Terug naar Ecclesianet.nl

De Oranjes en hun religie

In Godes vrees te leven heb ik altijd betracht … Deze regels uit de tweede strofe van ons volkslied verwoorden de godsvrucht van prins Willem van Oranje. In vorige nummers van Ecclesia heeft dr. H. Klink al de aandacht gevestigd op enkele brieven die blijk geven van Oranje’s diepgeworteld geloof. Daaruit mogen we afleiden dat de prins uit overtuiging handelde, toen hij zich in 1573 bij de calvinisten aansloot en in de Nederduits Gereformeerde Gemeente van Dordrecht deelnam aan het Heilig Avondmaal. De prins was het calvinistische geloof van harte toegedaan. Zelf heeft hij eens – met een Spaanse woordspeling – gezegd: “zo kaal (calbo in het Oudspaans) als ik van hoofd ben, zo calvinistisch ben ik van harte, en in dit geloof zal ik sterven”1.

We moeten daarbij wel bedenken dat Willem van Oranje geen strenge calvinist is geworden. Nadat hij in Utrecht eens gekerkt had bij Hubert Duifhuis, voorstander van een ondogmatisch christendom, verklaarde hij dat hij nooit zo gesticht was geweest. Hij deelde ook niet de afkeer die vele calvinisten hadden van wereldse vermaken als dans en toneelspel. Nog in een ander opzicht verschilde de “rekkelijke” prins van strenge calvinisten, zoals de predikant Petrus Dathenus. Willem van Oranje betrachtte verdraagzaamheid en was niet alleen voorstander van vrijheid van geweten, maar bepleitte ook voor alle gezindten vrije uitoefening van godsdienst.

Wat weten we van de geloofsovertuiging van Oranje’s opvolgers: de stadhouders van de Republiek der Verenigde Nederlanden en de Nederlandse koningen en koninginnen? De tentoonstelling “Oranje en religie” in Paleis Het Loo is een gerede aanleiding om over dit thema iets te vermelden. Deze expositie, georganiseerd in samenwerking met de Stichting Refo500, biedt een historisch beeld van de godsdienstige beleving van het huis Oranje-Nassau. Tentoongesteld zijn bijbels, godsdienstige geschriften, diverse voorwerpen en afbeeldingen die de band met geloofsovertuigingen illustreren. Bij de opening (op 26 april) is erop gewezen dat voor alle Oranjes de geest van verdraagzaamheid kenmerkend is. ”De Oranjes hebben zich nooit opgeworpen als boegbeeld van het gereformeerd protestantisme.”

Hierbij dienen echter wel enkele kanttekeningen te worden geplaatst. Het Oranjehuis is vanouds verbonden geweest met de Kerk der Hervorming. In de tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden had deze band zelfs een officieel karakter. De Gereformeerde Kerk was in die periode de publieke kerk, die als enige officieel werd erkend en een bevoorrechte positie genoot. De stadhouders Maurits, Frederik Hendrik en hun opvolgers hadden onder meer tot taak de gereformeerde religie te beschermen en te bevorderen. Ze hebben zich naar hun beste kunnen van deze taak gekweten.

Als gevolg van de Bataafse revolutie van 1795 en de scheiding van kerk en staat werd de officiële band tussen Oranje en de Gereformeerde (Hervormde) Kerk verbroken. Maar de verbondenheid van het vorstenhuis met de grootste protestantse kerk bleef intact. De regerende koningen en koninginnen waren allen lid van de Nederlandse Hervormde Kerk, die per 1 mei 2004 opging in de Protestantse Kerk in Nederland.

Zij hebben zich nimmer als strenge calvinisten geprofileerd. Eén van hen, Koning Willem III, bracht dit in 1849 als volgt onder woorden: “Mijn voorouders hebben nooit het protestantisme in die exclusieve zin uitgelegd als nu vele heethoofden. Integendeel, de essentie van het protestantisme is verdraagzaamheid. Ik zal dan ook altijd verdraagzaam zijn.”2

De Oranjes hebben ook voor andere godsdienstige overtuigingen ruimte gelaten, bijvoorbeeld als bepaalde huwelijken daartoe aanleiding gaven. Zo werden op het Loo Anglicaanse diensten gehouden in een kapel, die was ingericht voor Mary Stuart, de Engelse gemalin van stadhouder Willem III. En de Russische grootvorstin Anna Paulowna, in 1816 gehuwd met de latere koning Willem II, liet in de Oranjepaleizen Russisch-orthodoxe kapellen inrichten. Zij was ook het rooms-katholicisme niet ongenegen. Ter gelegenheid van de ingebruikneming van de eerste roomskatholieke kerk in Apeldoorn in 1847 schonk koningin Anna Paulowna een crucifix, die thans in Paleis Het Loo te zien is; het verhaal gaat dat de vorstin het persoonlijk per rijtuig kwam aanbieden.

