Terug naar Ecclesianet.nl

Bonhoeffers brieven aan broeders in de verstrooiïng (II)

In het vorige artikel maakten we kennis met het nieuwe boek Bonhoeffer in Finkenwalde. In dit tweede en laatste artikel staan we stil bij een aantal belangrijke thema’s die diametraal aan de orde komen in de rondzendbrieven en opgenomen artikelen

Een fundamenteel onderwerp in het boek is ‘eenzaamheid’. Niet dat de woorden ‘Vereinzelung’ of ‘Einsamkeit’ continu terugkeren. Nee, eenzaamheid wordt door gemeenschap juist gedeeltelijk opgeheven. Het broederhuis en de brieven draaiden om de broederlijke gemeenschap. Dat blijkt uit de eerder genoemde brief van Bonhoeffer waarin hij het verzoek doet het broederhuis op te richten. Als argument draagt hij aan dat predikanten, in het bijzonder jonge predikanten, een eenzaam leven leiden. ‘De last van de verkondiging vandaag voor de predikant, die niet profeet maar ambtsdrager van de kerk is, is bijzonder groot. Zowel in de vraag naar de inhoud van de verkondiging als in de dagelijkse uitwerking van de verkondiging behoeft hij broederlijke hulp en gemeenschap. De jaren van kerkelijke strijd hebben daarom overal, waar de verantwoordelijkheid voor het ambt serieus genomen wordt, broederschappen van predikanten laten ontstaan. (…) Het gaat niet in de eerste plaats om het bedrijven van theologie en het leiden van bijzondere kerkdiensten, maar een vast geordende en georganiseerde leefgemeenschap treedt als een nieuwe taak naar voren’ (blz. 95).

Waar komt deze bijzondere aandacht voor eenzaamheid bij Bonhoeffer vandaan? Het is zonder twijfel een belangrijke karaktertrek van hem.1 Zo is uit zijn jeugdjaren bekend dat hij weinig vrienden had en op familiefeesten de neiging had zich soms vrij plotseling terug te trekken op zijn kamer. Wanneer hij in de cel zit, schrijft hij in zijn gedicht Wie ben ik?: ‘Wie ben ik? Ik ben de speelbal van mijn eenzaam vragen. Wie ik ook ben, U kent mij, ik ben van U, mijn God.’

In zijn proefschrift, Sanctorum Communio – gemeenschap der heiligen, dat hij op 21-jarige leeftijd voltooide, neemt dit onderwerp ook een belangrijke plaats in. Hij maakt hierin onderscheid tussen ontische eenzaamheid en ethische eenzaamheid. De eerste, de ontische eenzaamheid, is structureel, een bij de schepping gegeven eenzaamheid. Ieder mens heeft zijn eigen leven en sterft zijn eigen dood. Dit blijft ook na de rechtvaardiging van een mens voortbestaan. Zo gelooft ook ieder in de eenzaamheid, bidt ieder in eenzaamheid en ‘bezit’ ieder de Heilige Geest en Christus helemaal ‘voor zich’. Dit is allemaal geen daad van het geloof, maar de wil van God.

Met de ethische eenzaamheid ligt het anders. Met deze eenzaamheid heeft hij de ik-gij-verhouding op het oog. Deze verhouding bestaat in een ethische situatie. Pas wanneer een persoon als ‘ik’ wordt aangesproken, voelt hij zich verantwoordelijk en moet hij beslissen. De gij-vorm is te definiëren als de ander die mij voor een ethische situatie stelt. De ik-gij-verhouding is een strijdsituatie, een conflictsituatie. De ethische eenzaamheid ontstaat in een geïsoleerd staan ten opzichte van de ander, het ‘im Schranke’ staan.2 Het is de eenzame strijd tegen de ander. Dit type eenzaamheid wordt in het geloof, vooral in het kerkbegrip, opgeheven. Alleen in het geloof is er werkelijk contact met de andere mens.

In zijn Finkenwalderperiode werkte Bonhoeffer deze twee typen eenzaamheid ook verder uit. De ontische eenzaamheid komen we tegen in zijn Nachfolge (1937), met name in het hoofdstuk ‘de navolging en de enkeling’. De openingszin is duidelijk: ‘Het is geen eigen keus, enkeling te willen zijn, maar Christus maakt de geroepene tot enkeling, Ieder is alléén geroepen. Hij moet alléén volgen. (…) Christus wil de mens eenzaam maken, hij mag niets zien dan degene die hem riep.’3

