Terug naar Ecclesianet.nl

Een opzienbarende dogmatiek

Het is al weer geruime tijd geleden, dat De Christelijke dogmatiek van Dr. G. van den Brink en Dr. C. van der Kooi van de persen rolde1. Een opmerkelijke gebeurtenis, mag men wel zeggen. In een tijd als de onze, een tijd van steeds verder voortschrijdende kerkverlating, zit men niet bepaald op een nieuwe dogmatiek te wachten. Woorden als “dogmatiek”, “dogmatisch” en het onderliggende woord “dogma” doen al gauw aan droge kost denken, aan starheid ook, aan scherpslijperij zelfs, aan een klimaat van hete hoofden en koude harten. Dat er “in het dogma een loflied sluimert” (Gunning), bij wie kun je daar vandaag de dag nog mee aankomen? “Niet de leer, maar het leven, dáár gaat het om!”

Wie zo denkt, zal geen dogmatiek ter hand nemen, ook niet de Christelijke dogmatiek van Van den Brink en Van der Kooi. En toch: het boek is niet voor niets door velen met enthousiasme ontvangen. En wie de moeite neemt zich erin te verdiepen, krijgt daar begrip voor. Van droge kost althans is in dit geval totaal geen sprake!

Fatsoenlijk nadenken

Wanneer men de Christelijke dogmatiek vergelijkt met dogmatische handboeken als de Gereformeerde Dogmatiek van Bavinck, Barths Kirchliche Dogmatik, de Dogmatische Studiën van Berkouwer, Berkhofs Christelijk Geloof of de Beknopte gereformeerde dogmatiek van W.H. Velema en J. van Genderen, dan wordt men allereerst getroffen door een markant verschil in opzet. Het boek van Van den Brink en Van der Kooi is méér dan een leerboek. Het is de schrijvers er niet alleen om te doen een uiteenzetting van de leer der kerk te leveren. Dogmatische bezinning is voor hen een zaak van “fatsoenlijk nadenken” over God, mens en wereld. En dit willen zij gestalte geven door in gesprek te gaan met anderen, die zich hebben uitgesproken over dezelfde thema’s als door hen ter sprake gebracht worden. Let wel: door in gesprek te gaan. Van polemiek is in dit boek geen sprake.

In dit gesprek wordt echter niet alleen de vakgenoot, maar ook de lezer van het boek betrokken. Want dogmatische bezinning, zo wordt ons nadrukkelijk door de schrijvers voorgehouden, is niet alleen “voer voor theologen”. Theologie is van nut voor ons allemaal. Iedere gelovige heeft baat bij reflectie op de aard, de inhoud en de strekking van het geloof: “Wij zijn allen theologen, dat wil zeggen elke christen“ (Luther). Theologie is een rationele (logos) uiteenzetting over God, maar goede theologie ontspringt aan geloof. Geloof overigens niet als het erop na houden van een bepaalde overtuiging aangaande God, maar als het leiden van een leven in relatie met God, een leven coram Deo. Het geloof “zoekt naar begrip, inzicht”, aldus de kerkvaders Augustinus en Anselmus. Het probeert te begrijpen, waar het op aankomt en daarnaar te handelen. En de theologische reflectie beoogt bij deze – aanhoudende - zoektocht hand- en spandiensten te verlenen. “Denken vormt voor ons geen tegenstelling met persoonlijke existentiële ervaring, ze versterken elkaar juist. Wij hopen, dat dit ook óverkomt; dat ons boek eraan mag bijdragen, dat het geloof voor mensen weer inhoud krijgt. Dat het geloof meer is dan algemene spiritualiteit met een christelijk sausje. Er zijn door de kerk vondsten gedaan, die een ongelooflijk perspectief geven op het leven”, aldus Van den Brink. En Van der Kooi zegt: “Dogmatiek gaat over het gebinte van je levenshuis, oriëntatie voor je levensweg. Daar is behoefte aan in een klimaat van hedonisme en stuurloosheid. De jongere “keuzegeneratie” kan alles zelf inrichten, maar als het dan in je persoonlijk leven niet goed gaat, heeft men nog maar weinig hoop. Wat in ons boek overal doorheen loopt, is dat God nog iets met ons wil; dat deze wereld niet verlaten is. Dat geeft moed om te leven, om een gezin te stichten. God heeft een bedoeling, met iedereen bij name”.

