Terug naar Ecclesianet.nl

Overwegingen bij Hemelvaart en Pinksteren

Hij moet als koning heersen, totdat… 1 Korinthiërs 15: 25

Het woord ‘heersen’ roept meestal geen positieve gevoelens op. We spreken over een ‘heerszuchtig iemand’. We zeggen over deze of gene dat hij ‘overheersend’ is en bedoelen er een karaktertrek mee aan te geven die verre van plezierig is. Toch zou het onterecht zijn om bij het woord ‘heersen’ op voorhand negatieve associaties te hebben. Dat iemand heerst, kan ook goed zijn. De vraag is maar hóe iemand heerst.

Johannes 10: de goede herder en de valse leiders

Die twee aspecten komen duidelijk naar voren in Johannes 10. Jezus spreekt er ondermeer over de goede Herder. Deze leidt zijn schapen en gaat voor hen uit en brengt hen aan grazige weiden, in het koninkrijk der hemelen. Daartegenover staan echter de ‘dieven en rovers’, die van elders inklimmen en de schapen verleiden. Zij brengen niets dan verwarring teweeg. De rover komt niet door de deur. Hij wordt niet aangewezen door God. Hij werpt zich wel op als ‘herder’, maar hij verstoort en brengt verderf.

Als Johannes deze woorden schrijft, begrijpt hij het beeld dat Jezus oproept beter dan ooit. Hij is oud geworden en heeft gezien welke ellende in Israël veroorzaakt werd door mensen die zich opwierpen als leiders van het volk. Zij ontketenden een opstand tegen de Romeinen. Een totale catastrofe was het gevolg: de stad werd met de grond gelijk gemaakt. Dertig jaar na Johannes’ dood zou een ander, Bar Kochba, opnieuw de lont in het vuur werpen. Toen was de catastrofe nog groter. Zo is Jezus niet geweest, terwijl Hij door zijn wonderen en tekenen veel meer indruk maakte dan de anderen, die de schaapskooi van elders inklommen. Veel meer nog dan zij had Hij macht kunnen krijgen over het volk en een opstand kunnen beginnen. Sommigen hoopten zelfs dat Hij het zou doen. Maar zó wilde Jezus niet heersen. Hij luisterde naar zijn Vader en kwam door de deur naar de schapen. De deurwachter (Johannes de doper) deed open en Hij riep zijn schapen door zijn woord.

Als koning

En toch heerst Jezus. Hoe doet Hij dat? Paulus haalt in 1 Korinthiërs 15 het eerste vers aan uit Psalm 110 en zegt dat Jezus heerst ‘als koning’. Nu was men in Israël vertrouwd met het beeld van herder dat gebruikt werd voor een koning. Al eeuwen voor Christus werd waarschijnlijk in Iran een koning voor het eerst gekenschetst als een herder. In Israël kwam dit beeld volledig tot zijn recht. We hoeven maar te denken aan David, die als herdersjongen geroepen werd om koning te zijn. Daar komt bij dat het koningschap in Israël zich onderscheidde van dat van andere volkeren omdat het constitutioneel van aard was.

Wat dat betekent, wordt duidelijk als we terugdenken aan de gebeurtenissen van 30 april jl. In de morgen van die dag legde koningin Beatrix haar ambt neer. Door haar handtekening te zetten, droeg zij het koningschap over aan haar zoon Willem Alexander. Toch was de plechtigheid daarmee niet voltooid. In de middag legde de nieuwe koning de eed af op de grondwet. Daarna legden de volksvertegenwoordigers de eed af en beloofden zij trouw aan de grondwet en de nieuwe koning. Daarna volgde de inhuldiging ofwel de acclamatie, door een driemaal ‘hoera’.

Veel aspecten komen overeen met hoe men in Israël koning werd. Weliswaar wees God in het geval van Saul en David hen als koning aan, maar Davids zonen werden koning door erfopvolging. Bovendien werd de koning geacht te regeren bij de grondwet, zoals die te vinden is in Deuteronomium. Hij legde de belofte op de grondwet af en zo werd hij ingehuldigd door het volk, dat hem aanvaardde als door God geschonken.

In de lijn van dit Israëlitische koningschap wenste Jezus koning te zijn. Het is het koningschap dat bezongen wordt in Psalm 23 en in Psalm 118. Deze laatste Psalm werd gezongen door de schare bij de intocht in Jeruzalem. Jezus wilde vooral ook koning zijn in de geest van Psalm 110. In de dagen na de intocht confronteert Hij de schriftgeleerden met deze Psalm. Zij zijn het erover eens dat David daarin zijn zoon op het oog heeft, de messias. Maar als hij dan uitroept ‘de HERE heeft gesproken tot mijn Here’, wie wordt dan bedoeld met ‘mijn Here’? Hoe kan, vraagt Jezus, de zoon van David zijn Heer zijn? De schriftgeleerden kwamen er niet uit. Allereerst al omdat men vermoedde (gelet op de intocht) dat Jezus zichzelf beschouwde als de zoon van David. Omdat men dit niet kon verdragen, ontweek men de vraag liever. Wat de vraag echter nog pijnlijker maakte, was dat Jezus kennelijk bedoelde dat Hij, als Hij de zoon van David was, ook Davids Heer was. Zou Jezus dan meer zijn dan David en zou Hij beweren dat God tot Hem zou zeggen “Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank voor uw voeten”?

