Terug naar Ecclesianet.nl

Kan men God ook kennen zonder Bijbel?

Veel mensen gaan eerder naar bos of strand dan naar de kerk. ‘In de natuur zien we God ook’, zegt men dan. Is dat waar? Daarover gaat de dissertatie van ds. A.J. Kunz uit Katwijk. Ik kreeg en las die en was bij de promotie en schrijf dit voor de afwezigen. U herkent de nog actuele vraag: God kennen, zonder Bijbel? Wat zegt de Nederlandse Geloofsbelijdenis? Hoe kennen wij God? Artikel 2 zegt: “Ten eerste door de schepping, onderhouding en regering der gehele wereld.” Waarom? “Daar deze voor onze ogen is als een schoon boek, waarin alle schepselen, grote en kleine zijn als letters”…

Als een schoon boek

De ‘wereld’ lijkt dan op een boek! Ze is zelfs Gods eerste boek! Wat zien we daarin? “De onzienlijke dingen Gods.” Welke? “Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid.” Dat staat in Romeinen 1! Daarom heet ook de dissertatie Als een prachtig boek. Maar zien wij God dan in de natuur, zonder de Schrift? Artikel 2 vervolgt: “Ten tweede geeft Hij zich ons nog klaarder en volkomener te kennen door zijn… goddelijk Woord.” Daar leer je God beter (!) kennen. Na de wandeling wil je naar de kerk! Geldt dat voor iedereen?! Niet ieder ziet God in de wereld. Moest dat wel zo zijn? Kun je iedereen daarop aanspreken? Je buurman èn de natuurwetenschapper?

Onbedoelde effecten

Calvijn zei: zonder bril (hij bedoelde de Bijbel) zie je alles vaag en verward. Maar toen natuurwetten werden ontdekt, zei de Verlichting: zonder bril zien wij God net zo goed of beter. En zo ontstond ‘natuurlijke-’ en ook cultuurtheologie: een volk werd ‘scheppingsorde’. Zo geloofde Duitsland in 1914: ‘Gott mit uns’. Maar een Zwitserse leerling, Karl Barth, vroeg: ‘welke god? Wodan?’ In de Romeinenbrief is God ‘de gans Andere’! Nog nadrukkelijker zei Barth bij de opkomst van Hitler tegen diens kerkelijke aanhang: wij kennen God alleen door Christus. Anders niet (Johannes 14 zegt het ook. Barth werkte dit uit in de Barmer Thesen). Er is geen tweede bron, er is geen aanknopingspunt, ook geen aanzet daartoe. De Reformatie had met die Roomse leer moeten breken!, aldus Barth. Daarom wilden gereformeerde uitleggers artikel 2 redden: dat schone boek, zeiden ze, zien we alleen door het geloof. Van Ruler (jong Barthiaan) sprak van een ‘fatale comperatief’ in de Geloofsbelijdenis; Berkhof van een bedrijfsongeval. Hij hield het erop dat Guido de Brès, de auteur van de Geloofsbelijdenis, Calvijn niet goed had begrepen.

Na al die commentaren wilde Kunz eindelijk weten, hoe de schijver het zelf bedoeld had: Guido de Brès in de 16e eeuw!

Klassieke beeldspraak

De Brès kon die latere ontwikkeling natuurlijk niet voorzien. Hij sprak ook niet van twee bronnen maar van middelen waardoor God gekend wordt. Waaruit putte hij? Het beeld van een ‘boek’ duikt al op in 1300: toen een filosoof aan een kluizenaar vroeg hoe hij zonder boeken kon, zei deze: “De hele natuur is mijn boek en ik kan dat lezen wanneer ik wil.”

