Terug naar Ecclesianet.nl

De koningspsalmen en de gemeente in Jeruzalem

De vroeg-christelijke gemeente en Psalm 2

In het vorige nummer zagen we hoe de verlamde man die door Petrus in de Naam van Jezus van Nazareth genezen werd in de tempel op de Sion een jubel aanhief. In Jezus was hij in aanraking gekomen met het Koninkrijk der hemelen, de nieuwe tempel, waarvan Jezus de hoeksteen is. Zoals in Lukas 2 Simeon zijn stem in de tempel verhief en God loofde om het Kind dat daar gebracht werd, zo jubelde in Handelingen 4 de verlamde man het uit, vanwege de kracht en het heil van dit Kind, die in zijn genezing manifest waren geworden. Dit heil ging in Lukas 2 en in Handelingen 3 en 4 volledig aan de priesters voorbij. Uit de beginhoofdstukken van Handelingen maken we op dat de leden van het Sanhedrin, waarvan de belangrijkste vertegenwoordigers de priesters waren, de boodschap van Jezus het liefst negeerden. Ze konden zich dat echter niet veroorloven. De jubel van de verlamde man om de krachten van het Koninkrijk der hemelen dat aangebroken is, doorbrak de bijna opgelegde stilte!

Het Sanhedrin wordt om die reden wel gedwongen om te reageren. Het doet dat ook. In eerste instantie verbiedt het Petrus en Johannes te spreken in de Naam van Jezus. Als de apostelen er toch mee doorgaan, worden ze gevangen gezet. We lezen op het einde van Handelingen 4 hoe de eerste christelijke gemeente in Jeruzalem met deze situatie omgaat. De leden ervan bidden gezamenlijk om hun vrijlating. In hun gebed haken ze aan bij Psalm 2.

Wie thuis is in het Nieuwe Testament moet het opvallen hoe belangrijk de Psalmen geweest zijn voor de ontluikende eerste christelijke gemeente. Dat geldt vooral voor de koningspsalmen: Psalm 118, Psalm 110, Psalm 89. Deze Psalmen zijn gedicht rondom het thema van David en zijn nakomelingen (de koningen uit het Davidische geslacht) en hun verhouding tot de berg Sion, waarop de tempel stond! De achtergrond van deze Psalmen vormt de profetie van de profeet Nathan, die David beloofde dat uit zijn nageslacht door God een Koning verwekt zou worden, die eeuwig zou regeren!

Ook de tweede Psalm moet in deze rij genoemd worden. Dat deze Psalm voor de eerste christelijke gemeente van grote betekenis geweest zijn, blijkt niet alleen uit het gebed in Handelingen 4. Het blijkt ook uit wat Lukas vertelt in het 13e hoofdstuk van Handelingen. Daar vergunt hij ons een blik in de aard van Paulus’ prediking. Paulus is op zijn eerste zendingsreis in Antiochië in Pisidië (Klein Azië) en legt de Joden die daar wonen, evenals de proselieten die zich bij hen hadden aangesloten, uit dat de beloften die God aan de vaderen gaf, in vervulling zijn gegaan. Hij citeert daarbij allereerst Psalm 2, maar ook op andere Psalmen zinspeelt hij, ondermeer op Psalm 89.

De betekenis van de Psalmen

Dat de eerste gemeente erg gehecht was aan deze Psalmen voor de interpretatie van het heil dat in Christus open gegaan was, is niet vreemd. Jezus zelf heeft er de eerste aanzet toe gegeven, vooral in de week voorafgaand aan zijn sterven, na zijn intocht in Jeruzalem. Bij dit laatste gebeuren kwam Psalm 118 prominent naar voren. De schare zong: “Gezegend Hij, die komt in de Naam des Heren.” Jezus zelf haalt de Psalm aan als Hij op het tempelplein een gelijkenis vertelt met het oog op het lot van Jeruzalem: “De steen die de bouwers verworpen hadden, is tot een hoeksteen geworden” (Markus 12: 10). Het lijkt erop dat Hij ook aan deze Psalm gedacht heeft, toen Hij na de intocht het tempelplein betrad en de priesters Hem, in tegenstelling tot de schare, niet als de ‘gezegende des Heren’ in het heiligdom verwelkomden. Toen Hij de tempel reinigde, ontstond er onenigheid, waarbij Jezus zei: “Breek deze tempel af en Ik zal hem opbouwen in drie dagen.”