Vermelding verdient ook een zilveren kruis met gouden Christusbeeld, geschonken door paus Pius IX aan koningin Sophie, de gemalin van koning Willem III, na de dood van het zesjarige prinsje Maurits (4 juni 1850). “Al wat mij op deze aarde restte aan hoop en vreugde is voor altijd weg”, schreef de diepbedroefde vorstin aan haar vertrouwelinge Lady Manet. Sophie van Württemberg, van huis uit evangelisch-luthers, was bij haar huwelijk lid geworden van de Nederlandse Hervormde Kerk. Daarin kwam geen verandering. De koningin onderhield goede contacten met het echtpaar Groen van Prinsterer en ook met de Haagse hervormde predikant (en latere professor) dr. J.H. Gunning. Zij hoorde hem graag en hij kwam menigmaal bij haar op bezoek3.

Persoonlijke geloofsbeleving

De vraag, hoe de Oranjes hun geloof persoonlijk hebben beleefd, is veelal niet zo gemakkelijk te beantwoorden. Enig inzicht geeft de huidige expositie. Te zien is bijvoorbeeld een Franse uitgave van het boekje van Thomas a Kempis: De Imitatione Christi (Over de navolging van Christus) uit het bezit van Koning Willem I. Hij las erin kort voordat hij op 12 december 1843 in zijn werkkamer in het paleis “Unter den Linden” te Berlijn overleed. Ook is er een bijbel, in 1831 door prinses Anna Paulowna geschonken aan haar jongste zoon Hendrik, waarin zij schreef dat op de Heilige Schrift alle ware beginselen van deugd, moed en trouw rusten. Haar echtgenoot, kroonprins Willem, schonk in 1833 één van zijn zonen het boekje Hoe een belijdend Christen leeft, met het advies: “blijf je steeds bewust van het belang van godsdienst voor een gelukkig toekomstig leven”.

Een vrij belangrijk deel van de expositie komt uit het bezit van koningin Wilhelmina (1880-1962). Haar belangstelling voor godsdienstige zaken blijkt onder meer uit de inhoud van een boekenkast. Zo staat Calvijns Institutie erin, evenals een werk over de geschiedenis van de Franse reformatie en een boek van de Haagse predikant A.K. Straatsma, bij wie zij graag kerkte.

Koningin Wilhelmina heeft haar geloofsovertuiging nooit onder stoelen of banken gestoken. Geen ander lid van het Oranjehuis heeft over zijn of haar persoonlijk geloof zoveel aan het papier toevertrouwd en in de openbaarheid gebracht als déze vorstin. In haar memoires Eenzaam maar niet alleen (1959) gaf zij een beschrijving van Gods leiding in haar leven. Toen zij in haar jeugd een religieuze crisis doormaakte, nam ze zich voor, “de vrede met God, die alle verstand te boven gaat, maar ook alle verstand verlicht” in haar hart toe te laten. In haar verdere leven heeft Wilhelmina “geen tijd van zogenaamde Godverlatenheid en twijfel en strijd daartegen” gekend. In de jaren twintig maakten de in ons land uitgegeven toespraken van de Voorindische christenapostel Soendar Singh diepe indruk op haar. Zijn ondogmatische geloofsleer sprak haar bijzonder aan.

Wat bij het lezen van haar boek opvalt, is dat Wilhelmina maar weinig zegt over de kerken. “Zij hebben geen rol van betekenis vervuld in mijn leven. Zij stonden daarvoor te ver af van mijn persoonlijke binding met Christus en Zijn Leiding met mij”, zo schrijft ze. Toch bleef zij haar leven lang een trouwe kerkganger. In de Nederlandse Hervormde Kerk voelde Wilhelmina zich het meest thuis bij de ethisch-irenische richting, zoals ook blijkt uit de keuze van haar hofpredikers: dr. J.H. Gerretsen, ds. W.L. Welter, dr. H.Th. Obbink en de Apeldoornse dominee J.F. Berkel.

Na haar troonsafstand in 1948 werd prinses Wilhelmina zich bewust van de taak “alle mensen (van alle volken en rassen) te brengen tot Christus”, met andere woorden: hen op te wekken tot een levend geloof, waardoor een wezenlijke en persoonlijke band met Christus kan ontstaan. Ze droeg haar boodschap uit in toespraken en korte geschriften. In haar brochure De Grote Onbekende (1949) schrijft zij dat voor ieder mens de allesbeheersende vraag is, welke betekenis Christus voor hem heeft: “Is Christus de Eerste in uw leven?”. Ook legde zij een intense belangstelling voor de protestantse oecumenische beweging aan de dag. Het was haar overtuiging “dat Christus de kerken wil opheffen tot Zijn universele Kerk.”4

Onder de titel De Heer is mijn herder verscheen in 1961 van haar hand nog een meditatief geschrift over haar lievelingspsalm, Psalm 23. In haar laatste publicatie, Verbondenheid, uitgekomen ruim een halfjaar voor haar overlijden in 1962, gaf Wilhelmina opnieuw uiting aan haar geloofsbeleving.

