Terug naar Ecclesianet.nl

De zin van het Bijbelse jubeljaar

“Het Bijbelse jubeljaar, na 49 jaar alle schulden kwijtschelden, is in de praktijk nooit toegepast. Logisch, want het werkt niet”, aldus een kennis van Marijke Aalders, zoals geciteerd in ‘Een andere kijk op de crisis?’, in Ecclesia nr. 9. Hoe zit het eigenlijk met dat jubeljaar, dat ‘kwijtschelden van alle schulden’? En als het niet zou werken, waarom schrijft God het Israël dan voor? Het jubeljaar, het voorschrift om iedere vijftig jaar al het eigendom aan de oorspronkelijke eigenaar te laten vervallen, kan alleen begrepen worden tegen de achtergrond van het geheel van de sabbatsvoorschriften en de Bijbelse visie op eigendom.

Met de stelling dat het jubeljaar nooit in de praktijk is toegepast, omdat het niet zou werken, impliceert men dat het concept derhalve voor ons vandaag ook niet relevant is. Dit is echter geen geldig argument, aangezien het tekort schieten van de mens in het gehoor geven aan een goddelijke norm die norm nog niet zijn zin ontneemt. Daar komt bij dat we in 2 Kronieken 36 kunnen lezen hoe het niet onderhouden van een van de normen waarover we hier spreken als reden wordt aangevoerd voor de Babylonische ballingschap: “Zo ging in vervulling wat de HEER bij monde van Jeremia had voorzegd. Zeventig jaar bleef het land braak liggen en had het rust, totdat alle niet in acht genomen sabbatsjaren vergoed waren.” De voorschriften van het sabbats- en jubeljaar zijn dus niet maar een excentriek idee, het is menens.

Voordat we toekomen aan de bespreking van wat het sabbatsjaar en het jubeljaar inhouden en wat de zin van deze voorschriften is, moeten we eerst de Bijbelse visie op eigendom schetsen. Het is immers deze context waarin de voorschriften toegepast moesten worden. De sleutel tot de Bijbelse visie op eigendom is het besef dat God de schepping gemaakt heeft en er derhalve de eigenaar van is. Alles is uiteindelijk van God. Meer dan andere volken moest Israël hiervan doordrongen zijn. Het land waar de Israëlieten woonden was hen door God gegeven (Gen. 17:8 e.v.a.) en God had bepaald hoe het land verdeeld moest worden onder de stammen van Israël en vervolgens onder de gezinnen (die in die tijd drie generaties omvatten) waaruit die stammen bestonden. Als we spreken over eigendom of bezit, bedoelen we paradoxaal genoeg datgene waarvan we afstand kunnen doen, bijvoorbeeld door verkoop.

De Bijbelse visie op eigendom is een andere, eigendom is het deel dat men van God ontvangen heeft. Dat erfdeel moet doorgegeven worden. Wanneer men het door omstandigheden – zoals opeenvolgende slechte oogsten – uit lijfsbehoud van de hand moet doen, krijgt men het na verloop van tijd toch weer terug. Ook wanneer in het Oude Testament sprake is van slavernij, moeten we ons bewust zijn van de eigendomsvisie. Onder de heidenen was een slaaf het eigendom van zijn meester, waarover deze vrijelijk kon beschikken. Slavernij in het oudtestamentische Israël moet echter begrepen worden als gebonden zijn tot arbeid voor een meester. De slaaf werd daarentegen niet het eigendom van de meester; als de schuld was afbetaald of het sabbatsjaar aanbrak, werd de ‘slaaf’ weer in vrijheid gesteld (Lev. 25:39-41, Ex. 21:2-4, Deut. 15:12-18).

