Terug naar Ecclesianet.nl

Jubel in de tempel

n.a.v. Handelingen 3

Lukas heeft veel waarde gehecht aan de genezing van de verlamde man bij de tempel, waarover het in dit hoofdstuk gaat. We zien hem zitten bij de poort, die ‘De Schone’ wordt genoemd. Waarschijnlijk moeten we deze poort situeren tussen het voorhof van de heidenen en de eerste doorgang naar het eigenlijke tempelcomplex, waar alleen Joden mochten komen. Als hij daar zit, heeft hij de tempel achter zich en kijkt hij op het voorhof: het enorme en fraaie plein waar plaats was voor vele honderden mensen.

Het moet wat geweest zijn voor hem om de mensen frank en vrij de tempel te kunnen zien inlopen, terwijl hij er niet in kon. Het zal hem met verlangen vervuld hebben. Als hij de vogels erheen ziet fladderen, zal Psalm 84 af en toe door zijn gedachten zijn gegaan: zij bouwen hun nesten bij Gods altaren. Toch zal de Psalm hem ook hebben getroost, vooral de passage die zegt dat het beter is één dag te verblijven aan de ingang van het Godsgebouw dan duizend dagen in de tenten van de goddelozen.

Die ‘tenten’ zag hij overigens elke dag. Op het voorhof waar hij zicht op had, werd geld gewisseld en werden offerdieren gekocht. De priesters verdienden er goed geld mee. Daar had de Here Jezus na zijn intocht in Jeruzalem op Palmzondag de tafels omver geworpen en de dieren verdreven en gezegd: “Het huis van mijn Vader moet een bedehuis genoemd worden en u maakt het tot een rovershol.” De leidinggevende priesters waren doorgaans koude, berekenende figuren, die het niet om de dienst van God te doen was. Die was vormelijk geworden, zonder ziel. Dezelfde priesters zullen weinig oog voor hem gehad hebben. In dat licht is de Griekse vertaling van Psalm 84 van betekenis: “Beter een uitgestotene bij de tempel dan gewend aan de vreugde van de tenten van de goddelozen.”

Nog een andere passage uit de LXX zal hem aangesproken hebben. Vers 4 zegt niet zoals in het Hebreeuws dat de zwaluw een nest bouwt bij Gods altaren, maar dat de tortelduiven dat doen. Is er een sprekender beeld van een lente-achtige, paradijselijke toestand? Zou hij in dit licht van deze Psalm ooit gedacht hebben aan de belofte van Jesaja dat de volkeren zouden komen en God zijn rijk zou stichten op deze berg en alles nieuw zou maken, zodat de kreupele zelfs zou springen?

Dan gebeurt er wat. Petrus en Johannes gaan op het negende uur naar de tempel om er te bidden. Ze zien de bedelaar. Petrus spreekt hem aan en richt hem op in de naam van Jezus. Het staat er simpel maar wie op de schrijftrant van Lukas let, valt op dat Petrus de man op een bepaalde manier aanziet. Lukas gebruikt een speciaal woord (atenizein). Hij doet dat een enkele keer meer.

Zo zaten de mensen in Nazarath te kijken naar Jezus toen hij daar voor het eerst zou preken, nadat Hij de schriftrol had teruggegeven aan de dienaar. Zo keek het meisje naar Petrus toen ze vroeg: “Was u ook niet bij hem?” Zo keek Stefanus naar de hemel, toen hij Jezus zag, terwijl hij stierf. Het woord dat Lukas gebruikt, geeft aan dat Petrus de man zag en ineens begreep dat hij iets verwachten kon – dat het heil van Christus hier open zou kunnen gaan. Dan begrijpen we waarom hij de bedelaar vraagt naar hem te kijken. De man ziet de verwachting in Petrus’ ogen!

Dat hij dat gezien heeft, blijkt uit wat Lukas dan vertelt. De man kijkt naar Petrus en dan komt er in zijn blik, vertelt Lukas, iets bijzonders: hij kijkt rustig en afwachtend en vol overgave neigt hij zijn hoofd om dat wat Petrus verwacht aan zich te laten gebeuren. Door de kracht van Jezus van Nazareth gaat hij staan en springt en danst hij van vreugde in het rond. Met de apostelen gaat hij jubelend het tempelcomplex op! Zo klinkt tijdens de dienst van het gebed de jubel om Gods heil overal door.

