Terug naar Ecclesianet.nl

Deel 1 Verzameld Werk J.H. Gunning (I)

Het is al weer vrij lang geleden, dat bij Uitgeverij Boekencentrum het eerste deel van Gunnings Verzameld Werk1 is uitgekomen. Een gebeurtenis, waarnaar door velen jarenlang reikhalzend is uitgezien. In “Ecclesia” van 16 april 2005 heb ik, aan het einde van een lange serie artikelen over Gunning2, de wens geuit, “dat het ooit nog eens tot een uitgave van Gunnings Verzameld Werk mag komen”. En nu is het dan zo ver: er is een begin gemaakt met de uitgave van het Verzameld Werk, althans van “een representatieve selectie van zijn boeken en vele artikelen”, - een uitgave in drie delen, verzorgd door Dr. L. Mietus3, onder verantwoordelijkheid van de “Stichting Heruitgave Oudere Ethische Theologie” (SHOET). En dit stemt tot dankbaarheid.

De ethische richting

Johannes Hermanus Gunning Jr. (1829 – 1905) behoorde met Daniël Chantepie de la Saussaye (1818 – 1874)4 tot de grondleggers van de zogenaamd ethische theologie, die in de negentiende eeuw, als “modaliteit” tussen de confessionele richting van Groen van Prinsterer c.s. en de “modernen” onder aanvoering van J.H. Scholten, een geheel eigen, zelfstandige positie innam. “Levend met de gereformeerde vaderen, erkende hij de noodzaak hun theologische stelsels en confessies te overdenken en te actualiseren. Zijn theologiseren was nooit alleen wetenschappelijk georiënteerd, maar diende ter ondersteuning van het “geloof der gemeente”. Hij wilde zo omgaan met de Schrift en de traditie, dat de geloofswaarheid die daarin vertolkt wordt weer ging leven; hij zag het als zijn opdracht ‘het lied der aanbidding te doen horen, dat in het dogme slaapt’” aldus de samenstellers van het Verzameld Werk in de inleiding van het eerste deel (blz. 7).

“Het geloof der gemeente”: een uitdrukking, die wij bij ethische theologen, en wel in het bijzonder bij Gunning, heel vaak tegenkomen. Gunning heeft zich steeds dienaar van de Kerk geweten. Als predikant - achtereenvolgens in Blauwkapel (1854 – 1857), in Hilversum (1857 – 1861) en in Den Haag (1861 – 1882) – leefde hij intens met zijn gemeenteleden mee. Sociaal bewogen als hij was, trok hij zich het lot aan van hen, die aan alcoholverslaving ten onder dreigden te gaan. Hij wist zich vóór alles pastor. En hij is dit de jaren door steeds gebleven, ook nadat hij – in 1882 - tot het hoogleraarsambt was geroepen. Het tekent hem, dat hij ook in die functie het liefst met “dominee” aangesproken wilde worden.

Gelovige ervaring

Van de twintig publicaties uit de jaren 1856 – 1878, die in het eerste deel van het Verzameld Werk zijn opgenomen, noemen wij allereerst de drie geschriften, die men als het hoogtepunt van de eerste, de “ethische” fase in zijn theologische ontwikkelingsgang kan beschouwen. Dit zijn achtereenvolgens: Gordel en Wijnkruik (1859), - een uitgewerkte preek over Jeremia 13 : 1 – 14, waarin Gunning de zonde en de ellende, die er het gevolg van is, beschrijft als een toestand van het menselijk leven, die alleen door de werking van Christus in ons doorbroken kan worden5, Beginsel en meningen (1860), waarin hij onderscheid maakt tussen het ethische beginsel (de levenswerkelijkheid van Christus in ons) en de leermeningen, waarin de theologie deze werkelijkheid begripsmatig probeert te verwoorden, en Het kruis des Verlossers (1861)6: een dogmatische doordenking van de betekenis der verlossing als herstel – door Christus - van de humaniteit. In deze drie geschriften laat Gunning zien, dat alles aankomt op de gelovige ervaring van het werk van Christus in ons.

Het kerkelijk vraagstuk

In deze eerste fase van zijn ontwikkeling heeft Gunning zich ook in toenemende mate met het kerkelijk vraagstuk beziggehouden. Hij werd daar min of meer toe gedwongen, toen hij – in 1860 - een beroep ontving van de vier jaar tevoren door Ds. J. de Liefde gestichte Vrije Evangelische Gemeente in Amsterdam, waardoor hij voor de vraag kwam te staan, of hij de vaderlandse kerk al of niet vaarwel moest zeggen. Uiteindelijk bedankte hij voor het beroep. Tegenover het congregationalisme van De Liefde bleef hij vasthouden aan de idee van een nationale kerk. In zijn Openbare brief aan de ouderlingen der Vrije Evangelische Gemeente te Amsterdam (1861), waarin hij zich voor deze beslissing verantwoordde, heeft hij zijn visie op de kerk verder uitgewerkt.

