Terug naar Ecclesianet.nl

Horen - komen - verlossen

“Ik heb hun zuchten gehoord en ben neergekomen om hen daaruit te verlossen.” (Handelingen 7:34m)

Een prachtig Godswoord is het dat Stefanus aanhaalt: “Ik heb hun zuchten gehoord en ben neergekomen om hen te verlossen.” Daar zit heel het evangelie in. Voor het eerst klonk het, toen God zich aan Mozes openbaarde (Exodus 3).

Deze aanhaling is opmerkelijk. Want ze komt voor in Stefanus’ uiterst felle rede tot het Sanhedrin, die uitloopt op de woorden: “Onbesnedenen! U verzet u altijd tegen de Heilige Geest!” Iets positiefs verwacht je dan niet. Toch houdt Stefanus Gods daden hoog en wijst hij erop dat God de God is die hoort en komt en verlost.

Deze woorden zeggen iets over Gods wezen. Ze staan ook niet los van elkaar: want als God hoort, komt Hij; en als Hij komt, verlost Hij.

Het zijn woorden die de Heilige Geest vastmaakt in ons hart. Dat is maar goed ook. Want hoe gauw plaatsen wij geen vraagtekens achter zulke woorden? De Geest weet ze echter uit te rekken tot uitroeptekens.

Besef je – vraagt Hij – dat je een God hebt Die hoort, hoort als geen ander? Die altijd naar je luistert, al zit je achter nog zo’n dikke betonwand. Die zelfs je meest zwakke geluid onderschept. De Psalmen staan er vol van: “God heb ik lief, want die getrouwe Heer hoort mijne stem.”

Nu zegt de Here niet alleen dát Hij hoort, maar ook wát Hij hoort: “Ik heb hun zuchten gehoord.” Dat hoort God vooral: ons gezucht. Dat is geen zelfvoldaan gezucht. Nee, dit zuchten heeft te maken met roepen, kermen, huilen. Heel de nood van de mensheid ligt erin opgesloten. Wat wordt er gezucht vanwege verdriet en pijn, schuld en zonde. Hoezeer kreunt de schepping. “Heel de schepping zucht,” schrijft Paulus. Al dit zuchten hoort God.

Calvijn zegt mooi: “God neigt zijn hart vooral tot medelijden, als wij onze klachten en verzuchtingen in zijn schoot neerleggen.” Inderdaad, dat staat ons te doen: het allemaal in zijn schoot neerleggen. Want Hij hoort!

Daar laat Hij het niet bij. Op zijn horen volgt zijn komen: “Ik heb hun zuchten gehoord en ben neergekomen.” Dat is even wat! De hoge en heilige God, omringd door zijn engelen, zetelend in heerlijkheid, die – zoals Stefanus verderop in zijn rede zegt – de hemel heeft tot zijn troon en de aarde tot een voetbank voor zijn voeten – die God komt neer.

In het woord “ne(d)ergekomen” zit het woord “neder”, dat doet denken aan “vernedering”. Dat God nederkomt, is namelijk geen eer voor Hem. Het is evenmin een eer voor ons. We weten waar dat op vast zit: op onze zonde.

Hoe meer de Heilige Geest ons daar erg in doet krijgen, hoe meer het ons verwondert dat God zegt: “Ik ben neergekomen om te verlossen.” Dus niet om te straffen en te vernietigen; wat we hebben verdiend. Nee, om te verlóssen. -- Een sterk woord: eruitrukken, ontzetten, zoals een belegerde stad ontzet wordt. Dat kost dus nogal wat. Dat kan ook niet anders. Want satan houdt ons in een wurgende greep. Wij zitten zelf ook met huid en haar en met hart en ziel vast aan het kwaad, aan ons “ik” en-noem-maar-op. Verlossen.

Gaat het over verlossen, dan gaat het op hetzelfde moment ook over de Verlosser, over onze Here Jezus Christus. Zonder zijn naam kunnen we niet goed spreken over horen en komen en verlossen. In zijn eigen Zoon is God neergedaald. Zo veel werk heeft Hij gemaakt van zíjn horen en van óns zuchten.

Dat werk concentreert zich vooral in Christus’ kruis. Daarop richten we ook nu weer ons oog. Daaraan stierf onze Heiland, tot een volkomen verzoening van al onze zonden. Daar daalde Hij o zo diep neer in de afgrond van ons verloren bestaan. Waarom? Om ons daaruit te verlóssen. Hoezeer heeft Hij toen gezucht tot zijn Vader, drie uur lang, dat is een eeuwigheid lang. Maar zijn Vader kwam niet. Waarom niet? Opdat wij tot God genomen en nooit meer door Hem verlaten zouden worden; opdat wij niet eeuwig zuchten onder het oordeel, maar eeuwig zingen van Gods goedertierenheên.

Nog steeds daalt God neer: in brood en wijn. Zo zeker we die vasthouden, zo zeker is het dat God is neergekomen om ons te verlossen. “Gij, Heer, alleen kunt mijn genezing zijn, voed mij en drenk mij met uw brood en wijn.” Totdat U mij doet komen in uw heerlijkheid.

Drs. H.J. Lam, Ridderkerk