Een gewillig volk

Ook toen de hogepriester Hem enige dagen later tijdens het verhoor, toebeet “Beweert u werkelijk de Zoon van God te zijn?” antwoordde Hij bevestigend om eraan toe te voegen “vanaf nu zult u de Zoon des mensen zien, zittend aan de rechterhand van God” (Matth. 26: 63 - 64).

Jezus sprak deze woorden in de hoop dat men Hem zou erkennen als degene die koning moest zijn over de hele schepping om zo het heil teweeg te brengen. De erkenning bleef echter uit. De woorden uit Psalm 110 “Uw volk zal zeer gewillig zijn” gingen niet zomaar in vervulling. En toch: enkele trouwe discipelen, waaronder de vrouwen, zagen in wie Hij is. En de hoofdman over honderd kwam tot de belijdenis: “Waarlijk deze man is Zoon van God.” Hetzelfde gold voor de moordenaar aan het kruis, die zelfs zei “Denk aan mij als U in uw Koninkrijk gekomen zult zijn.” Zij vormden de voorbode van hen, die Hem erkennen zouden na de opstanding! De vroeg-christelijke gemeente in Jeruzalem beleed Hem als degene die “krachtig bewezen is de Zoon van God te zijn, door de opstanding uit de doden” (Romeinen 1: 4).

Dat Hij dit was, bleek vooral ook bij zijn hemelvaart. De discipelen brachten Hem hulde, de engelen escorteerden Hem en de hemel ontving Hem. Zijn glorie brak door op het Pinksterfeest, waarna Petrus Hem predikte als de Kurios (Heer): “God heeft Hem tot Here en Christus gemaakt, deze Jezus, die gij gekruisigd hebt.” Het was het geboorteuur van de gemeente, het nieuwe volk van God, dat zijn Naam aanriep en ‘op zijn Naam’ gedoopt werd. Toen vond de metanoia (ommekeer) plaats, die de Heilige Geest teweeg bracht. Op het feest van Pinksteren ging de hemel open. Paulus overkwam enkele jaren later een dergelijke ervaring. De ecclesia, de kerk van Christus is geboren: toen was er sprake van een ‘gewillig volk’.

Jezus – koning in groot en klein

Jezus Christus heerst als koning over alle dingen. Hij doet dat ter wille van zijn kerk. Hij doet dat in overleg met de Vader, die weet van ‘tijden en gelegenheden’, zoals Jezus zelf zegt in Handelingen 1.

Volgens Luther oefent Jezus zijn macht uit ter wille van zijn kerk met zijn rechter- en met zijn linkerhand. Met zijn linkerhand doet Hij zijn oneigenlijke werk. Hij weerstaat de vijanden van de kerk, die de weg van de kerk door de geschiedenis willen blokkeren. Dat begon al bij Paulus, die de gemeente eerst vervolgde, maar door Jezus’ ingrijpen een van de belangrijkste apostelen werd. Hij doet zijn oneigenlijke werk wanneer een regime, een koning, een keizer een blokkade opwerpt en het leven van de kerk wil smoren. De geschiedenis laat er voorbeelden van zien, hoe zulke regimes ineens tot een einde gebracht kunnen worden. Soms catastrofaal, soms volkomen onverwacht, zoals met het vallen van de Berlijnse muur. Luther zegt: Jezus regeert met zijn linkerhand, om zijn ‘eigenlijke werk’, dat wil zeggen ‘het werk met zijn rechterhand’, mogelijk te maken. Dit ‘eigenlijke werk’ is het zaaien van het Evangelie. Met de linkerhand trekt Hij een voor door de wereldgeschiedenis, om het werk met zijn rechterhand, het zaaien van het Evangelie vruchtbaar te laten zijn. Zo gaat Hij als de herder voor zijn kudde uit om haar weg door de geschiedenis te laten uitmonden in het Koninkrijk van God.

Jezus regeert ook in het klein, d.w.z. in het leven van het enkele schaap. Hij doet dat door heel eenvoudige dingen, door zijn woord, door ontmoetingen, door de sfeer van liefde, die in de kerk aanwezig is en waarmee de wereld in aanraking komt. Hij kan dat doen door een tekst uit de Bijbel, die we op ons in laten werken en die met ons meegaat, door een opmerking, die we horen, een Psalm die we zingen. De woorden dringen door, we leven erin en ze maken ons immuun voor verzoekingen en voor de zonde. Ze laten ons over de dood heenzien, tot in het Koninkrijk van God, ze geven ons moed.

We zien dit terug bij de eerste christenen, soms heel tastbaar. Wie in de buurt van Rome de catacomben, die als een gangenstelsel het oude Rome omgaven, bezoekt, is er getuige van. De schilderingen op de wanden laten de tekenen van de overwinning zien: een palmtak; Jona, die na drie dagen uit de vis wordt gespuwd; de vele afbeeldingen van de goede Herder, die het schaap op zijn schouders over de doodsrivier, de Jordaan, draagt, tot in het koninkrijk der hemelen; een orante, die in vrede en blijdschap de handen opheft naar boven. Ze leggen getuigenis af van het feit dat Christus regeert. Hij doet het nu al, tot zijn overwinning volledig manifest wordt en de figuur van de goede Herder en het schaap tot zijn volle recht is gekomen. Want Hij moet als Herder-Koning heersen.

H. Klink, Hoornaar