Terug naar Ecclesianet.nl

Een vraag over realized eschatology

Begin juni hield ik op de Conferentie in Vianen een lezing die in Ecclesia nr. 15/16 is afgedrukt. Ik kreeg daarop een reactie van prof. dr. mr. T. Blokland. Hij stuurde een brief met daarin een vraag over het begrip: realized eschtology (gerealiseerde eindtijd), een term die ‘bedacht’ is door de bekende Nieuwtestamenticus C.H. Dodd (1884 – 1973). De brief verdient het om volledig afgedrukt te worden. Graag wil ik op de inhoud ervan ingaan.

Geachte heer Klink.
Met grote belangstelling lees ik
Ecclesia, en dat geldt niet minder voor hetgeen U daarin schrijft. Inzake hetgeen U releveert rondom realized eschatology evenwel, moet ik U berichten dat het me niet aanspreekt; integendeel.

Ik ben jurist en geen theoloog. Wel ben ik in Gods gunst en genade een gelovige en trouw kerkganger. Ik heb helemaal niet het gevoel van realized eschatology. Met Paulus in het vierde hoofdstuk van de tweede brief aan Timotheüs mag ik behoren tot hen die de dag van de verschijning van Christus in heerlijkheid hebben lief gekregen. En jammer genoeg is het nog niet zo ver.

Dezelfde Paulus schrijft dat de ganse schepping aan vruchteloosheid is onderworpen, in barensnood is, en uitziet naar de jongste dag.

Zoals ook Petrus schrijft dat wij verwachten een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Nogmaals Paulus: de bazuin zal klinken, de doden worden opgewekt, de levenden zullen alsdan onsterfelijkheid hebben en samen zullen we altoos bij de Heere zijn. Het woord van de Heere zelf: Ik kom weder en zal u tot MIJ nemen, opdat ook gij moogt zijn waar IK ben.

Dat is jammer genoeg nog geen werkelijkheid.

Maar er wordt reikhalzend naar het zijn in het hemels vaderland uitgezien.

U citeert een lied. Laat ik dat ook doen: gezang 95, het tweede couplet.

Dan zullen wij met alle heiligen samen
in het morgenlicht op hoge tinnen staan,
en hoogte en diepte en lengte en breedte
van Gods heil doormeten mogen.

Dat en niets anders, is voor mij realized eschatology.

De eerste gedachte die na lezing van de brief bij me opkwam, was dat hier is sprake van een misverstand. En dit te meer omdat ik de cri de coeur van de briefschrijver: ‘dat en niets anders is voor mij realized eschatology’ begrijp. Dat geldt zeker ook de mooie zinsneden die laten zien dat de heer Blokland uitziet naar de dag waarop de luister van Christus volledig aan het daglicht treedt. Zo ver is het helaas nog niet, verzucht hij. En ook daar zeg ik ‘ja en amen’ op. Maar ik zeg er nog iets bij. Laat mij mogen uitleggen wat dat is.

Nieuwtestamentisch

Wanneer de heer Blokland schrijft over het verlangend uitzien naar de dag van Christus, is dat volkomen nieuwtestamentisch. Tal van teksten laten dit zien. Ik denk aan de bekende tekst (1 Korinthiërs 13: 12) “Nu zien wij nog in een spiegel in duistere raadselen, maar dan zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht. Dan zullen wij kennen zoals wij gekend zijn.” In Romeinen 8 schrijft Paulus over het zuchten van de schepping en het uitzien naar de “vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen Gods” en hij laat daarop volgen: “Want wij weten dat tot nu toe de ganse schepping zucht en in barensnood is. En niet alleen zij, maar ook wijzelf, wij die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam.” Niet voor niets schrijft hij als hij in gevangenschap is in Rome (Filippenzen 2: 23): “Ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dat is verre weg het beste.”

Een eenvoudige vraag

Toch roepen juist deze teksten van Paulus een eenvoudige vraag op: hoe weet Paulus zo stellig dat ‘met Christus te zijn’, verreweg het beste is? Het antwoord op deze vraag moet luiden: hij heeft al iets gezien en geproefd van de hemelse werkelijkheid. Dat viel hem voor het eerst ten deel bij de poorten van Damascus. Paulus vertelt dat hij midden op de dag boven de zon een licht zag dat zo verblindend was dat het het zonlicht ver overtrof en hij er zo door overweldigd werd dat het hem van zijn paard stootte. Een ogenblik later lag hij op de grond en kon hij niet méér uitbrengen dan de woorden: “Wie bent U Heer?” en “Wat wilt u dat ik doen zal?”