Waarom doet Christus dit? Allereerst eenvoudigweg uit medelijden met deze man. Hoe vaak heeft Hij in zijn leven op aarde mensen geholpen! Nu gaat zijn medelijden via zijn apostelen door en bereikt het deze bedelaar. Maar er is meer. Jezus zorgt ervoor dat in de tempel datgene plaatsvindt, waar men Hem na de intocht in Jeruzalem geen ruimte voor gunde! Nu Hij is opgestaan zorgt Hij ervoor dat de tempel een huis van jubel en vreugde wordt.

Waarom jubelde deze man? Toen Jezus de tempel reinigde, zei Hij: “breek deze tempel (mijn lichaam) af en Ik zal hem opbouwen in drie dagen.” Jezus zinspeelde daarmee op de opstanding uit de doden. Hij zou een nieuwe tempel stichten – het Koninkrijk der hemelen, waardoor alle dingen vernieuwd zouden worden en een nieuwe schepping tot stand zou komen!

Met deze nieuwe tempel is de bedelaar in aanraking gekomen! De jubel om de nieuwe tempel dringt door in de oude tempel! Jezus zorgt ervoor dat het Koninkrijk der hemelen doorbreekt op aarde en dat men er door geloof, door overgave, zoals bij deze man, bij betrokken wordt! Dat geldt allereerst voor Jeruzalem, maar ook voor de volkeren: “Gaat heen en verkondigt het Evangelie eerst in Jeruzalem en tot aan de einden van de aarde”, zei Hij tegen zijn discipelen. Hier breekt het door in Jeruzalem, zelfs in de tempel, waar bij veel priesters zoveel vijandschap tegen Jezus heerste.

Maar het zal verder gaan: alle volkeren en heel de schepping zijn erbij betrokken. Johannes zal later schrijven over de Samaritaanse vrouw die vraagt of het wáár is dat alleen in Jeruzalem God aanbeden mag worden. Jezus antwoordt: “De zaligheid is uit de Joden, maar de ure komt en is nu, dat de ware aanbidders God overal zullen aanbidden in Geest en waarheid.” Hun wordt de toegang geopend tot de nieuwe tempel, die Jezus tot stand bracht en die veel verder reikt dan de tempel van Jeruzalem die al als bedehuis bestemd is voor alle volkeren.

Ook in dit opzicht is Psalm 84 aansprekend. In de Psalm staat: “O HERE aanschouw het aangezicht van Uw gezalfde.” De gezalfde is de koning met wie God een verbond sloot. Door dit verbond is de zegen op de Sion gegarandeerd. In de LXX-vertaling staat: “O HEER, aanschouw uw Christus” (is: Gezalfde). De vroeg-christelijke gemeente las er de naam in van Jezus. En zo is het alsof de psalmist vraagt aan de Here God om zijn heil wereldwijd te maken, vanwege Christus, de bouwer van de nieuwe tempel. Dit vindt nu plaats: door het geloof is er een nieuwe toegang tot het Koninkrijk van de hemel voor alle volkeren!

En zo lijkt de christelijke gemeente op deze man. Hij lag daar voor de tempel, met heimwee om in de tempel Gods heerlijkheid te aanschouwen. En toch: één dag aan de drempel van het tempelcomplex betekende meer dan duizend in de tenten van de goddelozen. Zo is de christelijke gemeente door het geloof met de krachten van het Koninkrijk der hemelen in aanraking gekomen. Zij ziet al iets van dat Koninkrijk, maar leeft nog hier op aarde op de drempel ervan. Zij is dankbaar in het zicht van dit Koninkrijk te mogen leven, om straks volledig naar binnen te kunnen gaan. Deze plek op de drempel van het heiligdom en dit vooruitzicht vormden de bron van de vreugde van die ene man die jarenlang op een zolderkamer het bed moest houden, met alleen een dakraam boven zich. Een predikant zei: “U hebt ook maar weinig uitzicht!” De man in kwestie zei: “Daar vergist u zich in. Ik zie de wolken en bedenk elke dag dat de Heiland daarop terugkomt. Mijn uitzicht is prima.”

Door uit dit Evangelie te leven kunnen wij elkaar van tijd tot tijd dienen en tot een hand en een voet zijn. Zoals Luther, die zovelen tot zegen was, eens tegen Melanchton zei: “Nu moet jij me eenvoudigweg het Evangelie vertellen. Ik heb het nodig.” Melanchton deed het en Luther was getroost en zette zijn loflied op Christus voort tot hij zelf binnen kon gaan in Gods koninkrijk. Zijn laatste woorden waren: “Wij zijn bedelaars, dat is waar…”

H. Klink, Hoornaar