Terug naar Ecclesianet.nl

Deel 1 Verzameld Werk J.H. Gunning (III, slot)

Geen opwekking, maar bekering

Gunning, zo zagen wij in het tweede gedeelte van ons artikel, wilde geen opwekking. Maar wat wilde hij dan wèl? Wat stelde hij er tegenover? Op deze vraag bleef hij het antwoord niet schuldig. Wij hebben, zo zegt hij, geen opwekking, maar bekering nodig. Ook Pearshall Smith predikt de bekering, maar hij brengt een scheiding aan tussen bekering en heiliging. Bij een christen vinden er twee dingen na elkaar plaats. Eerst neemt hij de verzoening in Christus’ bloed tot zijn rechtvaardiging aan. Hij is dan “bekeerd” en in Christus geborgen. Een toestand, die lange tijd kan aanhouden en waarin hij ijverig kan werken voor de Heer. Maar van lieverlede komt hij tot de ontdekking, dat hij geen vrede heeft. Het lukt hem niet de zonde in zichzelf te overwinnen. En daarom moet hij een tweede stap doen: hij moet zich nu ook voor zijn heiligmaking aan de Heer overgeven. Wie zich in de Heiland alleen verlost, maar niet geheiligd weet, is niet bekeerd, hij is alleen maar (!) opgewekt. “Men zegt”, aldus Gunning, “Moodey en Sankey leggen de grond, roepen de wereldlingen tot bekering; dan bouwt Pearshall Smith op die grond verder, de reeds bekeerden tot heiligmaking nodigende. Doch dit is een zeer uitwendige, onschriftuurlijke opvatting van ‘bekering’ – of liever een verwarren van haar met ‘opwekking’.” En deze verwarring betekent een verzwakking van de ernst van de bekering, die niets minder is dan “de het ganse leven dóór volgehouden gehoorzaamheid”, zoals deze bijvoorbeeld door de apostel Paulus is betoond (Hand. 26 : 19).

De toekomst van Jezus Christus

De oorzaak van deze verwarring en van de verzwakking van de ernst der bekering, die hiervan het gevolg is, schrijft Gunning toe aan het feit, dat in de wereld van het revival “de zalige waarheid van de toekomst van Jezus Christus” geen rol speelt, althans niet “allesbezielend” is, wat toch wel het geval zou moeten zijn. Men denkt bij de toekomst des Heren uitsluitend aan afzonderlijke zielen. Maar dit is veel te beperkt: “Wie aan de toekomst van Christus gelooft, die leeft in het komend en reeds kiemend Koninkrijk van Christus, d.i. de heerlijke éénheid van het lichaam des Heren; zodat hij zich er niet toe bepaalt de Heiland slechts als Verlosser van afzonderlijke zielen te eren.” Wanneer men niet verder komt, dan valt men, zoals dit zo vaak in doorsnee-orthodoxe kringen het geval is, vroeg of laat aan de moedeloosheid ten prooi: “Ach ja, ik weet wel, dat ik verlost ben, maar ik vorder niet in heiligheid.” En dat is, zegt Gunning, ook geen wonder, want “men kent alleen het revolutionair individualisme. (…). Waar nu de ordeningen des geheels niet erkend worden, waar het individu op zichzelf staande her- en derwaarts dwaalt, daar bestaat vanzelf een voortdurende behoefte aan prikkels: want men bouwt dan op zijn eigen, min of meer levendig, geloofsleven en niet op de daad Gods in het doopverbond: en mist dus in de grond de eenvoudige, in alle nood voorziende zekerheid van het aan Christus toe te behoren. Men heeft een onrustige behoefte om zichzelf en anderen gedurig af te vragen of men wel vast en gewis is van in Christus te zijn. (…) Ontbreekt dat besef, zo moet het op allerlei wijze opgewekt worden. Vandaar de behoefte aan telkens nieuwe (liefst vreemde) personen, samenkomsten, boeken, ter “opwekking”, ter overwinning van het telkens weer opkomend gevoel der “dorheid”. De zekerheid echter die blijvend en reëel zal zijn, moet die van het leven zijn, van de gedurige gemeenschap met de Heer. ‘Ik stel de Heer gedurig vóór mij: omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen’” (Psalm 16 : 8).

Openbaarheid

Als een van de tekenen van de door hem gesignaleerde rusteloosheid noemt Gunning “de dringende behoefte aan openbaarheid: het evangelisatiewerk en alle “christelijke werkzaamheden” moeten voortdurend openbaar gemaakt worden in “meetings”, in tijdschriften e.d., opdat “er toch geen linkerhand overblijft die niet in alle bijzonderheden weet wat de rechter deed. (…) Men wil bij de broeders als medewerkzaam bekend staan, want men heeft behoefte bij hen onder het getal van de ware, werkzame christenen aangenomen te wezen, om aldus op hen, op hun goedkeuring, enigszins te kunnen steunen en zich gerust te stellen. Vandaar ook partijschap en mede spreken met elkander: want, om Jezus’ wil verdacht te worden en alléén te staan, daar kan men niet tegen. Daarentegen, in de verwachting van de toekomst van Christus ligt de eigenlijke zekerheid. Dan toch valt het ware licht op de machtige troost van de eeuwige verkiezing.” De eigenlijke heerlijkheid van Christus is híerin gelegen, dat Hij niet slechts Verlosser van afzonderlijke zielen, maar Hoofd en Koning van zijn gemeente is. Het is de Heer bovenal om de eenheid van zijn lichaam te doen (blz. 448vv.).