Opvallend is dat Jezus in de dagen daarna, in de gespannen situatie die is ontstaan, de Schriftgeleerden confronteert met Psalm 110. Hij vraagt over wie David in deze Psalm spreekt (Markus 12: 35). Daarover kon geen misverstand bestaan: over zijn zoon! De Schriftgeleerden geven dat aan. Maar Jezus stelt hen voor een onoplosbare vraag, als Hij vervolgens zegt: “Als David dan over zijn zoon spreekt, vanwaar is het dan dat hij Hem ook zijn Here noemt?” Jezus verwijst daarmee naar de eerste verzen uit Psalm 110, waar David zegt: “De Here heeft gesproken tot mijn Here, zet u aan mijn rechterhand totdat ik uw vijanden gesteld zal hebben tot een voetbank van uw voeten.” Het kan niet anders of de Schriftgeleerden hebben geweten dat Jezus op Palmzondag op de Sion was binnengehaald als de zoon van David (Psalm 118). Zou Hij nu met Psalm 110 aangeven dat Hij ook zijn ‘Heer’ is, die aan Gods rechterhand zou plaatsnemen?

Psalm 2

In dezelfde dagen doet zich een ander incident voor, waarbij Jezus impliciet verwijst naar de tweede Psalm. In deze Psalm richt God zich tot de koning en zegt: “Ik heb mijn koning toch gezalfd over Sion, mijn heilige berg.” De koning zegt vervolgens: “Ik zal het besluit bekend maken: De HERE heeft tot mij gezegd: U bent mijn zoon, heden heb Ik u verwekt.” Het is duidelijk dat God de koning bevestigt op de Sion en dat er op die manier iets van Gods genadige regering in Israël doorbreekt en zichtbaar wordt. Ook bij deze Psalm loont het de moeite om de Septuaginta-vertaling ervan te lezen. Daar heet het dat niet God zegt dat Hij zijn zoon (de koning) gezalfd heeft tot vorst over de Sion, maar dat de koning zélf zegt dat God hem gezalfd heeft. En dat niet ‘over’ de Sion, maar ‘op’de Sion.

Op een heel saillant moment zinspeelt Jezus in de laatste dagen voor zijn lijden op deze Psalm (zie Markus 11: 27 v.). De Farizeeën en Schriftgeleerden komen namelijk daags na de reiniging van de tempel naar Hem toe en vragen: “Welke bevoegdheid hebt U om deze dingen te doen?” Daarmee vragen ze naar Jezus’ geloofsbrieven. Jezus pareert de vraag met een tegenvraag: “de doop van Johannes, was die uit de hemel of uit de mensen?” Impliciet geeft Jezus aan dat zijn gezag samenhing met het optreden van Johannes de Doper. Wat moeten ze over Johannes denken en zeggen? Als ze beweren dat zijn doop uit de mensen was (en niet uit God) dan zouden ze zich onmogelijk maken bij het volk. Als ze daarentegen zouden zeggen ‘uit de hemel’ zouden ze zichzelf in de vingers snijden. Ze waren op de hoogte van de nauwe band tussen Johannes en Jezus en van het feit dat Jezus zich bij Johannes in de Jordaan had ondergedompeld. Bij de doop was er iets merkwaardigs gebeurd: een stem uit de hemel zei: “U bent mijn geliefde Zoon, in wie Ik mijn welbehagen heb.” Dat was een citaat uit Psalm 2. Nadrukkelijk vertellen de evangelisten dat deze stem uit de hemel klonk. Door naar de doop van Johannes te verwijzen in het kader van de vraag naar zijn bevoegdheid, wijst Jezus de Schriftgeleerden impliciet naar Psalm 2. Als zij dus vragen naar het gezag waarmee Hij de tafels van de geldwisselaars omver wierp en de dieren uit de voorhof van de heidenen verjoeg, geeft Jezus impliciet als antwoord (wat heel nadrukkelijk in de LXX staat): “Ik ben tot koning gezalfd op (over) de Sion, zijn heilige berg.” En dat door God, die Hem zijn Zoon noemde. Dát gaf Hem de bevoegdheid om zo op de Sion te handelen.

In dit licht wordt de aanhaling van Psalm 2 in het gebed van de eerste christelijke gemeente voor de vrijlating van de apostelen begrijpelijk. De eerste verzen van de Psalm spreken erover dat ‘de volken en koningen van de aarde’ zich tegen God en zijn gezalfde keren (voor Gezalfde staat in het Grieks ‘Christos’). Voor de gemeente zijn ‘deze volken en koningen’ de leden van het Sanhedrin, met de vooraanstaande priesters, die veel macht bezaten, voorop. Zij hadden er de hand in gehad dat Jezus gekruisigd zou worden. Zij zouden jaren later in een bittere onderlinge machtsstrijd de ondergang van Jeruzalem bespoedigen. De biddende gemeente doet nu een beroep op Gods trouw aan de door Hem gezalfde koning!