Uit de beginperiode van Gunnings Haagse periode dateert ook zijn Eén doel, twee wegen (1864), een brochure, gericht aan Groen van Prinsterer ter verklaring van het feit, dat hij in tegenstelling tot Groen, geen voorstander was van tuchtmaatregelen tegen zijn collega Dr. J.C. Zaalberg. Voor Gunning was er maar één weg, die tot het beoogde doel leidde: het geestelijk leven van de gemeente moest versterkt worden, zodat moderne predikanten op den duur uit zichzelf er toe zouden komen hun ambt neer te leggen.

Ook in geschriften als Is er zaligheid buiten het geloof? (1865) en Waarschuwing tegen verkeerde geestelijke bewegingen onzes tijds, tot de gemeente gericht (1869) keerde Gunning zich tegen de opstelling van de confessionelen, van wie hij zich hierdoor gaandeweg verder verwijderde.

Vermeldenswaard in dit verband zijn ook Gunnings Zestien stellingen betrekkelijk het stemregt der gemeente, aan de gemeente ter overweging gegeven uit 1867, - een publicatie, waarin hij blijk geeft van zijn affiniteit met het gedachtegoed van de Engelsman Edward Irving, de stichter van de Katholiek Apostolische Kerk, die sinds 1861 ook in Den Haag vertegenwoordigd was. Gunning deelde de overtuiging, dat het in de kerk aankomt op gelovige persoonlijkheden, die, door Christus zelf tot het ambt geroepen, met gezag kunnen optreden: alleen door een ‘centraal geestelijk gezag’ van charismatische personen kon de Hervormde Kerk van binnen uit vernieuwd worden. In deze opvatting stond hij echter nagenoeg alleen. De distantie tot de confessionele richting althans werd door zijn “Irvingianisme” alleen maar groter.

Naturalisme

Kenmerkend voor het ‘systeem’ van Gunning is een drietal grondbegrippen: de zelfverloochening, het offer en de “idee der persoonlijkheid”. In deze items zag hij de sleutel tot kritiek op de naturalistische7 wereldbeschouwingen, die in zijn tijd opkwamen, zoals het darwinisme en het Spinozisme.

Tegen het darwinisme keerde hij zich in het laatste hoofdstuk van zijn boekje Lijden en heerlijkheid8 (1875). Hierin legde hij de vinger bij het grote verschil tussen de christelijke en de darwinistische levensbeschouwing: de kern van het christelijke leven is zelfverloochening en zelfopoffering voor het zwakkere, terwijl het in het darwinisme gaat om de “survival of the fittist”. In zijn boek Spinoza en de Idee der Persoonlijkheid (1876)9 bond hij de strijd aan met Spinoza, die hij als de geestelijke vader van het moderne naturalisme beschouwde. Het wezen van de persoonlijkheid is voor Gunning gelegen in de zelfbestemming. Deze wordt gerealiseerd door onbaatzuchtige liefde en offerbereidheid voor de medemens.

Zelfverloochening

Van hoe grote betekenis Gunning de zelfverloochening achtte, komt heel duidelijk tot uiting in een aantekening bij zijn Lijden en heerlijkheid. Zelfverloochening”, zo zegt hij hier, “- ook onze kerk stelt haar tot beginsel, het 1ste antwoord van de Catechismus: dit is mijn troost, dat ik mijns Zaligmakers Christus eigen [ben]. Hoe kom ik tot haar? Door aanschouwing van Christus in het vlees: want die leert mij zijn eigen leven als de hoogste norm voor mij verklaren (Johannes 15 : 12 – 15), en zijn leven is de hoogste zelfverloochening, zelfovergave der liefde. Dàt is het hoogste heroïsme, de offerande. Welnu, wat als zodanig, door de mensen op het hoogst, als exceptioneel, in hun gelovige leer aangeprezen wordt, dat is het eenvoudige niveau waarop Christus wil dat wij altijd zullen staan. Dan, en dan alleen, komen wij tot de ware kennis, wijsbegeerte nl. niet als dienstknechten, maar als vrienden, te weten wat God doet (vers 15): boven de ijzeren wetmatigheid tot die der liefde te zijn opgeheven. Nu zien wij, intuïtief, de waarheid zelf, zoals Christus, die ons daartoe uitverkiest (vers 16)! Het zedelijk proces, dat der zelfverloochening, is dus de weg wijzend om de idee van God te vinden. En daarom is de ethiek de grond der dogmatiek, niet omgekeerd. Deze zelfverloochening beheerst voorts elk ogenblik des levens, zij is beginsel, één grote daad (het ogenblik der bekering …) en dan verder het dragen van het morgengebed door de ganse dag heen …” (blz. 532v.).

