Terug naar Ecclesianet.nl

Keizer Constantijn, 1700 jaar geleden

Wie in 2013 een bezoek brengt aan de stad Rome, wordt hier en daar herinnerd aan een jaartal dat van immense betekenis is geweest voor de kerk en voor de hele wereld. In het jaar 313 – 1700 jaar geleden – vaardigde de toenmalige keizer Constantijn (280‑337) het zogenaamde tolerantie-edict van Milaan uit.

Met dit edict bepaalde de keizer dat vanaf dat moment de christelijke godsdienst toegestaan was in het Romeinse Rijk. De kerk kreeg een wettelijk vastgelegde plaats in de toenmalige wereld. Wie had iets dergelijks 50 jaar voordien kunnen voorspellen, toen de christenvervolging in het hele Rijk van Rome volop woedde? Het gedogen van de christelijke godsdienst betekende niet alleen dat aan de vervolgingen een einde kwam, het betekende ook het einde van de officiële staatsgodsdienst van de Romeinen!

Het einde van de staatsgodsdienst

Rome was altijd tolerant geweest tegenover andere godsdienstuitingen. Aan deze tolerantie was echter een voorwaarde verbonden: degenen die een bepaalde godheid vereerden, moesten ook de officiële Romeinse godsdienstige gebruiken eerbiedigen en desgewenst in prakijk brengen. Zo werd van iedereen de bereidheid gevraagd om de god Jupiter, wiens tempel op het Campadiglio in het hart van Rome stond, te erkennen en de keizer goddelijke eer te bewijzen. Op deze regel bestond een uitzondering. Van de Joden werd dit niet gevraagd. Al voor het begin van onze jaartelling had Julius Ceasar hun het privilege geschonken dat hun godsdienst waarin alleen de God van Israël erkend werd, een toegestane godsdienst zou zijn: een religio lecita. De Joodse godsdienst was vooral etnisch bepaald. Het was een vastomlijnde en gemakkelijk te traceren groep, die dit voorrecht genoot.

In de eerste decennia van onze jaartelling werd de christelijke godsdienst door de Romeinse overheden aangemerkt als een onderdeel van het Jodendom. Dit blijkt bijvoorbeeld uit wat Lucas vertelt in Handelingen 18. In Korinthe wenst Gallio (een broer van Seneca) geen oordeel te vellen over Paulus, aangezien de aanklacht van de Joden tegen hem volgens de proconsul een interne kwestie betreft. Deze welwillende houding tegenover de christenen veranderde echter al snel, hetgeen tot gevolg had dat de christenen nu en dan vervolgd werden. Aanvankelijk gebeurde dat slechts locaal. Het hing samen met hoe de bevolking van een bepaalde streek op hen reageerde en hoe de locale overheden hen beoordeelden. Toen het christelijke geloof zich in de Romeinse wereld echter langzaam maar zeker uitbreidde, werd de situatie precair. Vooral aan het einde van de 3e eeuw onderdrukte de keizer de kerk in het hele Rijk. Bloedige vervolgingen waren het gevolg. Toen werd pas goed duidelijk dat de christenen afstand namen van de Romeinse staatsgodsdienst. Zij weigerden Jupiter te vereren naast de God en Vader van Jezus Christus. Ook de keizer gaven ze geen goddelijke eer.

Door het tolerantie-edict van 313 maakte keizer Constantijn een einde aan de vervolgingen! De christenen hoefden de Romeinse staatsgodsdienst niet te erkennen. Daarmee kwam datgene wat gezien werd als het fundament van de Romeinse staat op losse schroeven te staan. Zo ingrijpend was dit edict!

Aan de vooravond van de slag bij de Milvische brug

De keizer kwam tot deze verstrekkende stap na een beslissende gebeurtenis in het najaar van 312. Deze vond plaats enkele dagen voorafgaand aan een confrontatie met zijn rivaal Maxentius. Over de toedracht van wat hem overkwam bestaan meerdere versies. De bekendste is dat de keizer in de dagen voorafgaand aan de definitieve slag naar de zon keek en in het licht ervan een teken zag: het Christusteken (het Christusmonogram, de Griekse ch (X) en r (P)), dat tegelijk een overwinningsteken is.