Haar dochter Juliana toonde al vanaf haar jeugd een brede religieuze belangstelling. Ze onderging de invloed van de christelijk-mystieke geloofsbeleving van haar moeder, terwijl haar vader, prins Hendrik, haar in contact bracht met oosterse mystieke wijsheid. Hoewel zij vasthield aan de kerkelijke vormen van het protestantisme, gaf ze later blijk van grote interesse voor een esoterisch en gnostisch christendom. In haar kerstboodschap van 1956 zei koningin Juliana: “Het ligt geheel in de lijn van mijn opvoeding en ambt, en van mijn natuurlijke neiging, dat ik wil zoeken naar datgene wat allen bindt”.

“Geen twee mensen beleven hun geloof op eenzelfde manier”, aldus koningin Beatrix in 1980 in haar eerste kerstboodschap. Zo zijn er ook in de Oranjefamilie verschillen in geloof en geloofsbeleving; de vier dochters van koningin Juliana en prins Bernhard hebben in religieus opzicht uiteenlopende wegen gekozen.

Nadat Beatrix koningin was geworden en het koninklijk gezin zich in 1981 in Den Haag had gevestigd, ontstond er een band met de Kloosterkerkgemeente. In 1983 werd ds. C.A. ter Linden predikant van deze hervormde, oecumenisch ingestelde mentaliteits- of sympathiegemeente, die hij tot zijn emeritaat (mei 1999) zou dienen. Zijn zorgvuldig taalgebruik met verrassende wendingen, de openheid en het verhalende karakter van zijn preken spraken de koninklijke familie aan. Als “huisdominee van de Oranjes” leidde ds. Carel ter Linden in de periode 2001-2004 driemaal een trouwdienst, driemaal een doopdienst en tweemaal een uitvaartdienst.

“Gelovig, niet kerkelijk”

Al eerder, Palmzondag 1997, deed prins Willem- Alexander met 19 anderen in de Kloosterkerk geloofsbelijdenis. Vijf confirmandi, onder wie de prins, behoorden tot een groep van twaalf, die vanaf 1992 ongeveer negen maal per jaar onder leiding van ds. Ter Linden bijeenkwam om over geloofszaken te spreken. Over zijn persoonlijk geloof schreef de prins later in een brief ter voorbereiding van zijn huwelijk met Máxima Zorreguieta (op 2 februari 2002 door ds. Ter Linden kerkelijk ingezegend): “Het geeft mij houvast in moeilijke tijden en bij moeilijke beslissingen. Het geeft me ook iets waaraan ik uiteindelijk verantwoording kan en mag, ja moet afleggen. Dit is voor mij de manier om zelfrespect en eigenwaarde hoog te houden, en soms tegen de stroom in te blijven gaan, omdat je zeker weet dat je op het juiste spoor zit.”5

Al bij de aankondiging van de verloving van Willem- Alexander met Máxima verzekerde de prins dat het Oranjehuis protestants zou blijven. Máxima zegde toe, zich in het protestantse geloof te zullen verdiepen. Tot dusver is zij echter haar rooms-katholieke geloof trouw gebleven. Enkele dagen vóór de troonswisseling zei de aanstaande koningin in een gesprek met Nederlandse media, dat zij (voorlopig althans) katholiek zou blijven. Verder wees zij erop dat kerk en staat gescheiden zijn en dat het geloof van het koningshuis een privézaak is.

“Wij zijn gelovig, niet kerkelijk” heeft Willem- Alexander volgens ds. Ter Linden eens gezegd. Maar over de inhoud van het geloof en over het kerkbezoek worden geen nadere mededelingen gedaan. In het op 17 april 2013 uitgezonden tv-interview met het aanstaande koningspaar kwamen geloof en kerk niet ter sprake. “Als kinderen van onze tijd spreken ze niet graag over geloof”, zo stelde de priester Antoine Bodar in een reactie vast. In dit opzicht geldt ook voor het Oranjehuis dat de tijden veranderd zijn.

M. den Admirant, ‘s-Gravenhage

Noten
1 Vermeld in een brief, gedateerd 28 mei 1577, van Don Juan van Oostenrijk, landvoogd der Nederlanden, aan koning Philips II.
2 Prof. mr. C.W. de Vries, Overgrootvader Koning Willem III, Amsterdam 1951, blz. 55.
3 Gunnings zoon, dr. J.H. Gunning J.Hzn., vermeldt dit in zijn boek Herinneringen uit mijn leven.
4 Cees Fasseur, Wilhelmina, krijgshaftig in een vormeloze jas, Amsterdam 2001, blz. 552.
5 Jan Hoedeman en Remco Meijer, Willem-Alexander, van prins tot koning, Amsterdam 2013.