Vernieuwend

Het is zonneklaar, dat de schrijvers van de Christelijke dogmatiek op een breed samengestelde lezerskring mikken. Dit komt reeds in de opzet van hun boek tot uiting, doordat de lezer aan het begin van elk hoofdstuk, onder het kopje “om erin te komen”, een tip over een artikel, een boek, een film, een schilderij of iets dergelijks wordt aangereikt, als “een manier om te laten zien, dat dogmatiek niet, zoals vaak gedacht wordt, losstaat van vragen, die in het gewone leven spelen” (Van den Brink).

Maar niet alleen uit de opzet van het boek blijkt, dat wij hier met een volwaardige update van de theologie te doen hebben, ook inhoudelijk – en daar gaat het toch in de eerste plaats om – komt dit duidelijk tot uiting, en wel vooral in de innovatieve taak, waarvoor de schrijvers zich als dogmatici gesteld weten: “Christelijke theologie bestaat niet uit een continu recyclen van oud materiaal, maar verbindt dat oude materiaal op creatieve wijze met ervaringen en uitdagingen die zich in het heden voordoen”. Nu moet zij dit ook wel doen, als zij voor mensen, die hier-en-nu leven, nog iets wil betekenen. Maar zij wil ook niet anders, omdat “het de moeite waard is het geloof zó te verwoorden dat het bespreekbaar wordt, ook met niet- of andersgelovigen. (…) Het gaat erom dat tijdgenoten – of ze nu gelovig zijn of niet – kunnen zien dat het geloof in elk geval ergens op slaat, dat het iets te zeggen heeft over hun vragen en problemen” (blz. 39v.).

Triniteitsleer

Een kenmerkend voorbeeld van het innovatieve karakter, dat de Christelijke dogmatiek draagt, is de plaats, die – in de godsleer – de triniteitsleer is toebedeeld. Doorgaans wordt eerst – niet zelden zelfs heel uitvoerig – aandacht geschonken aan “God in het algemeen”, aan zijn “eigenschappen” of “deugden”, terwijl daarna, min of meer als een aanhangsel, de drie-eenheid ter sprake komt. In de Christelijke dogmatiek wordt dit schema, destijds reeds door Karl Barth onder kritiek gesteld, doorbroken. Van meet af aan wordt de aandacht gericht op God als de Drieenige, “de God van Israël en de Vader van Jezus Christus, de concrete God die zich aan ons heeft laten kennen in het spoor van daden en gebeurtenissen dat we “heilsgeschiedenis” zijn gaan noemen” (blz. 85). “In de kerk vereren wij geen naamloos Opperwezen, maar de God die zich een naam gemaakt heeft in Israël en een gezicht gekregen heeft in Jezus Christus” (blz. 86). Dit houdt in, dat wij slechts in het licht van de drie-eenheidsleer op een adequate manier over Gods wezen en zijn eigenschappen kunnen nadenken.

Schriftopvatting

Nadat in hoofdstuk 12 uitvoerig over de Heilige Geest is gesproken, komt in hoofdstuk 13, onder het opschrift“ De Bijbel – het boek van God en mensen”, de leer van de Heilige Schrift aan de orde. Let wel: na de leer over de Heilige Geest. De kerk immers “heeft de Bijbel ontvangen als een geschenk van de Heilige Geest om haar te bewaren bij de boodschap van apostelen en profeten - dat wil zeggen bij het kerugma (verkondiging) aangaande Jezus Christus als haar Heer en Heiland” (blz. 500).