Maar vanuit deze eenzaamheid wordt tegelijk een weg geopend naar gemeenschap. ‘Juist dezelfde Middelaar echter, die ons tot enkelingen maakt, is daarmee ook de grondslag van een totaal nieuwe gemeenschap. Hij staat midden tussen de andere mens en mij. Hij scheidt, maar Hij verenigt ook. Zo is weliswaar iedere directe weg tot de ander afgesneden, maar nu wordt de volgeling de nieuwe en alleen werkelijke weg tot de ander over de Middelaar gewezen.’4

De ethische eenzaamheid, die duidt op een eenzame conflictsituatie met de ander, wordt opgeheven in het geloof, zo zagen we al. Het is dit type eenzaamheid waartegen Bonhoeffer tegenwicht biedt in zijn Gemeinsames Leben (1938). Na de bovenstaande theoretische uiteenzetting begrijpen we hem beter als hij schrijft: ‘zonder Christus zouden wij de broeder niet kennen en niet tot hem kunnen gaan. De weg is versperd door ons eigen ik. Christus heeft de weg tot God en tot de broeder vrijgemaakt. Nu kunnen christenen in vrede met elkaar leven, zij kunnen elkaar liefhebben, dienen en één worden.’5

De relatie tussen het alleen-zijn en gemeenschap brengt Bonhoeffer in een wetmatige verhouding tot elkaar: ‘Slechts levend in de gemeenschap, kunnen we alleen zijn; en slechts hij, die alleen is, kan leven in de gemeenschap.’6

Hoe dit praktisch uitwerkt is te vinden in zowel het bestaan zelf als in de inhoud van de rondzendbrieven. Een enkele keer komt het uitdrukkelijk aan de orde. In zijn brief van 22 november 1941 wanneer hij de gevallen predikanten herdenkt: ‘Hoe vaak ervaren we de verschrikking wanneer wij denken aan hun sterven in eenzaamheid? Waarom hebben we hen niet de laatste broederlijke dienst kunnen bewijzen?’ (blz. 637).

Wereldmijding of wereldwijding

Bonhoeffer is wel verweten zijn taak in de wereld te verzaken door zich terug te trekken in een soort van Finkenwald-klooster, zelfs ‘een willen vluchten uit zijn eenzaamheid in ascese en mystiek.’7 Ik wil een tweetal opmerkingen plaatsen die vanuit Bonhoeffer in Finkenwalde naar voren komen en dit beeld nuanceren.

In de brief aan de raad van de Oud-Pruisische Unie waarin hij het verzoek doet om het gemeenschapsleven binnen het seminarie in te richten als een broederhuis, blijkt een interne focus niet het einddoel te zijn. ‘Geen kloosterlijke afgescheidenheid, maar volledige concentratie op de dienst naar buiten is het doel’ (blz. 96). Later in de brief maakt hij de vergelijking met een diaconessenhuis. Hij onderscheidt daarmee het broederhuis van het klassieke kloostermodel dat een contemplatieve leefgemeenschap voorstaat.

Het tweede waarop ik wil wijzen is dat de broeders ook concreet buiten de gemeenschap aan de slag zijn gegaan: Volksmissionsarbeit, evangelisatie. Dit terugkerende werk van de dienst naar buiten bracht de broeders een vreugdevolle ervaring (blz. 234-235 en 417). In groepjes van vier bezochten ze naburige gemeenten en hielden een reeks van vier evangelisatiediensten. Vier avonden achter elkaar stond men per dorp stil bij:

Wie is Jezus?

Wie is een Christen? (n.a.v. gelijkenis van de verloren zoon: vertrek zonder God, omkeer voor God, terugkeer tot God en nieuw leven door God)

Wat is de Kerk? (Woord en belijdenis, avondmaal, gebed en broederschap)

Wat weten we van de laatste dag?

Eberhard Bethge wijst erop dat voor Bonhoeffer en de zijnen kerkstrijd en evangelisatie niet echt van elkaar gescheiden konden worden. Integendeel: alleen wie zich geen zorgen maakte over de vraag of zijn boodschap paste bij de ‘Duitse opmars’ mocht evangeliseren.8

Arthur Alderliesten, Culemborg

Noten
1 M.F.M. van den Berk, Bonhoeffer, boeiend en geboeid, Meppel 1974, blz. 39
2 M.F.M. van den Berk, a.w., blz. 111
3 Dietrich Bonhoeffer, Navolging, Baarn 2001, blz. 59
4 Dietrich Bonhoeffer, a.w., blz. 65
5 Dietrich Bonhoeffer, Gemeenschapsleven, in: Verborgen omgang, Baarn 2003, blz. 19
6 Dietrich Bonhoeffer, Gemeenschapsleven, in: Verborgen omgang, Baarn 2003, blz. 74
7 M.F.M. van den Berk, a.w., blz. 28
8 Eberhard Bethge, a.w., blz. 551