank, die geen besef van het verleden oproept en geen persoon met wie zij zichzelf of hun loopbaan in verband kunnen brengen’.

Verschil met Lewis

Maar met dit citaat is tegelijk het grote verschil tussen Stoner en Lewis gemarkeerd. Het leven van Stoner staat in het teken van de vergeefsheid, die weliswaar manmoedig wordt gedragen, maar het laatste woord heeft. Op zijn sterfbed neemt hij nog eenmaal zijn eigen dissertatie in handen, en weet hij dat het boek vergeten was, dat het nergens toe diende en dat de vraag naar de waarde ervan van geen betekenis was. Opmerkelijk genoeg is het deze conclusie over het menselijk leven die van Stoner een moderne bestseller heeft gemaakt.

Vergeefsheid is niet een woord dat we direct met leven en werk van Lewis in verband brengen. Hoeveel dons en studenten hem nu nog in Oxford of Cambridge in dankbare herinnering houden, weet ik niet, maar zeker is dat zijn boeken en levensverhaal nog altijd door vele duizenden mensen met enthousiasme en erkentelijkheid worden geëerd. En niemand minder dan Frits van Oostrom noemde Lewis’ boek over The Allegory of Love: A Study in Medieval Tradition een ‘nog altijd springlevend boek’.

Het grote verschil zit ‘m, denk ik, in het levensbeschouwelijke kader van waaruit Stoner en Lewis dachten. Als student hoort Stoner van de (toen) nieuwe theorie die al het bestaande vanuit zichzelf verklaart, als een immanent en evolutionair proces, als natuur, waarvan de kracht het uiteindelijk altijd moet afleggen tegen de macht van de dood. Het is het monistische wereldbeeld waarin God en Natuur niet worden onderscheiden, waarin Spinoza en Darwin elkaar ontmoeten. Zoals de grote historicus van de radicale Verlichting, Jonathan Israel, het onlangs zei in een interview met het Reformatorisch Dagblad: ‘Ik geloof niet in God, hoogstens in een verenigend principe achter de werkelijkheid. Als de wereld een eenheid is, dan moet er één achterliggend principe zijn. Dat is echter meer een filosofisch concept, zoals bij Spinoza. In ieder geval geloof ik niet in een god die oorsprong is van een morele orde. De mens leeft in een wereld die alleen vanuit zichzelf verklaard kan worden’. In deze wereld is de nederlaag, zelfs die van de liefde, onafwendbaar, en het bewustzijn daarvan kan hoogstens tot een besef van het tragische gesublimeerd worden.

De oud-westerse cultuur waarvan Lewis zich een late representant wist, werd voor hem gedragen door een morele orde die niet uit de natuur kon worden verklaard maar een bovennatuurlijke oorsprong had. Dat had hij ontdekt in zijn ontwikkeling van ‘pantheïst’ tot ‘theïst’ en tot gelovige. In Mere Christianity, bijvoorbeeld, begint Lewis met een uiteenzetting over die orde, als voorbereiding op de blijde boodschap van het christelijk geloof.

In dat kader krijgt het menselijk verlangen ook een geheel andere betekenis dan bij Stoner. In de bekende inleiding op de derde druk (1943) van The Pilgrim’s Regress (De kromme en de rechte weg) schreef Lewis over het begrip ‘romantiek’. Dat woord, dat hij in de ondertitel van het boek had gebruikt, zou hij liever niet meer gebruiken: het woord heeft zoveel verschillende betekenissen gekregen dat het nutteloos is geworden en uit ons vocabulaire kan worden geschrapt. Met het woord ‘romantiek’ bedoelde hij een elementaire ervaring die vaak verkeerd wordt begrepen maar van een ‘onmetelijk belang’ is. Het is, schrijft Lewis, ‘een ervaring van intens verlangen’, een gemis dat in al zijn onvervuldheid als ‘een soort verrukking’ voelt, een verlangen ‘dat jou als een rapier doorsteekt bij de geur van een houtvuurtje, het geluid van wilde eenden hoog aan de hemel, de titel van The Well at the World’s End, de eerste regels van Kubla Khan, spinnenwebben in de late zomer, of het gedruis van brekende golven’. De menselijke ziel is gemaakt om zich te verblijden in iets dat nooit ten volle geschonken wordt. Het verlangen is de zetel waarop slechts één kan plaatsnemen. ‘En als de natuur niets voor niets maakt, dan moet die Ene die op deze stoel kan plaatsnemen bestaan.’

Die Ene is dus God. In de natuur is niets voor niets, omdat God in deze schepping een verlangen heeft gelegd – eroos volgens de klassieken, de zoon van Penia en Poros (armoede en rijkdom) – die onvervuld blijft tot het zijn vervulling vindt in de diepste en uiteindelijke bron van dat verlangen, in de Schepper van onze natuur, in God, die tot ons is gekomen in zijn zoon Jezus Christus en daarmee alles heeft vervuld en tot zijn bestemming wil laten komen.

In de natuur is alles er voor niets, of is er niets voor niets. Daarmee is volgens mij het verschil aangegeven tussen de levens- en wereldbeschouwing van Stoner en Lewis. Als old western man zag Stoner wel een belangrijke continuïteit van tradities, maar in zijn monistische wereldbeeld ontwaarde hij geen onderliggende morele orde. Lewis, als christelijk Platonist, zag die wel: een morele orde die, mits goed begrepen, ons kan heropvoeden tot de juiste reacties en gewoontes (stock responses) en ons doet grijpen naar de diepste vervulling van ons leven. Een leven waarin we niet meer op onszelf zijn gericht (‘zum Ekel finde ich immer nur mich’) maar op wat rondom ons is gegeven, op de ander zoals we die in ons leven ontmoeten, op onze taken en dorre plichten, op God.

Dit verschil verklaart, vermoed ik, ook de blijvende populariteit van Lewis – ook vijftig jaar na zijn overlijden. Die populariteit schuilt natuurlijk ook in zijn ongekende en mysterieuze leesbaarheid, maar vooral ook in zijn boodschap, de boodschap over het leven dat een diepe zin heeft omdat niets voor niets is, zodat onze verlangens niet in tragische resignatie hoeven te eindigen. De ongeschiktheid, met Stoner, om gelukkig te zijn, is juist ook de geschiktheid om, met Lewis, gelukkig te worden.

B.J. Spruyt, Gouda