Sommigen beschouwen dit verhaal als apocrief. Anderen houden het erop dat de keizer in een droom een aanwijzing ontving. Deze droom hield hem zo bezig dat hij onder andere aan christenen een uitleg vroeg. Zij wezen hem op Christus. Hoe dit ook zij, vast staat dat de keizer een diepgaande ervaring gehad moet hebben. Niet voor niets verordende hij dat zijn soldaten kort voor de strijd het labarum (Christusmonogram) moesten aanbrengen op hun schilden. Enkele dagen later versloeg hij zijn rivaal. Dit gebeurde bij de Milvische Brug, niet ver van Rome. Nog geen jaar later was het edict van Milaan een feit.

Was de keizer gelovig?

Het is voor sommigen een vraag of de keizer ook persoonlijk het christelijke geloof was toegedaan. Zag hij misschien voordelen in het aanhalen van de band met de christenen, waarvan het aantal groeide? Veel is hierover geschreven. Ronduit negatief over Constantijns karakter oordeelt Jacob Burckhardt (1818 – 1897), in zijn boek ‘Die Zeit Constantin des Grossen’ dat hij als jonge man van 25 jaar schreef en dat nog steeds een standaardwerk is. Andere studies zijn positiever en evenwichtiger. Het bekendst is wel het boek van Norman H. Baynes ‘Constantine the Great and the Christian Church’. Vrij recent verscheen van Robert Lane Fox ‘Pagans and christians’, dat in het Nederlands de veelzeggende titel heeft ‘De droom van Constantijn’ en ‘The emperor Constantine’ van Michael Grant.

Ook Grant gaat ervan uit dat Constantijn een droom had, die hem bezig heeft gehouden. Voor de uitleg ervan ging Constantijn te rade bij christenen, zoals Nebukadnezar dat ooit deed bij Daniël. Zijn overwinning enige dagen later onderstreepte dat hij de God van de christenen moest erkennen. Tegelijkertijd laat Grant zien zien hoe voorzichtig de keizer te werk moest gaan. Keer op keer typeert hij zijn gedrag na zijn overwinning als ‘cautious’, ‘voorzichtig’. Vóór Contantijns aantreden werden de christenen in Rome gehaat, ook door de senatoren. Op hen rustte de taak garant te staan voor de Romeinse staat, de Romeinse zeden en gebruiken, ook op godsdienstig gebied. De keizer kon niet om hen heen. Dat was de reden waarom hij het tolerantie-edict in algemene termen opstelde en vermeed om zijn eigen keuze voor het christelijke geloof kenbaar te maken. Om diezelfde reden liet hij op de triomfboog (dichtbij het beroemde Collosseum), het symbool van de zon aanbrengen. De god van het licht had hem de overwinning geschonken. Daarmee konden de Romeinen, voor wie de zon een godheid was, goed leven. Voor hen was het niet zondermeer duidelijk dat de keizer impliciet verwees naar zijn visioen voorafgaand aan de slag bij de Milvische brug en naar Christus, de zon der gerechtigheid. Constantijn bediende zich dus van ambivalente woorden, gebruiken en symbolen om aan de ene kant zijn geloof tot uitdrukking te brengen en om aan de andere kant geen onnodige tweespalt in het rijk te veroorzaken. Hij kon het zich als keizer van het hele Romeinse rijk (met nog veel heidenen) eenvoudigweg niet veroorloven om belangrijke senatoren voor het hoofd te stoten.

Wat de keizer naliet!

En toch gebeurden er na de slag bij de Milvische Brug dingen die de senaat zeer te denken gaven. Deze markeren de omslag die de keizer gemaakt heeft en geven aan dat de keizer oprecht was in zijn geloof. In een voortreffelijk boek over Constantijn van de bekende Italiaanse historicus Augusto Fraschetti (‘La conversione da Roma pagana a Roma christiana’) vertelt deze over de wijze waarop de keizer na zijn overwinning op Maxentius Rome binnentrok. Constantijn deed niet zoals dat van hem verwacht mocht worden! De keizers hadden de gewoonte om, als ze voor de eerste keer Rome binnenkwamen (wat bij Constantijn die in Trier was opgegroeid, het geval was) of als ze als overwinnaar de grond van Rome betraden (ook dit gold voor Constantijn), zich al buiten de stad te laten begroeten door de senaat. In een optocht gingen zij en andere hoogwaardigheidsbekleders onder toejuiching van het volk naar de beroemdste weg van Rome, de Via Sacra (heilige weg), die naar het Campadiglio leidt. Aan het einde van deze weg, even voor het Campadiglio, staat het curiegebouw, waar de senaat bijeenkwam. Vanaf de rostra – een verhoogd plein dat daarvoor ligt – sprak de keizer het volk toe. Voor dit gebeurde, ging, zo wilde het gebruik, de keizer naar de tempel van Jupiter op het Campodiglio, om daar te offeren.