Jezus ontmoette Paulus in een majesteitelijk en ondoordringbaar licht. De werkelijkheid die zich bij hem aandiende, was zo overweldigend dat hij Hem aansprak met kurios. Kurios is in de Septuaginta de naam voor God zelf. Paulus merkte dat de majesteit die hij in dit verblindende licht ontmoette, van dien aard was dat ze direct met God te maken had, een schittering was van zijn heerlijkheid! En toch was er iets onbekends aan. Vandaar zijn vraag: “Wie bent u, kurios?” Toen hij even daarvoor van zijn paard gestoten werd, hoorde hij een stem: “Saul, Saul, wat vervolgt u Mij?” Daardoor kon hij al enigszins vermoeden dat hij te maken had met Jezus. Toch stelde hij de vraag “Wie bent u?” Want daar lag voor Paulus het ontstellende: dat Jezus de drager zou zijn van goddelijke majesteit! Zijn angstige vermoeden werd bevestigd: “Ik ben Jezus, die u vervolgt.”

Het dramatische van deze gebeurtenis is dat Paulus er niet meer omheen kan: niet minder dan Jezus zelf, de Gekruisigde, blijkt de kurios te zijn met wie hij te maken heeft. Hij is het die hem verschijnt in goddelijke majesteit!

Jezus beveelt hem naar Damascus te gaan. Tijdens de drie dagen die volgen, realiseert Paulus zich wat hij gedaan heeft: hij heeft zich laten leiden door blinde ijver en haat. Hij heeft de Schriften volkomen verkeerd uitgelegd. In het licht van Christus’ heerlijkheid beginnen ze nu helder te worden.

In die dagen voltrekt zich – door de diepte heen – een grote verandering in zijn leven. Steeds weer herinnert hij zich de woorden van Jezus: “Daar (in Damascus) zal u verteld worden wat u moet doen.” Met de komst van Annanias komt het tot een doorbraak: ‘Saulus, broeder, Jezus heeft me gestuurd.” Hij legt hem de handen op en Saulus wordt door hem gedoopt, onder aanroeping, d.w.z. erkenning van de Naam van Christus (de kurios-naam). Dan is Paulus door de vergeving van de zonden de drempel overgegaan naar het Koninkrijk van God en ontvangt hij de Heilige Geest. Hij wordt in de gemeente van Christus ingevoegd (Annanias zei ‘broeder’) en hoort van de opdracht om Jezus’ Naam te verkondigen onder de heidenen. Vanaf dat moment leeft hij in het licht van Christus!

Paulus’ grote ontdekking is dat het Koninkrijk der hemelen, waar de profeten naar hadden verwezen als iets dat in de toekomst op aarde zou doorbreken, inmiddels in Christus doorgebroken is en dat zijn gemeente door het geloof en na de doop onder aanroeping van zijn Naam, nú al in die werkelijkheid leeft. Van dit besef zijn de brieven van Paulus doortrokken. Het moet de kern van zijn prediking hebben uitgemaakt, zoals blijkt uit de samenvatting van enkele preken die Lukas ons doorgeeft in Handelingen der apostelen.

Nabij gekomen

Maar niet alleen Paulus’ prediking en brieven dragen dit stempel. Dat geldt ook voor de andere nieuwtestamentische getuigenissen. De auteur van de brief aan de Hebreeën schrijft: “Gij hebt de krachten van de toekomende eeuw gesmaakt.” Hij heeft het over “een verse en levende weg” die Christus heeft gebaand, waarlangs wij de toegang hebben tot het heiligdom in de hemelen. Hij typeert dat komen in het heiligdom als iets dat al plaats heeft gevonden en ook nu plaatsvindt: “Gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem en tot de tienduizendtallen van engelen en tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven staan in de hemelen, en tot God…” (hoofdstuk 12).

Het is opmerkelijk dat de Here Jezus Christus hetzelfde woord ‘nabij gekomen’ gebruikt als Hij na zijn doop in de Jordaan met kracht predikt: “Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen…” (Mattheüs 4: 17). In het Grieks wordt het woordje eggiken gebruikt. Het betekent: het is zozeer nabij gekomen dat de krachten ervan zich laten gelden, voelbaar, tastbaar zijn.

En dat was ook zo! In en om Christus heen begon er op aarde iets te gloren van dat Koninkrijk van God. De eindtijd was aangebroken! Vandaar de wonderen, vandaar de toeloop van de mensen, vandaar de uitroep “deze spreekt niet als de schriftgeleerden en farizeeën. Hij spreekt als machthebbende” (Mattheüs 7: 29). Het geheim daarvan lag in Jezus’ persoon, die verbazing wekte! Wie is Hij toch?, vroeg men zich af. Zijn heiligheid, zijn puurheid en verbondenheid met de Vader lichtte meer en meer op, zodat het voor de discipelen en later ook voor anderen langzamerhand begon te dagen dat ze in Hem te maken hadden met Gods eigen Zoon, ofwel met de Mensenzoon, die alle macht gekregen heeft in de hemel en op de aarde en deze binnenkort zou mogen uitoefenen!

