Terug naar Ecclesianet.nl

In alle eeuwigheid…

Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen                                         1 Petrus 5: 11

Wij hebben in ons midden wel de een of ander voor wie het moeilijk valt te zingen: “Ik verblijd mij over de blijken van uw liefde. U wil ik eeuwig loven.” Maar deze regels die wij zojuist hebben gezongen en ook de woorden die we hebben gelezen “Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen”, verstaan wij pas na na verloop van tijd.

Als het zo met u is, laat dan de Psalm staan of liggen. Laat het de HERE , uw God, in het verborgene met zuchten en tranen weten dat u Hem vanwege de weg die Hij met u gaat, de eer niet kunt geven. En wannneer u ook in uzelf in het geheel geen kracht voelt, blijft toch desondanks bij het Woord, verneder u en zeg: “Mijn God, ik kan niet!”en wacht op Hem. “Hierna”, zegt Jezus tot Petrus “zult u het verstaan.” (Johannes 13: 7).

God is de God van alle genade. Daarvoor komt Hem de eer toe. Als de God van alle genade roept Hij tot de eeuwige heerlijkheid. Daarvoor moet Hij de eer hebben, want Hij heeft dat gedaan toen u voor Hem wegvluchtte. Hij heeft geroepen “Adam waar bent u?”, toen u zich voor Hem verborg. Steeds weer was Hij de eerste, is Hij de eerst gebleven en Hij is het nog tot op de dag van heden, om steeds opnieuw te trekken met vaderlijke goedheid, om te lokken met de onweerstaanbare macht van de liefde.

Een korte tijd duurt het lijden. Het is een korte tijd, wanneer het allemaal voorbij is, al heeft het ook jaren geduurd. Kort in vergelijking met de eeuwige, onuitsprekelijke heerlijkheid, die geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en in het hart van geen enkel mens is opgeklommen.

Moet Hem niet de eer toekomen, voor al het lijden dat men doorstaat? Het mag pijn doen, geweldig leed doen, een mens tot de dood toe verwonden, maar hebt u de Here eenmaal gekend en heeft Hij u eenmaal gekend, dan neemt uw geluk niet af onder al dit lijden. Zou Hem daarvoor niet de eer toekomen, dat, waar een mens menige domme streek heeft uitgehaald in zijn leven, God het hem in zijn trouw heeft laten ondervinden, maar alleen daarom heeft laten ondervinden, opdat hij zich weer gewillig zou begeven op de weg des levens? Wat is dan al het lijden van deze tijd vergeleken met de voorsmaak van de eeuwige heerlijkheid, waar de God van alle genade ons psalmen geeft in de nacht, en het hart sterkt met een woord van troost, als Hij zegt: “Nog een korte tijd, nog maar kort, lieve ziel, dan bent u in het huis van de Vader.”

Dr. H.F. Kohlbrugge

 

Uit: Dr. H. F. Kohlbrugge, Vermaning en vertroosting, blz. 89-91