In het jubeljaar kreeg men als bezitloze ook de voorouderlijke grond weer terug. Hier komen we aan de zin van het jubeljaar toe. Israël was een overwegend agrarische natie en toegang tot grond was zodoende van cruciaal belang. De grond in Israël was zo verdeeld, dat iedere stam en iedere familie grofweg zijn deel had. Zodoende bezat iedereen de middelen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Door deze brede distributie van de productiemiddelen was iedereen ongeveer even welvarend. Het jubeljaar diende er vervolgens toe om deze rechtvaardige verdeling van de grond in stand te houden. Accumulatie van kapitaal was nauwelijks mogelijk, omdat men wel grond bij kon kopen, maar deze in het vijftigste jaar weer kwijt raakte. Het verkopen van grond was dan ook niet de bedoeling, de bedoeling was dat iedereen zijn grond zou behouden. Was men door tegenvallende oogsten genoodzaakt de grond toch te verkopen, dan werd de prijs vastgesteld op basis van de veronderstelde waarde van de opbrengst die de grond zou geven in het aantal oogsten dat nog resteerde tot aan het jubeljaar (Lev. 25:16). Het jubeljaar leidde dus niet tot onrechtvaardige verkopen. In feite was er niet zozeer sprake van verkoop van grond, als wel van een lease-overeenkomst, men kocht de opbrengst van de grond en niet zozeer de grond zelf. Een gezin dat aan lager wal geraakt was, kon zo leven van het geld van de lease en eventueel in dienst treden bij degene die de grond tijdelijk overnam. Deze situatie duurde dan voort tot aan het eerstvolgende jubeljaar, wanneer het gezin weer een kans had een zelfstandig bestaan op te bouwen.

Het systeem garandeerde dus iedere Israëliet en zijn gezin, ten minste op enig moment in hun leven, toegang tot de productiemiddelen en dus tot een zelfstandig bestaan. Het garandeerde verder een ongeveer gelijke verdeling van het bezit. Die verdeling kon wel tijdelijk uit het lood raken, maar werd altijd weer hersteld. Zo bleef de ‘kloof tussen arm en rijk’ beperkt. Voorts weten we dat er bepalingen waren om te voorzien in het levensonderhoud van vreemdelingen - die uiteraard geen erfdeel hadden maar na assimilatie wel grond konden verwerven - en bijvoorbeeld weduwen. Het zijn de bekende bepalingen omtrent de randen van de akkers en het laten liggen van wat er van de oogst op de grond valt.

De gebondenheid aan de voorouderlijke grond waar het jubeljaar symbool voor staat, zorgde er ook voor dat families bij elkaar woonden. Bredere families waren zo ook in staat om enerzijds samen de religieuze en familiale hoogtijdagen te vieren en anderzijds voor elkaar te zorgen wanneer dit nodig was. Zo bestond een sociaal weefsel dat een gecentraliseerde verzorgingsstaat overbodig maakte. In onze tijd, met zijn grote mobiliteit, waarin van werknemers verwacht wordt dat ze bereid zijn naar de andere kant van het land te verhuizen als ze daar wèl werk kunnen vinden, merken we de sociale gevolgen daarvan. Het aantal mensen dat vereenzaamt is schrikbarend. En wat te denken van de Poolse mannen en vrouwen die huis en haard, hun ouders en andere familie, hun buurt, hun kerkgemeenschap, verlaten om elders in Europa te gaan werken? Zo bezien spreekt er, niet alleen met het oog op arm en rijk, maar ook met het oog op het instandhouden van familiale banden en sociaal weefsel, veel wijsheid uit de oudtestamentische normen van sabbats- en jubeljaar.

We doen er goed aan meer te studeren op Gods bedoeling met dergelijke bepalingen. Ze laten zich allicht niet zonder meer in onze huidige situatie toepassen, maar we kunnen wel lering trekken uit de achterliggende principes en nagaan hoe we de huidige praktijk kunnen aanpassen zodat ze meer tegemoet komt aan Gods bedoeling die daaruit spreekt. Voor wie meer zou willen lezen over de logica achter instellingen als het jubeljaar of hoe dergelijke principes in de hedendaagse samenleving hun toepassing zouden kunnen vinden, kan ik een aantal boeken aanbevelen:

Jonathan van Tongeren, Coevorden