Paulus en de tweede Psalm

We zagen in Handelingen 13 dat Paulus Psalm 2 citeert in de preek die hij houdt in Antiochië. Het opvallende is dat Hij in de Psalm een profetie vindt van de opstanding uit de dood! Hij houdt zijn gehoor voor: “Wij verkondigen u dat God de belofte, die aan de vaderen geschied is, aan ons, hun kinderen vervuld heeft, door Jezus op te wekken, zoals in de tweede Psalm geschreven staat: ‘Mijn Zoon zijt Gij; Ik heb u heden verwekt’.”

Hoe komt Paulus ertoe om de woorden van deze Psalm deze lading te geven en er een profetie van de opstanding in te zien? Ongetwijfeld knoopt hij aan bij de betekenis die de vroeg-christelijke gemeente in Jeruzalem aan deze Psalm gaf. We zijn in staat die betekenis nog meer op het spoor te komen als we Paulus’ brief aan de Romeinen in onze uitleg betrekken. In de eerste verzen van deze brief grijpt Paulus terug op het belijden van de moedergemeente in Jeruzalem. Het geloof daarvan hebben hij en de christenen in Rome, die hij nog niet kent, gemeenschappelijk! Het is alsof Paulus het vertrouwen van de Romeinse christenen wil winnen, door aan te geven: wij delen in hetzelfde geloof, dat ik, evenals u in navolging van de eerste christenen belijdt. Dat geloof hebben zij in één zin, in een korte belijdenis tot uitdrukking gebracht. Deze belijdenis omtrent Jezus de Zoon, luidt heel kernachtig: Hij is “gesproten uit het geslacht van David naar het vlees, naar de geest der heiligheid door zijn opstanding uit de doden is Hij bewezen de Zoon van God te zijn, met kracht. Jezus Christus, onze Here!” (Romeinen 1: 4). Met deze korte geloofsbelijdenis beleed de gemeente van Jeruzalem dat Jezus de zoon van David is en tegelijk de Zoon van God. In de opstanding uit de doden is dat gebleken! Op de achtergrond van deze belijdenis spelen de Psalmen een grote rol. Zowel Psalm 2 als Psalm 110.

Tot Koning gemaakt op de Sion

We zagen dat Jezus naar beide Psalmen verwees in de laatste dagen voor zijn sterven. Naar Psalm 2 toen Hij aangaf dat Hij zijn bevoegdheid tot handelen op het tempelplein gekregen had van God, die Hem gezalfd heeft tot koning over de Sion. Ik wees er al op dat in de LXX staat dat God Hem gezalfd heeft tot koning op de Sion. Jezus verwees ook naar Psalm 110. Als David in Psalm 110 spreekt over zijn Zoon, hoe kan het dan zijn, dat David hem ook zijn Here noemt en Hem ziet als degene tot wie God zegt: “Zit aan mijn rechterhand totdat Ik uw vijanden gesteld heb tot een voetbank voor uw voeten.”?

Door deze Psalmen aan te halen, brengt Jezus tot uitdrukking wat er met Hem gaat gebeuren. De mensen mogen Hem verachten en kruisigen, de Vader zal Hem verhogen en op zijn troon doen zitten. De verwijzing naar deze Psalmen staat op één lijn met wat Hij naar voren bracht bij de veroordeling door het Sanhedrin. Op de uitdrukkelijke en geërgerde vraag van de hogepriester: “Bent u de Christus (gezalfde!), de Zoon van de Gezegende?”antwoordt Hij: “Ik ben het, en gij zult de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende met de wolken van de hemel.” Wat Jezus daar zegt, komt overeen met wat de Psalmen aangaven en met de vroegste belijdenis van zijn gemeente: Op de Sion is Jezus, door de opstanding uit de doden, tot Koning verheven! Vandaar dat Petrus op de Pinksterdag zeggen kan: “Hem heeft God tot een Here (kurios) en Christus gemaakt, die Jezus die gij gekruisigd hebt!” Tegelijkertijd riep Petrus het volk en de leiders ervan op om Jezus’ Naam te erkennen, nu met Pinksteren zijn rijk tot een doorbraak kwam op aarde. Want wie die Naam erkent en zich op Zijn Naam liet dopen, ontving en ontvangt de toegang tot het Koninkrijk der hemelen dat op de Sion tot stand werd gebracht en openging! De vroeg-christelijke gemeente deed in het gebed voor de apostelen een beroep op deze Naam!

H. Klink, Hoornaar