Augustinus wees een betere weg. Hij zegt in een preek over Matth. 11 (‘deze dingen zijn voor wijzen verborgen’): natuuronderzoekers kunnen zon- en maanverduistering voorspellen, maar zij hebben de Schepper niet gevonden, omdat ze Hem niet … zochten! “U weet wie het gebouw gemaakt heeft, zij niet. Kijk omhoog en omlaag en lees. Opdat ieder het zou kunnen lezen, schreef Hij niet met pen en inkt.” In zijn werken past Augustinus Romeinen 1 toe op de Griekse filosofen, met name op Plato. Tegen de secte van de Manicheeërs wilde hij geen kwaad lezen in het boek der natuur. Bij Psalm 46 doet hij weer dat appèl: “laat de Schrift een boek zijn waarin je deze dingen hoort en laat de wereld een boek zijn waarin je deze dingen ziet.” Ook een analfabeet kan dit lezen! Maar in de Middeleeuwen zei men: Reformatie? Bullinger en Versteeg blijken breder te zijn: ook niet-christenen kunnen God kennen. Kwam dat door Augustinus? De Brès bedoelde echt een universele claim. 17e eeuwse uitleggers volgden dat ook allen. Ook Galilieï zou dat zeggen!

Bezwaren onderkend

Maar Immanuel Kant prikte de godsbewijzen door. Het zijn volgens hem cirkelredeneringen. Darwin wees op de wreedheid in de natuur: ze vreten elkaar op. Opkomend atheïsme doorbrak Cicero’s ‘consensus van allen’. Religie-kritiek alom! Ook daarom brak Barth met natuurlijke theologie: een christologisch bezwaar. Hij had De Brès beter begrepen maar wees hem af. Dogmatiek kan daar niet om heen. Een historicus kan alleen zeggen: wij hebben meer woorden nodig dan artikel 2. Wij houden de natuurlijke Godskennis als claim vast, maar reken erop dat men die verdringt en vervangt.

Tijdens de promotie; oppositie beantwoord

De Belgische professor Marnef vroeg tijdens de promotieplechtigheid door over de kontekst van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Waarom naast de Franse nog een ‘Belgische’? Kunz antwoordde: hier waren meer staatsgevaarlijke dopersen. Prof. De Boer (VU, Kampen) vond ‘Nederlandse’ geloofsbelijdenis een anachronisme en zag bij Gods regering in art. 2 een verband met art. 36 uit dezelfde belijdenis. Prof. Muis (dogmaticus) deelde het existentiële bezwaar tegen zo’n belijden: is het boek van de natuur niet onleesbaar geworden door vele rampen? Kunz: goede vraag, maar De Brès wist ook van rampen. Prof. Van der Wall: wetenschap mag geen apologie worden; je mag atheïsten en hedonisten niet over een kam scheren. Kunz: ik gaf alleen de problemen aan en ben ook predikant. Prof. Weisman vond Kunz ‘bijziende’: je bent op je bril gaan zitten; waarom vind je ‘auteursintentie’ eigenlijk zo belangrijk, vroeg hij. Wat is je eigen intentie? De Schrift gaat toch vóór? Kunz: Ik wilde weten wat de schrijver zelf bedoelde. De belijdenis geldt ‘tot nader order’. Prof. Verboom: een belijdenis heeft een andere status dan een auteur; hoe verhouden die zich? Maar toen klonk het ‘hora est’.

Pauze voor nadenken

In de pauze dachten we na. Naast mij was de wiskundige professor Roos weer in Galilieï geïnteresseerd: goed voor niet gelovige collega’s! Zelf dacht ik aan prof. Versteeg, de nieuwtestamenticus: hij had exegetisch bezwaar tegen de gangbare uitleg van Romeinen 1(hij wees erop dat er staat: ‘vanàf de schepping’ en ‘dóorzien’). Maar op de Schrift ging niemand in. En bij art. 2 hoort art. 13 over Gods voorzienigheid. De Brès zelf zag in dat mooie boek ook raadsels en duivels. Zelfs meer dan de Heidelberger catechismus, zondag 10.

Lof voor onderzoek

Na de promotie zei prof. G. van der Brink dat dit onderzoek allang nodig was (hij inaugureerde er zelf op in 2007 en dat gaf de aanzet voor Kunz om er zijn studie aan te wijden). Hij prees de gemeente-predikant die het onderzoek in vijf jaar had voltooid. En dàt had geen professor aangevochten!

C. Blenk, Den Haag