In § 5 van dit hoofdstuk wordt gekozen voor de zgn. theologische interpretatie van de Bijbel. Hieronder verstaat men een wijze van interpretatie, die “het ambachtelijk proces van bijbeluitleg volop serieus neemt en daarbij consequent is doordat ze de suggestie van die teksten volgt door tot op God door te vragen”. Uit de teksten zelf immers blijkt, dat ze met-het-oog- op-God gelezen willen worden. “Men doet ze slechts recht, wanneer men ze gelovig-ontvankelijk leest als teksten die getuigen van God als de beslissende werkelijkheid in ons leven. Alleen zo dringen we geen eigen ideologie of agenda aan de Bijbel op, maar laten we ons gezeggen door de zaak die de Bijbel aan de orde stelt” (blz. 502v.). En dat is nu juist de opgave, die de kerk zichzelf de eeuwen door, althans in haar beste ogenblikken, gesteld heeft: mensen te helpen om aan de hand van de Bijbel God te leren kennen. En zo vindt er een“Heimholung” van de Bijbel plaats: de Bijbel wordt weer teruggehaald naar zijn oorspronkelijke en meest natuurlijke context: die van de kerk (blz. 504).

In de theologische bijbelinterpretatie hebben wij overigens niet met een noviteit te doen. “Juist de groten in de kerkgeschiedenis hebben zich er altijd voor ingespannen om de Bijbel op deze wijze te lezen” (blz. 506).

Wanneer wij de visie op de Schrift, die aan de Christelijke Dogmatiek ten grondslag ligt – een visie, die vandaag de dag door een groot aantal orthodox-protestantse theologen gedeeld wordt - vergelijken met opvattingen, zoals deze in orthodoxe kringen door de jaren heen als maatgevend hebben gegolden, dan valt ons op, dat er een verschuiving heeft plaatsgevonden: de tegenstelling tussen de ethische theologie – een theologie met een open oog voor de menselijke inbreng bij de totstandkoming van de Bijbel - en theologen als Kuyper en Bavinck, die deze problematiek door hun concept van organische inspiratie probeerden te honoreren, is verleden tijd geworden. De schrijvers van de Christelijke Dogmatiek delen de “ethische” visie op de Schrift. Met Gunning hebben zij veel respect voor de wijze, waarop de kerk der eeuwen de Schrift heeft gelezen en deze ontvangen is, in tegenstelling tot de historisch-kritische methode, die de Bijbel als een willekeurige verzameling van geschriften behandeld en zodoende “stuk-gerationaliseerd” heeft.

Kanttekeningen

Een van de belangrijkste punten van verschil met de dogmatische handboeken, die in de loop der jaren in orthodoxe kringen de toon hebben aangegeven, is de sterke nadruk, door de schrijvers van de Christelijke dogmatiek op het werk van de Heilige Geest gelegd. Dit is ontegenzeggelijk een pluspunt gezien het feit, dat men de werking van de Heilige Geest lange tijd heeft beschouwd als beperkt tot de toeëigening van het heil in het leven van de afzonderlijke gelovige. De Christelijke dogmatiek laat zien, dat de actieradius van de Geest veel verder reikt. Alleen al in dit opzicht betekent het boek een verrijking, waarvoor wij de schrijvers veel dank verschuldigd zijn.

Toch zouden wij bij een en ander graag een kanttekening willen plaatsen.

De schrijvers maken er geen geheim van, dat zij Van Rulers gedachte van een “messiaans intermezzo” niet bijvallen. Niettemin stuiten wij ook bij hen op een verschuiving van het hoofdaccent. Dit valt namelijk niet, zoals in de traditioneel-gereformeerde dogmatiek, op Christus, de Middelaar, maar op het Koninkrijk. Niet Hij, maar het staat in het middelpunt, waardoor de boodschap van “een arme zondaar en een rijke Christus” – lange tijd hèt kenmerk van een orthodoxe prediking – op de achtergrond komt te staan. Een ontwikkeling overigens, die zich in de kerkelijke praktijk – de praktijk van de prediking – in het merendeel van de gemeenten, die deel uitmaken van de P.K.N., al veel eerder voltrokken heeft. Mijn vraag: betekent dit geen verschraling van het Bijbels getuigenis?