Constantijn week van dit gebruik af! Hij betrad het Campadiglio niet! Dat was opzienbarend. Een traditie van eeuwen werd doorbroken! Niet minder veelzeggend is het volgende. De keizer eindigde zijn triomftocht voor de trappen naar het Campadigli kort voordat hij een punt bereikte dat de Tria Fata werd genoemd. Deze plek lag enkele meters voor de uitgang van het curiegebouw, tussen dit gebouw en de rostra in. Het lag dus ook enkele meters voor de trappen die leidden naar het Campadiglio. De keizer wenste deze meters grond niet te betreden. De reden die hij daarvoor had, zegt veel over zijn persoon en over zijn verhouding tot het christelijke geloof.

De plaats van de Tria Fata was berucht bij de christenen. Ten tijde van de vervolgingen bestond het gebruik dat gevangen christenen naar het Campadiglio werden gebracht. Uitgerekend bij de Tria Fata kregen zij voor het laatst de mogelijkheid hun leven te redden. Voorwaarde was dat ze Christus af zouden zweren. Als bewijs van hun ‘oprechtheid’ moesten ze vervolgens op het Campadiglio een offer brengen aan Jupiter. Bij weigering werden ze van de steile heuvel geworpen waarop de Jupiter-tempel gebouwd. Velen hadden dit lot ondergaan en waren martelaar geworden. Uit eerbetoon voor hen die liever de dood ingingen dan dat ze Christus afzwoeren, hield de keizer halt voor hij op dit punt aankwam.

Van wereldhistorische betekenis

Constantijns weigering om het Campadiglio te betreden is van wereldhistorische betekenis geweest. Hij maakte er bij de Romeinse senaat weinig vrienden mee. Niet voor niets ontweek de keizer later Rome en stichtte hij een eigen stad: Constantinopel (het huidige Istanboel). In Rome ging de dienst aan Jupiter gewoon door. Toch had zijn daad ook voor Rome grote gevolgen. Door zijn toedoen werd het later een gebruik geen offer meer te brengen aan Jupiter. Veel opvolgers gingen na hun intocht of triomftocht in Rome naar de kerk die aan de rand van Rome door Constantijn gebouwd was, de St. Pieter. Ze kwamen er niet om er als triomfator een offer te brengen, maar om er, als ‘gewoon’, zondig mens te bidden en God eer te bewijzen. Iets van de twee-rijkenleer, waar later Augustinus en Luther zoveel waarde aan hechtten, werd toen al zichtbaar!

Onder keizer Theodosius, in 380 na Chr. werd het christelijke geloof zelfs verheven tot staatsgodsdienst en werd de tempeldienst op het Campadiglio afgeschaft.

Tot slot

Keizer Constantijn wordt juist ook in christelijke literatuur vaak negatief belicht. Ook op de door hem ingeluide omslag van het heidense Rome naar het corpus christianum wordt meer dan eens kritiek geleverd. De kerk zou iets van haar onschuld hebben verloren door zich met macht te verzwageren. Het is een feit dat het leven van de keizer zijn duistere kanten heeft, dat hij zeker in zijn latere dagen een tragische figuur is geworden en dat de nieuwe situatie de kerk niet altijd goed heeft gedaan. Dat neemt niet weg dat de keizer oprecht was en dat de christenheid in Europa en Amerika tot op de dag van vandaag de vruchten plukt van wat met het tolerantie-edict van 313 begon. Het corpus christianum, de beïnvloeding van de samenleving door de kerk, werd erdoor mogelijk gemaakt. Mede door keizer Constantijn werd de zondag een officiële rustdag, werd het mogelijk om zonder angst het christelijke geloof te belijden en de erediensten te bezoeken. Er veranderde ook het nodige in de sociale verhoudingen. We hoeven alleen maar te denken aan de afschaffing van de slavernij.

Kortom: door het tolerantie-edict werd de kerk een plaats gegund in het kader van de rechtsstaat. Dit is een voorrecht dat nauwelijks overschat kan worden. Er is alle reden om daar anno 2013 bij stil te staan!

H. Klink, Hoornaar