Bij deze ongehoorde realiteit leefde Hij. Om deze heilsheerschappij die rondom en in Hem al realiteit was, op aarde ten volle door te laten breken, offerde Hij zich op. Hij deed dat toen het verzet tegen deze realiteit in Jeruzalem zijn hoogtepunt bereikte. Hij deed dat met de bedoeling dat dit verzet gebroken zou worden. En dat gebeurde ook! Zo brak het Koninkrijk der hemelen door op aarde en kon het niet gestuit worden. En zo werd het Pasen en Pinksteren.

Op de berg

In en rondom Jezus brak het Koninkrijk der hemelen door en kreeg het vaste voet op de aarde. Hij heeft een definitieve bres geslagen in de goddeloosheid en zondigheid van de wereld. Er is nu een venster naar de hemel omdat in Hem de hemel op aarde is gekomen.

Uit deze realiteit leefden de discipelen en leefde de vroeg-christelijke gemeente. Wat dat inhoudt, kan ik niet beter illustreren dan aan de hand van wat we lezen over de verheerlijking op de berg (Mattheüs 17: 1- 13). We lezen er dat Jezus zijn discipelen meeneemt de berg op. Daar licht volledig op dat Hij de Zoon God is, zoals de Vader het er zelf zou zeggen. Terwijl het hemelse licht van Hemzelf uitging (“…zijn gedaante veranderde voor hun ogen en zijn gelaat straalde als de zon en zijn klederen werden wit als het licht”), zien Petrus, Johannes en Jacobus in dat licht iets van de contouren van de hemel. Vandaar dat ze Mozes en Elia gewaar worden. Even wordt hun in het licht van Christus een blik gegund in de hemel die in Christus als eschatologische werkelijkheid op aarde realiteit is geworden. Wat ze op de berg zien, is een voorbode van wat ze meemaken na de opstanding, bij de Hemelvaart en op het Pinksterfeest. Deze hemelse realiteit breekt in Jezus baan en ze leven eruit.

Terug naar Paulus

Met deze realiteit kwam ook Paulus in aanraking. Hij heeft er bij geleefd, zoals blijkt uit 2 Korinthiërs 2: “Maar telkens wanneer iemand zich tot de Here bekeerd heeft, wordt de bedekking weggenomen. De Here nu is de Geest en waar de Geest des Heren is, is vrijheid. En wij allen, die met een aangezicht waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is.”

Het leven bij deze realiteit heeft Paulus verrukt van vreugde en naar meer doen verlangen. Vandaar dat hij in de brief aan de Filippenzen uitroept: “Heen te gaan en bij Christus te zijn is verreweg het beste.” Hij weet dat wat hem wacht ‘verreweg het beste’ is, omdat de werkelijkheid ervan zich al heeft aangediend. Het wachten was op de volledige doorbraak, de volledige overgang van het ‘hier’ (waarin het heil verschenen is) naar het ‘daar’. Hij ziet uit naar het ‘daar’ dat in Christus al ‘hier’ geworden was.

Realized eschatology

De term realized eschatology leent zich het beste om wat ik hierboven beschreef in een korte aanduiding duidelijk te maken. Hij brengt tot uitdrukking dat de eindtijd, het Koninkrijk van God op aarde, realiteit is geworden (realized), maar dat het tegelijk een eschatologische werkelijkheid blijft. Het Evangelie als de proclamatie van de heilsheerschappij die Jezus op aarde bracht, opent de weg tot het Koninkrijk der hemelen, waartoe je nu al behoort en waarvan je de krachten al smaakt. Het is doorgebroken. Maar het is doorgebroken als eschatologische werkelijkheid. Pas als de eschatologie geen eschatologie meer is, maar volledig tegenwoordige werkelijkheid ( bij de wederkomst van Christus) is de voleinding bereikt. Voor de volledige verwerkelijking ervan stelt de verheerlijkte kurios zich garant.

Het smaken van de krachten van het Koninkrijk der hemelen in het nú is er de reden van dat Paulus niet bang is voor de dood en uitziet naar de volledige openbaarwording van de kinderen van God. Immers als dat gebeurt, wordt de hele schepping gereinigd van het kwade en de zonde. Ze wordt omgevormd tot een nieuwe werkelijkheid en God zal zijn alles en in allen. En het is volledig nieuwtestamentisch om daarnaar uit te zien, zoals de heer Blokland in zijn mooie brief aangeeft.

H. Klink, Hoornaar