Beleving

Gunning heeft de leefregel van de zelfverloochening niet alleen beleden, hij heeft haar ook beleefd. In het indrukwekkend Praeludium, dat aan Leven en Werken voorafgaat, spreekt K.H. Miskotte zelfs van een “zelfmartelende bescheidenheid” 10. Hoewel met uitzonderlijke talenten begaafd, was Gunning gewoon zichzelf volkomen weg cijferen. Hij leefde uit de apostolische regel “Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen” (Efeze 4 : 20). En wie Christus kent, weet zich geroepen het evangelie uit te dragen, en dat niet in de laatste plaats door een geheiligde levenswandel. Leer en leven vormden bij Gunning een eenheid.

De bekende kerkhistoricus M. van Rhijn, was, nadat hij ooit als jongen met Gunning in aanraking was gekomen, zózeer geboeid door diens “geëleveerde persoonlijkheid, met het schouwende in zijn blik en het priesterlijke in zijn verschijning”, dat hij, hoe jong hij ook was, heeft voorvoeld, dat de indruk, die deze ontmoeting op hem had gemaakt, hem zijn leven lang bij zou blijven. “Het leven van Gunning”, zo zegt hij, “was het beste commentaar op zijn geschriften en dat niet alleen, waar het geldt zijn vroomheid en geestelijke kracht, maar ook waar het betreft zijn beteekenis als geleerde en denker. (…) Meer nog dan van de ideeën en de gedachtenwereld, zullen wij allen van de vroomheid en den persoon speciaal ook van een man als Prof. Gunning hebben te leeren.”11

J.G. Barnhoorn, Nunspeet

Noten
1 ISBN 978 90 239 2112 7. Het boek telt 656 bladzijden en kost € 59,90. Te zijner tijd zal het door een tweede en een derde deel gevolgd worden.
2 In deze artikelen heb ik uitvoerig over Gunnings levensloop geschreven.
3 Dr. Mietus is docent aan het Seminarium van de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland. Hij promoveerde in 2006 op een proefschrift, getiteld “Gunning en de theosofie: een onderzoek naar de receptie van de christelijke theosofie in het werk van J.H. Gunning Jr. van 1863 – 1876”.
4 Het “Verzameld Werk” van La Saussaye is in de jaren 1997 – 2003 uitgekomen en bevat, evenals dat van Gunning, drie delen. Ook aan deze uitgave hebben wij destijds in Ecclesia uitvoerig aandacht besteed.
5 Chr. Hunningher zegt van Gordel en Wijnkruik: “Dit hoogst ernstig geschrift” moet in een tijd van groote “braafheid diepen indruk gemaakt hebben op allen, wien de tegenstelling tusschen zonde en genade nog niet was ontgaan … En als in onze dagen, misschien niet zonder eenige aanleiding, wordt beweerd dat het vele “ethischen” aan ernstig schuldbesef ontbreekt, dan blijft “Gordel en Wijnkruik” een getuigenis van het feit, dat een hunner beste voormannen zoowel door dit geschrift als door “Het Kruis des Verlossers” de tegenstelling van zonde en genade krachtiger en oorspronkelijker dan iemand anders ten onzent in de tweede helft der 19de eeuw heeft geponeerd” (Leven en Werken, deel I, blz. 97).
6 Later omgewerkt tot: Christus de Gekruisigde voor en in ons. In Ecclesia van 25 september 2010 hebben wij aan dit prachtige geschrift uitvoerig aandacht besteed, nadat het in de serie Klassiek Licht opnieuw was uitgegeven.
7 Het naturalisme dankt zijn naam aan de opvatting, dat er voor al het bestaande natuurlijke oorzaken zijn aan te wijzen. Het bestaan van God wordt, als eigen aan het boven-natuurlijk denken, ontkend.
8 Door K.H. Miskotte getypeerd als “het diepst stichtelijke boek, dat in ons vaderland in de 19de eeuw verscheen” (blz. 460).
9 Dankzij de Utrechtse hoogleraar C.W. Opzoomer werd Gunning in 1877 voor dit boek een eredoctoraat toegekend.
10 Leven en Werken, deel I, blz. XLVII.
11 Idem, blz. XCI, geciteerd door Ch. Hunningher.