Een tweede vraag betreft het gebed.

Zou het geen aanbeveling verdiend hebben bij de behandeling van de triniteit aandacht te schenken aan de vraag, tot wie wij ons moeten richten in het gebed?

In evangelische kringen, maar, naar het mij voorkomt, ook steeds vaker in de kerk – wendt men zich in het – publieke – gebed vandaag de dag veelal uitsluitend tot Jezus, de tweede persoon van de drie-eenheid. Het wezen van God gaat geheel op in de Zoon, zodat de Vader en de Heilige Geest op de achtergrond komen te staan, om niet te zeggen: geëlimineerd worden. De theologie is vervangen door een Jesulogie. Is dit geen zorgwekkende ontwikkeling?

Stijl en taalgebruik

Ten slotte nog enkele kanttekeningen over de stijl en het taalgebruik van de schrijvers.

  1. De schrijvers maken het de lezer soms onnodig moeilijk door een ingewikkeld taalgebruik. Een voorbeeld hiervan: “Willen we rationeel te werk gaan, dan dient de sterkte van ons geloof altijd proportioneel te zijn ten opzichte van de evidence die we ervoor aan kunnen voeren” (blz. 56).
  2. Weinig fraai zijn uitdrukkingen als “God is niet stuk te krijgen” (blz. 148) en: “Jezus als het vleesgeworden Woord kan als het erop aankomt in de hof van Getsémane niet tippen aan de glorie van de onuitsprekelijke Vader” (368).
  3. Bepaald hinderlijk zijn de symptomen van de vandaag de dag al te populaire “Engelse ziekte”. Wil men een brede lezerskring bereiken, dan verdient het aanbeveling om woorden en uitdrukkingen als corebusiness (blz. 86), fine-tuning (blz. 67) en “to make sense of it all” (blz. 68) te vermijden en er een Nederlands equivalent voor te kiezen.

Nog hinderlijker zijn de symptomen van een vorm van taalbederf, die - vandaag de dag nagenoeg gemeengoed geworden – helaas door nog weinigen als zodanig herkend wordt: de directe verbinding van een voorzetsel (als tot, van of over) met een voegwoord (als hoe of waar). Van dit euvel komen wij in het boek vele tientallen voorbeelden tegen, zoals: “we hebben het over hoe onze werkelijkheid zich tot God verhoudt” (blz. 77), “voor een goed begrip van waar het in de drie-eenheidsleer om gaat” (blz. (95), “kennis nemen van hoe mensen over God dachten” (blz. 144), “over hoe het echt zit” (blz. 145), “een bepaald perspectief op wie God is” (blz. 148), “concluderen tot hoe en wie God eigenlijk is” (blz. 149), “in hoofdstuk 3 en 4 zijn wij in aanraking gekomen met wie en hoe God is” (blz. 160), “een aardig weetje over hoe het allemaal begon” en “iets over hoe de schepping er naar christelijk besef nog altijd uitziet en aan toe is” (blz. 191), “visies op hoe de werkelijkheid in elkaar steekt” (blz. 202), “de duivel als “het tegenbeeld van hoe God persoon is” (blz. 305), “Met wie Jezus Christus is, staat of valt ons eeuwig heil” (blz. 367), “Denken en spreken over hoe in Jezus God en mens samengaan” (blz. 372) en “de tweede verklaring van hoe de dood van Christus een overwinning betekende” (blz. 417).

Ten slotte

Tot zover onze – summiere - bespreking van de Christelijke dogmatiek. Na wat wij in het voorgaande hebben opgemerkt zal het niemand verbazen, dat wij dit uiterst levendige boek van harte bij onze lezerskring aanbevelen, als een hand-boek in de volle zin van het woord: een boek, dat men steeds bij de hand heeft om het op elk gewenst moment te kunnen raadplegen. Mij dunkt, dat men hier alleen maar rijker van kan worden.

J.G. Barnhoorn, Nunspeet

Noot
1 ISBN 978 90 239 2606 1. Aantal pagina’s: 722. Prijs: € 65,-