Meer dan de kerk

Hiermee is echter niet alles gezegd. Toont Gunning zich in zijn afwijzing van “het onvruchtbaar en wild individualisme” afkerig van iets, dat minder dan de kerk is, hij blijft niet bij de kerk steken: “Wij willen, en wij verwachten van onze God, iets dat meer is dan de kerk. Wij geloven dat het werk dat onze Heiland eigenlijk bedoelde, iets oneindig hogers is dan de meeste, ook waarlijk vrome, christenen zich nog durven voorstellen. Zijn werk, dat Hij op aarde geplant heeft, is namelijk niet slechts uitsluitend godsdienstig, maar het is ook zedelijk tegelijk: of met andere woorden, niet slechts kerkelijk, maar ook maatschappelijk. En dit karakter is het wat in onze dagen moet tevoorschijn treden. De Heer Jezus bracht ons niet een bijzondere zijde van het leven, al zij het ook de hoogste, die van de ware aanbidding: maar Hij bracht ons het gehele leven, de gehele waarheid, daar Hij dit beide zelf is, en ook de weg ertoe.”

“Wij begeren”, zegt Gunning opnieuw, “een nieuwe krachtige werking van de Heilige Geest onder ons.” Maar dit houdt meer in dan een vragen om “meer leven, meer krachtige vroomheid, meer beslistheid om God te dienen” of iets dergelijks. Wij kunnen de kou niet verdrijven door “sterke roeping en smeking”, door gemeenschappelijke bidstonden, die, door honderden, ja duizenden mensen bijgewoond, grote ontroering hebben gewekt. “Dit is”, zegt Gunning, “niet ernstig genoeg.” Wanneer wij vragen om meer werking van de Heilige Geest, realiseren wij ons dan wel, wat wij nodig hebben? Gaan wij niet voorbij aan wat de Heilige Geest in onze dagen, ook onder ons, werkelijk doet, zodat wij ons bij zijn werk kunnen aansluiten? De Heilige Geest leert de gemeente vandaag de dag, “dat de haar toevertrouwde waarheid een leven is. Dat de van God gegeven en dus bovennatuurlijke levensmededeling tevens in de hoogste mate menselijk is, omdat de mens zelf boven de natuur verheven staat. Dat derhalve die waarheid te belijden in onze dagen betekent: de maatschappij in haar duizendvormig woelen, de wetenschap in haar hoogstbelangrijke voortgangen, het zwoegend en overal nieuwe banen zoekend streven der kinderen van deze tijd niet te verachten, maar daar in te gaan in het besef dat Jezus Christus de Koning is aller eeuwen, ook van deze negentiende eeuw. In Hem geloven, dat is, in de gistende ontwikkelingen van deze tijd niet alleen te zien op het schuim dat opspat, op de zonden en de afval die openbaar worden, maar ook op het daaronder verborgen werk der toebereiding van zijn Koninkrijk, tot hetwelk zelfs hetgeen Hem het heftigst bestrijdt, moet dienen. Wij zeggen dat de Heilige Geest ons dit alles leert” (blz. 449v.).

Actualiteit

Wanneer wij het bovenstaande goed op ons laten inwerken, dan valt ons op, hoe actueel Gunning is. Actueel, wanneer hij, gedreven door een grote liefde voor de kerk, de revival-christenen een “revolutionair individualisme” verwijt, daar zij, uitsluitend gericht op de vroomheid van het individu, voortijdig scheiding maken tussen “gelovigen” en “ongelovigen”, “bekeerden” en “onbekeerden”. Actueel, wanneer hij hun voorhoudt, dat zij geen oog hebben voor het historisch gewordene, als zou dit voor God van nul en generlei waarde zijn. Actueel, wanneer hij de vinger legt bij hun “rusteloosheid” en hun behoefte aan steeds nieuwe prikkels, en wanneer hij hen erop wijst, dat zij, uitsluitend gericht op godsdienstige items, volkomen voorbijgaan aan de ontwikkelingen op maatschappelijk terrein en niet ingaan op de wetenschappelijke vragen en behoeften van hun tijd.

Het is niet in de laatste plaats met het oog op deze actualiteit, dat wij Gunnings Verzameld Werk nadrukkelijk bij de lezers van ons blad ter lezing aanbevelen, in de hoop, dat zij dit als een verrijking van hun geestelijk leven mogen ervaren.

J.G. Barnhoorn, Nunspeet